voor meer: www.tiemens.info
Van zwaarden tot ploegscharen
Met de beëindiging van
de Tweede Wereldoorlog verloor een enorme hoeveelheid oorlogstuig, vooral van
Amerikaanse makelij, haar functie. Veel ervan vond haar weg naar de civiele
sector. het werd ingezet ten behoeve van de wederopbouw van ons zo zwaar door
de oorlog geteisterde werelddeel. Voormalige legertrucks namen een groot deel
van het goederenvervoer over de weg voor hun rekening. De eerste jaren na de
oorlog bestond de KLM-vloot vrijwel geheel uit overtollige oorlogs-Dakota’s.
Heel wat van dit materieel werd zelfs aanzienlijk langer ná dan tijdens de
oorlog gebruikt. Zo konden gegadigden nog tijdens de 40-jarige herdenking van
de Slag om Arnhem een rondvluchtje maken boven de slagvelden van weleer in een
Dakota die in september 1944 ook al van de partij was bij Arnhem! En
kortgeleden signaleerde ik nog niet zo lang geleden een zogenoemde half-track, die als werktuig nog
in vol gebruik was bij een aannemer van grondwerk. Het weinige Duitse
legermaterieel dat er na de oorlog nog resteerde, was door defecten en gebrek
aan reserveonderdelen vrijwel onbruikbaar. Daarvan zagen we na de oorlog dan
ook nauwelijks meet iets terug. Toch is er een uitzonderlijk geval bekend van
Duits oorlogstuig, dat tot op de dag van vandaag wordt gebruikt en een
respectabele naoorlogse staat van dienst heeft opgebouwd: het Würzburg-Riese
radarapparaat. Althans de antenne daarvan. Over het hoogst interessante
naoorlogse gebruik van dit oorlogstuig handelt deze beschouwing.

De DC 3 Dakota (militaire aanduiding C 47) was
na de oorlog enige jaren de ruggengraat van de KLM vloot
Ontwikkeling
Ik wil hier in enkele grove
lijnen de ontwikkeling van het Würzburg-Riese radarapparaat schetsen. Aan het
einde van de jaren dertig waren de Duitsers koortsachtig bezig bruikbare
radarapparatuur te ontwikkelen ten behoeve van onder meer de marine en de
luchtafweer (FLAK). In 1939 had de firma Telefunken een apparaat gereed, dat
met een dichte parabolische antenne (diameter 3 m) was uitgerust. De
schotelantenne zorgde ervoor dat de radiogolven van de radarzender in de vorm
van een kegel werden uitgestraald. Dit maakte het apparaat uitermate geschikt
voor het uitvoeren van nauwkeurige peilingen. De aanvankelijke aanduiding van
het apparaat was Fu.M.G.62 (Fu.M.G. staat voor Funkmessgerät), bij de
indienstneming veranderde die in Fu.M.G.39T. bekend werd het echter onderzijn
codenaam Würzburg.
De Würzburg kon hoogte,
afstand en richting (en daarmee de precieze locatie) vaststellen van een doel
dat zich binnen zijn bereik bevond. De Würzburg was daardoor uitermate geschikt
om luchtdoelgeschut van de nodige informatie over de positie van doelen te
verschaffen. Het apparaat werd dan ook in grote aantallen en diverse
uitvoeringen aan de FLAK geleverd.
Bij het opzetten van de
radargeleide nachtjacht, liet de Luftwaffe het oog ook op de Würzburg
vallen. De reikwijdte was echter zo beperkt, dat in de praktijd de tijd waarin
vanuit een radarstation een eigen jager en het doelvliegtuig met deze apparaten
gevolgd konden worden, te kort bleek om een onderschepping te doen slagen. De
benodigde reikwijdte werd verkregen door de radarzender te koppelen aan een
schotelantenne met een aanzienlijk grotere diameter (7,5 m). De bediening van
deze antenne, die om drie assen kon bewegen, was geen sinecure. Er werd daarom
een compartiment aan gebouwd, waarin het aandrijfmechanisme werd ondergebracht.
Ook de zeskoppige bemanning, de zender en de afleesapparatuur vonder er hun
plaats. De paraboolschotel van de Würzburg-Riese (reuzen Würzburg), zoals dit
radarapparaat werd gedoopt, was met een soort gaas bekleed en had dus een open
structuur. Groot voordeel daarvan was, dat de wind veel minder vat had op deze
grote antenne, dan wanneer die een gesloten oppervlak zou hebben gehad.
Bovendien was zij door gebruikmaking van aluminium zo licht mogelijk gehouden.
De constructie van de schotel vertoonde een onmiskenbare gelijkenis met die van
spanten in een vliegtuigvleugel. Geen wonder, want de grote schotel was een
stukje vakmanschap van Zeppelinwerke in Friederichshafen!
Detailopname van
een Würzburg-Riese antenne in Dwingeloo
Al in mei 1941 beschikten
de Britse militaire inlichtingendienst over een foto van een Würzburg-Riese.
Dat apparaat was kort tevoren opgesteld op de FLAK-toren bij Tiergarten
in Berlijn. Vanaf 1942 stroomden de ‘reuzen’ vooral de organisatie van de
nachtjacht binnen, waar ze de Würzburgs van het type D vervingen. In geringere
aantallen werden ze ook aan de Kriegsmarine geleverd. In totaal werden
er ongeveer 1.500 vervaardigd.
Gegevens
Zoals reeds opgemerkt,
vonden zes personen onderdak in het bedieningscompartiment. Van daaruit werd de
antenne gericht (gehouden) op het doel, werd de zender bediend, werden de
metingen verricht en werden de verbindingen met de centrale post van het radarstation
onderhouden. De combinatie van antenne en compartiment kon in het horizontale
vlak 360o Daarenboven kon de antenne kantelen van - 5o
tot + 95o. Zo kon de Würzburg-Riese elk punt aan de hemel, mits
binnen bereik, met zijn gebundelde radiostraling beschijnen. De reikwijdte
bedroeg 60 – 80 km. Op die afstanden kon het apparaat alleen zoekopdrachten
uitvoeren. Zuiver peilen werd pas mogelijk bij afstanden kleiner dan 60 km.
Maar dan waren de prestaties van de reus ook indrukwekkend. Hij bepaalde de
afstand dan op 100 m nauwkeurig. De zijdelingse afwijking bedroeg slechts 0,2o
. Bij de hoogtemeting kon hij er maximaal 0,25 graad naast zitten. Het gewicht
van het radarapparaat bedroeg 15 ton.
De zender werkte slechts op
één golflengte, te weten 53,6 cm (560 MHz.). Eerst later werd het mogelijk de
golflengte te variëren in de band van 53 tot 67 cm. Dit om de invloed van
stoorzenders te ontlopen. De omstandigheid, dat zowel de Würzburg als de
Würzburg-Riese op slechts een (praktisch) vaste en dezelfde golflengte werkten,
was bijzonder hinderlijk voor de Duitsers. De geallieerden konden deze
apparaten vrij eenvoudig storen. Dat geschiedde met gebruikmaking van een
stoormiddel, bestaande uit strookjes zilverpapier. Bundels van deze strookjes
werden met regelmatige tussenpozen door een aantal bommenwerpers uit een
formatie afgeworpen, zodra ze binnen bereik van Würzburg(-Riese) apparaten
kwamen. De bundels ontplooiden zich en vormden neerdwarrelende ‘wolkjes’
zilverpapier. Zo’n wolkje veroorzaakte een radarecho als ware het een
bommenwerper. Op de beeldbuizen van de radars gingen de radarecho’s van de
echte doelen als het ware onder in de zee van valse bommenwerperecho. Window,
zoals de Britten dit stoormiddel noemden, bleek optimaal effect te sorteren
wanneer de strookjes een lengte hadden die overeenkwam met de helft van de
golflengte waarop de radarzenders werkten. De breedte van de strookjes deed er
niet toe. Window werd voor het eerst gebruikt tijdens de aanval van de Royal
Air Force in de nacht van 23 op 24 juli 1943 op Hamburg. De gehele Duitse
luchtverdediging werd lamgelegd. De Duitsers, die het stoormiddel de codenaam Düppel
noemden (de Amerikanen spraken van chaff), zijn er nooit in geslaagd om
de moeilijkheden die Window veroorzaakte, afdoende het hoofd te bieden.

Britse
officieren inspecteren na de capitulatie een Duits radarstation aan de kust en
lopen daarbij onder een Würburg-Riese antenne door
Na de oorlog
Na de oorlog werd veel van
hetgeen de Duitsers in ons land hadden achtergelaten, ontmanteld, gesloopt of
opgeblazen. Bouwmaterialen en metalen waren gewilde artikelen. Ook veel
radarstations, die elk tenminste twee Würzburg-Riese apparaten rijk waren,
ontkwamen niet aan de slopershamer.
Een drietal reuzen ontliep
echter het ogenschijnlijk onontkoombare lot. Ir. A.H. de Voogd, toentertijd
Hoofd van de Centrale Afdeling Radio van de PTT, liet drie exemplaren uit de
duinstrook weghalen en weer in bruikbare staat brengen. Het was een persoonlijk
initiatief van de heer Voogd, die een bijzondere belangstelling had voor de
mogelijkheden die de radiosterrenkunde voor zonneonderzoek bood. En het is de
zon, die een belangrijke invloed uitoefent op het radioverkeer via de
ionosfeer, daar die door de zon in stand worden gehouden. De Voogd was van plan
de schotelantennes als radiotelescoop te gebruiken. Twee antennes gingen naar
het terrein van Kootwijk Radio op de Veluwe, de derde werd opgesteld op het terrein
van NERA te Nederhorst den Berg. Met enkele medewerkers voerde De Voogd
radioastronomisch onderzoek van de zon uit op de metergolflengtes. Al in 1949
stelde de PTT een van de twee Kootwijkse apparaten ter beschikking van de pas
opgerichte Stichting Radiostraling van Zon en Melkweg. Met deze antenne slaagde
de befaamde sterrenkundige prof. dr. J.H. Oort er in om aan de hand van de
radiostraling die de interstellaire waterstof in ons melkwegstelsel
voortbrengt, de uitwaaieringen van dit melkwegstelsel aan te tonen. Ook prof.
ir. C.A. Muller (TH Twente) werkte in de periode 1950 – 1955 met dezelfde
antenne.
De Würzburg-Riese
in de opstelling bij Kootwijk
Toen in 1955 de nieuwe
radiotelescoop in Dwingeloo gereed was, werd de onderzoeksantenne naar NERA
overgebracht. De andere antenne uit Kootwijk was daar al wat eerder naar
verhuisd. Met de drie antennes, geplaatst op een oost-westlijn, werd in
Nederhorst den Berg het zonneonderzoek ten behoeve van de PTT voortgezet. Ze
bleven in dienst tot ver in de jaren zeventig, toen satellieten hun werk
overnamen.
Een van de antennes waarmee de PTT
zonneonderzoek verrichtte

Behouden
In 1974 verzocht een Duits
vliegtuigmuseum in Ludwigshafen de PTT een antenne af te staan. Gelukkig ging
men niet op het verzoek in. Maar het vormde wel de aanleiding om eens na te
gaan, of er in ons land belangstelling voor de casco’s bestond. Welnu, die
bleek er te zijn. Eén Würzburg-Riese antenne werd afgestaan aan het Oorlogs- en
Verzetsmuseum in Overloon, waar hij nu tentoongesteld staat. Helaas in de open
lucht, hetgeen de conditie van het apparaat niet ten goede komt.
De 'reus' van
Sterrenwacht Simon Stevin in Hoeven
Een tweede 'reus' ging naar
de Volkssterrenwacht Simon Stevin te Hoeven, waarmee men er tot op de dag van
vandaag de straling van de zon mee meet. En de laatste werd overgedragen aan de
volkssterrenwacht in Emmen. Het Emmense apparaat verkeert helaas niet meer in
zo’n oorspronkelijke staat als de twee andere. Merkwaardigerwijze zijn ‘de drie
reuzen van De Voogd’ thans niet de enige van dat soort in ons land. Omstreeks
1955 kreeg de nieuwe radiosterrenwacht in Dwingeloo de beschikking over twee
aangepaste antennes, die afkomstig waren van een eilandje voor de Noorse kust.
Een van deze antennes schijnt intussen overgebracht te zijn naar een museum op
vliegveld Twente, zo is mij verteld.
Naschrift
Kort nadat ik dit verhaal op mijn website plaatste – bijna achttien jaar na de oorspronkelijke publicatie dus – werd ik erop attent gemaakt, dat op nog een plaats in ons land na de oorlog met een antenne van een Würzburg-Riese is gewerkt. En wel bij het Physisch Laboratorium van Rijksverdedigingsorganisatie TNO. In 1947 werd het apparaat, dat deel uitmaakte van de kustverdediging van de Kriegsmarine en op het eiland Rozenburg stond - aan de monding van de Nieuwe Waterweg - overgebracht naar de Vlakte van Waalsdorp.


Links de antenne op locatie Rozenburg, rechts opgesteld bij het Physisch Laboratorium van TNO op de Vlakte van Waalsdorp (foto’s: TNO Fysisch en Elektronisch Laboratorium, Museum “Waalsdorp”)
Daar heeft de antenne
jarenlang dienst gedaan in het wetenschappelijk onderzoek naar de voortplanting
van radiogolven in het frequentiegebied van
ca. 100 – 1.500 MHz. Aanvankelijk werd de W-R antenne in 1950 ingericht
voor het onderzoek van kosmische ruis, radiostraling afkomstig uit het heelal.
Daarna werd zij gebruikt voor onderzoek van communicatie door voortplanting van
radiogolven met een hoge frequentie via de troposfeer. Waar radiogolven met een
dergelijke frequentie (doordat zij de kromming van de aarde niet volgen) niet
‘achter de horizon’ reiken, werd dit effect wel bereikt door gebruik te maken
van het reflecterend vermogen van de troposfeer. Vanaf 1957 kwam in dit kader
een zogeheten troposcatterverbinding tot stand met Tromöy (Arendal) in Noorwegen, die enkele jaren in
stand werd gehouden. In 1965 werd met de antenne op een frequentie van 435 MHz
een verbinding tot stand gebracht met een station in Puerto Rico, waarbij de
maan als reflector diende. In 1966 werd de antenne opnieuw elektrisch en
elektronisch uitgerust en gebruikt voor een experimentele
troposcatterverbinding tussen Waalsdorp en Seedorf. Het was een
telefonieverbinding van hoge kwaliteit. Het troposcatterproject werd in 1967
beëindigd ten gunste van een NATO satellietcommunicatieproject. De W-R antenne
werd nu ingericht ten behoeve van de tactische communicatie via de satellieten
LES-5 en LES-6. Er werden allerlei praktische proeven uitgevoerd, waarbij de
antenne als vaste post diende voor verschillende posten in de V.S., Canada en
andere NATO-landen in Europa. Al deze proefnemingen leverden een belangrijke
bijdrage tot de ontwikkeling van mobiele zender/ontvangers voor militaire
satellietcommunicatie.
Een spectaculaire prestatie
van de W-R antenne is de registratie in 1964 van beelden van de weersatelliet
Nimbus-I, waarop eilandjes van ca. 2 km doorsnee konden worden waargenomen,
voor die tijd iets heel bijzonders. In 1973 – 1974 werden optische en infrarood
beelden met een groot oplossend vermogen van het aardoppervlak geregistreerd,
die afkomstig waren van de satelliet NOOA-2.
In 1974 zijn de satellietcommunicatieproeven met de W-R antenne beëindig, in 1977 kwam er met de overdracht aan het Luftwaffemuseum in Appen bij Hamburg een einde aan haar actieve militaire loopbaan van naar schatting 35 jaar.
(Met
dank aan Ir. A.W.M. van der Voort, TNO Fysisch en Elektronisch Laboratorium,
Museum “Waalsdorp” te ’s-Gravenhage)