voor meer: www.tiemens.info
DE RADIOPEILSTATIONS VAN DE LUFTWAFFE
In het vroege voorjaar
van 1942 konden rond de Galgenberg bij Terlet drukke bouwactiviteiten worden
waargenomen. Aan de voet van de heuvel werd een barakkenkamp uit de grond
gestampt, op de top verrees een stenen gebouw dat wel wat van een boerderij weg
had en her en der schoten lompe torens met een houtskelet als paddestoelen uit
de grond. Het duurde niet lang, of de eerste soldaten van de Luftwaffe en Luftnachrichtenhelferinnen
(ook wel Blitzmädel genoemd), namen hun intrek in de barakken. In de
loop van datzelfde jaar startten ook op de Worth-Rhedense Heide, rond het
hoogste punt van Gelderland, bouwactiviteiten. Op deze afgelegen plaats bleken
bouwwerken te worden opgericht, die als twee druppels water leken op die welke
eerder op Terlet waren opgetrokken. En daar bleef het niet bij. Ook in Brielle,
Schagen en Franeker ontstonden soortgelijke nederzettingen, terwijl bij
Nieuwenhoorn en Menaldum dergelijke bouwsels verrezen zonder dat die door
Duitsers bemand werden.Het fijne van deze Duitse kampjes wist niemand. En dat
is tot lang na de oorlog zo gebleven.
Inleiding
Nadat de Luftwaffe
in het voorjaar en het begin van de zomer van 1940 een doorslaggevende rol had
gespeeld bij de overrompeling van vrijwel geheel westelijk Europa, slaagde het
keurkorps van rijksmaarschalk Hermann Göring er niet in de Britse Royal Air
Force (R.A.F.) op de knieën te dwingen. Omdat die zonder
luchtoverwicht geen kans van slagen had, was Hitler genoodzaakt de voorgenomen
invasie van Engeland uit te stellen. Het uitstel zou afstel blijken. Voor de
jagerstrijdmacht van de Luftwaffe bracht het einde van de veldtocht in
het westen de ingrijpende omschakeling met zich mee van een offensief optreden,
dat sterk gericht was op de ondersteuning van de grondtroepen, op een zuivere
defensieve taak - de verdediging van het luchtruim. Deze nieuwe taak stelde
geheel andere eisen aan de organisatie en infrastructuur. Zo namen de Duitsers
met grote voortvarendheid de opbouw van een nachtjagerstrijdmacht ter hand, die
het hoofd zou moeten bieden aan het in omvang en kracht toenemend aantal
nachtelijke aanvallen door de bommenwerpers van Bomber Command van de Royal
Air Force. Voor de dag- en nachtjagers werden goed geoutilleerde vliegvelden
aangelegd. Via een dicht netwerk van uitstekende verbindingslijnen voorzag de Flugmeldedienst
(Luchtwachtdienst) de commandoposten van de vliegende eenheden van
informatie over de activiteiten die de tegenstander in het door de Luftwaffe
gecontroleerde luchtruim dreigde te ondernemen en ondernam. Om tijdig voldoende
jagers in de lucht te kunnen brengen bij grotere aanvallen overdag, richtten de
Duitsers drie centrale commandoposten in, die het bevel over de jagers
overnamen, wanneer daar meer dan één Geschwader (eskader) bij betrokken
was. Het spreekt voor zichzelf, dat het voor de bevelhebbers op de grond van
groot belang was, onafgebroken op de hoogte te zijn van de plaats waar hun
jagers zich bevonden. Lang niet altijd konden piloten zelf aangeven waar ze
vlogen. Vlogen ze bijvoorbeeld in of boven de wolken of boven zee, dan waren ze
vrijwel niet in staat hun positie aan de hand van herkenningspunten op de grond
te bepalen. Nu beschikte de Luftwaffe wel over een systeem van
zogenoemde driehoekspeiling als navigatiehulpmiddel. Daarbij werd vanuit drie
verschillende en op flinke afstand van elkaar verwijderde plaatsen de richting
bepaald waaruit ter plekke het radiosignaal van een vliegtuig werd ontvangen.
Dit gebeurde handmatig. De vastgestelde richtingen werden naar een centrale
post doorgegeven, waar ze met lijnen in kaart werden gezet. Op het snijpunt van
de drie lijnen bevond zich het vliegtuig. De methode van driehoekspeiling had
als nadeel dat ze een geringe capaciteit had, storingsgevoelig was,
betrekkelijk veel tijd vergde en slechts een beperkte actieradius had. Ten
behoeve van de Duitse veldtocht in Rusland werden in het voorjaar van 1941 veel
jagers aan de luchtverdediging in het westen onttrokken. Het was dus te meer
zaak, dat de weinige die daar achterbleven, zo werkzaam mogelijk zouden kunnen
worden ingezet. Een efficiënter en betrouwbaar peilsysteem was één van de
middelen die daartoe een grote bijdrage kon leveren.
Nieuwe peilmethode
In het Onderzoek- en Ontwikkelingscentrum van de Luftwaffe te Rechlin, wierp een groepje wetenschappers onder leiding van Oberleutnant Dr. J.A. Schaeder zich op de ontwikkeling van de vervanger van de driehoekspeiling.


Dipl. Ing. Wolfgang Fricke (Haupt-Fliegeringenieur auf Kriegsdauer) maakte in een schematische tekening de werking van de Y-peilmethode duidelijk
Schaeder en zijn mannen ontwierpen een systeem, waarbij een radiozender op de grond gelijktijdig twee signalen met een verschillende frequentie (300 Hz en 3000 Hz) uitzond, die door een radio-ontvanger in een vliegtuig werden ontvangen en werden doorgegeven aan een zender in het vliegtuig, welke de signalen vervolgens weer uitzond.

In de Peilerhütte op de top van de toren draaide de operateur de peilantenne totdat hij via zijn koptelefoon een maximale ontvangst van het signaal kon vaststellen. De richting waarin de antenne stond, bracht hij vervolgens over op een kaart, waarna - in dit geval - een Helferin de bijbehorende vectoren doorgaf naar de Auswertung, waar deze gegevens werden gecombineerd met die van de afstandmeting
Vanaf de grond kon niet alleen de richting worden vastgesteld (peiling) waaruit het retoursignalen kwamen, maar kon ook de tijd worden gemeten die lag tussen het uitzenden van de 'toontjes' en de ontvangst van de retoursignalen. Omdat radiogolven zich met de - bekende - snelheid van het licht verplaatsen, kon uit het gemeten tijdsverschil worden berekend welke afstand de signalen hadden afgelegd. Door de berekende afstand door twee te delen vond men de afstand tussen het vliegtuig en het meetpunt (afstandmeting of E-Messung). Aan de hand van het signaal met een lage frequentie werd een grove afstandbepaling uitgevoerd (op een schaal van 0 - 300 km), het signaal met de hoge frequentie maakte het bepalen van een nauwkeurige aanvulling (schaal van 0 - 30 km) op die grove afstand mogelijk.
Het E-Messgerät
voor het meten van de afstand, let op de twee kathodestraalbuisjes (lichte
rondjes) en de wieltjes daaronder, waarmee de operateur de afstand grof en fijn
bepaalt
Dit leverde een afstandbepaling op met een fout die binnen 500 m lag. Nadat eerst nog een correctie op de aldus gemeten afstand was uitgevoerd wegens voor de hoogte waarop de jager vloog, leverde de combinatie van peiling (tot op ½ ° nauwkeurig) en afstandmeting de geografische positie van het vliegtuig op. Schaeder en zijn ploeg stelden voor om de peil- en meetapparatuur onder te brengen in 'hutjes' die op eenvoudige houten torens waren geplaatst. Op de top van de toren stond een achthoekig hutje met een grote, draaibare peilantenne erop. De E-Messhütte was doorgaans tussen de poten van de toren op de grond geplaatst. Aanvankelijk was de positie van deze cabine vlak onder de peilhut voorzien, maar zoveel elektrische apparatuur zo dicht bij elkaar leverde storing op. Daarom zakte de E-Messhütte al snel naar de grond. De radiozender moest om technische redenen op enige afstand van de toren worden geplaatst. De radioverbinding die aldus tussen het vliegtuig en 'de grond' tot stand werd gebracht, werd tevens benut voor spraakverkeer tussen de vlieger en 'de toren'. Zo ontstond wat de Duitsers noemden een 'Y-lijn', een faciliteit van geïntegreerde positiebepaling en communicatie. Zowel in de peilhut als in de E-Messhütte bevonden zich twee operators. In de peilhut richtte er een de antenne aan de hand van de sterkte van het signaal dat hij in zijn koptelefoon hoorde. De ander las de richting af en gaf die telefonisch door aan de operateur in de Auswertung, die aan de zijkant van een (hun) zogeheten Seeburg Tisch (Seeburg tafel) zat.
Unteroffizier Alfred Miesel aan de Seeburg Tisch in de Auswertung
van Teerose I
In de afstandshut bediende één van de operators het meetapparaat en gaf het resultaat door aan de tweede operateur die voor hun Seeburg tafel in de Auswertung.
Het operationele hart van het radiopeilstation,
de Auswertung; hier die vanTeerose I op de Terletse Galgenberg 
De tweede persoon hield het logboek bij en noteerde wat er over de spreeklijn werd gezegd. De Seeburg tafel was een horizontaal opgestelde glazen plaat waarop de kaart van het gebied rondom het station was getekend, voorzien van een kaartnet. Vanonder af werd een lichtpunt op de kaart geprojecteerd. De plaats van dat lichtpunt werd gezamenlijk door beide operators bepaald, omdat ieder de meetgegevens die hij ontving via een wieltje of zwengeltje op het lichtpunt kon overbrengen. Doordat er vijf of zes metingen per minuut konden worden uitgevoerd, verplaatste het lichtpunt zich langzaam over de plaat. De route die het aflegde werd door een derde persoon met inkt op de plaat vastgelegd. De coördinaten van de kaartvakken die het vliegtuig passeerde, gaf hij via de telefoon door aan de commandocentrale van 3. Jagddivision in de bunker Diogenes in Schaarsbergen. Nu kon één toren aanvankelijk slechts één jager tegelijk volgen. Er bestond dus nog steeds een capaciteitsprobleem. Dat werd echter al voor een flink deel opgelost, indien in een formatie (en de dagjagers vlogen vrijwel altijd in formaties) zich slechts één jager doorlopend 'in de peiling' liet nemen. Overigens was het in de loop der tijd met een goed werkende ploeg mogelijk om twee jagers simultaan op één Seeburg tafel te volgen. Omdat de veldsterkte die de radiozenders opwekten, de nauwkeurigheid van de peilingen nadelig beïnvloedden, was het nodig de torens met de bijbehorende zenders een flink eind uit elkaar te plaatsen. Het aantal 'Y-lijnen' dat in één radiopeilstation in bedrijf zou worden gehouden, werd bepaald op vijf. De jagers werden doorgaans niet vanuit het peilstation geleid. Dat voerde alleen de peilingen uit en gaf de bijbehorende coördinaten door. Wel kon men meeluisteren in het spraakverkeer, waarmee de jagerpiloot onder meer zijn vlieghoogte doorgaf aan de gevechtleidingsofficier in de bunker Diogenes. In geval van nood kon men een vlieger in nood vanuit het peilstation echter wel de kortste weg naar een vliegveld wijzen. De radiozenders waarmee de 'Y-lijnen' werden gerund, waren de gangbare boordradio's, FuGe. 16. Het bereik daarvan was beperkt. Dit gegeven, gevoegd bij de eis, dat op een jager die 'waar ook boven eigen gebied' op 50 m hoogte vloog, een positiebepaling moest kunnen worden uitgevoerd, bracht met zich mee, dat een fijnmazig netwerk van radiopeilstations over Europa gelegd zou moeten worden. Bovendien begon te tijd de dringen. Eind december 1941 waren de Verenigde Staten formeel in de oorlog betrokken en het lag in de lijn der verwachting dat zij zich ook daadwerkelijk in de strijd in Europa zouden gaan mengen. Er begonnen zich voor de Luftwaffe donkere wolken boven de Noordzeehorizon samen te pakken ...
Teerose
I, II en III
Teerose, de eerste in
zijn soort
Als vestigingslocatie voor
het allereerste radiopeilstation van het nieuwe soort, lieten de Duitsers hun
oog vallen op de Galgenberg bij Terlet. Dit punt had veel voordelen.
De
paadjes door de heide naar de torens en de zenderhuisjes vormen een opvallend
web. Onderaan de T-vormige Auswertung, in de rechter benedenhoek een
stukje van de Apeldoornseweg zichtbaar
Het lag hoog (+104 m NAP.),
hetgeen het bereik van de zenders ten goede kwam. Het lag dicht bij een
belangrijke vliegveld voor jagers (vliegveld Deelen) en in de directe omgeving
van Schaarsbergen, waar vanaf januari 1942 het zeer belangrijke
gevechtleidingscentrum van de nachtjachtdivisie (later jachtdivisie) van de Luftwaffe
was gevestigd, in welker organisatie het radiopeilstation zou worden opgenomen.
In augustus 1942 werd aan dit hoofdkwartier ook het gevechtsleidingscentrum
voor de dagjagers (Jafü Holland/Ruhrgebiet) toegevoegd, dat tot dan toe
op Schiphol was gevestigd. En niet in de laatste plaats viel de keuze op
Terlet, omdat het gunstig in een door de Royal Air Force veel gebruikte
aanvliegroute van het Ruhrgebiet lag. Verder bood de nabijheid van Arnhem het
personeel van het station goede mogelijkheden tot ontspanning; een welkome
afwisseling op het verblijf in de heide. Het installeren van de peil- en
meetapparatuur in de torens en het plaatsen van de zenders, het inrichten van
de meldcentrale van het station, het uittesten, ijken en verbeteren van de
meet- en peilapparatuur, geschiedde allemaal onder auspiciën van een groepje
technici dat onder leiding stond van de al genoemde Dr. J.A. Schaeder. Dit 'ingenieursbureau'
tooide zich met de naam ‘Y-Arnheim’ en vond - na een verblijf in de
Karthuizerstraat en Bovenbrugstraat in Arnhem - uiteindelijk een vast
onderkomen in het gebouw van het Christelijk Lyceum aan de Utrechtseweg in
Arnhem.

De mannen van 'Y-Arnheim'
voor de ingang van het gebouw van het Christelijk Lyceum aan de Utrechtseweg in
Arnhem. Links Dr. J.A. Schaeder, rechts Dipl. Ing. W. Fricke
Teerose operationeel en
modelstation
Vanaf juni 1942 stroomden
de mannen en vrouwen het peilstation bij Terlet, dat de codenaam Teerose kreeg,
binnen.
De Luftwaffe
gebruikte bij voorkeur codenamen om militaire objecten zoals radiopeilstations,
radarstations en divisiecommandoposten aan te duiden. De codenamen werden dan
zo gekozen, dat de eerste letter van de codenaam correspondeerde met de eerste
letter van de plaats waarbij het object lag. Voor de radiopeilstations viel de
keus op plantennamen, de radarstations kregen dierennamen, terwijl de
commandocentrales van de jachtdivisies de namen van wijsgeren droegen.
Terwijl Heinz Schmidt de
dienstauto schoonmaakt, wordt achter zijn rug nog volop gebouwd aan de Schreibstube.
Dit gebouw is het enige bouwwerk dat over is gebleven van Teerose I
Naast haar operationele taak,
deed het radiopeilstation Teerose ook dienst als opleidingsstation en
modelstation. Vanwege deze laatste hoedanigheid, bezochten in de loop der tijd
heel wat prominente officieren van de Luftwaffe het station.


Links: generaal Josef Kammhuber verlaat de Auswertung
van Teerose I, rechts: ook de bekende generaal Adolf Galland komt een kijkje
nemen
Links vooraan generaal Dr. W. Martini, chef van de Luftnachrichtentruppe
na een bezichtiging van de Auswertung

Roemeense
generaals laten zich op Teerose I aan de hand van een maquette de werking van
de Y-peilmethode uitleggen. Rechts generaal Kammhuber, wiens gasten zij
blijkbaar waren
De toren Anton in Teerose I was extra groot gebouwd, zodat
hij naast de bemanning ook ruimte bood aan bezoekers of cursisten
De be’man’ning
De be'man’ning van Teerose
bestond uit naar schatting 120 personen, een 80 mannen en ca. 40 vrouwen. De
meesten waren zo rond de twintig jaar oud. De meisjes vormden een eigen
peloton, aan het hoofd waarvan Kameradschaftsführerin Erika Kälke stond.


De Luftnachrichtenhelferinnen
van Teerose I aangetreden en in een minder militair aandoende pose

In tegenstelling tot
hetgeen Nederlandse 'boze tongen' indertijd maar al te graag beweerden,
probeerde de leiding van het station door handhaving van strenge regels de
omgang tussen het jonge volk van beiderlei kunnen in goede banen te leiden.
Hetgeen echter het opbloeien van menige romance niet heeft kunnen voorkomen;
diverse Duits huwelijken vonden hun oorsprong in de Terletse heide! De eerste
commandant van de compagnie was Oberleutnant Dr. Ende. Hij werd
opgevolgd door Oberleutnant Wilhem God, die afkomstig was van het
hoofdkwartier van de jachtdivisie in Schaarsbergen. Vanuit operationeel oogpunt
gezien, werd het belangrijkste werk in het peilstation verricht door de ploegen
die dienst deden op de torens en die in de Auswertung de informatie van
de torens verder behandelden. Vooruitlopende op de verwachting dat de
escalerende luchtoorlog een toenemende vraag naar 'Y-lijnen' tot gevolg zou
hebben, besloot de Luftwaffe eind 1942 de capaciteit van het nieuwe
peilsysteem verder uit te breiden. Zij deed dat door in de nabijheid van reeds
bestaande stations een tweede station op te richten. Wat Teerose aangaat, viel
de keuze op de locatie ongeveer ten noorden van de Posbank, het gebied rond het
hoogste punt (+109 m NAP.) van Gelderland. In maart 1943 was dit station zover
gereed, dat de eerste militairen het konden betrekken. In de praktijk had een
verandering van de werkwijze van de radarstations overigens tot gevolg, dat
zelfs minder vaak een beroep op de radiopeilstations werd gedaan. Nee,
overwerkt raakten ze daar in de heide niet, er bleef voldoende tijd over voor
de aangenamer zaken in het leven.

De barakken en
de Auswertung van Teerose II zijn moeilijk te zien in het terrein met
licht zand, heide en bosjes. De T-vormige Auswertung staat vlak langs
het pad dat van midden boven naar links boven loopt
Naamsverandering
Medio 1943 was Teerose II
operationeel. Het kreeg de codenaam Teerose II, het oorspronkelijke Teerose
ging Teerose I heten. Chef van Teerose II werd Oberleutnant Karl
Hamberger, die afkomstig was uit Teerose I. Teerose I, dat een belangrijke rol
speelde in het berichtenverkeer aan Duitse zijde tijdens de cruciale eerste
uren van de Slag om Arnhem, werd op vrijdag 29 september 1944 door een
geallieerde jachtbommenwerper onder vuur genomen. Die takelde het zo zwaar toe,
dat de Duitsers er weinig anders restte dan het station te sluiten.


Links de Auswertung
van Teerose II, rechts enkele barakken, beschermd door Splittermauer. Zo
goed en zo kwaad het ging in het schrale gele zand, had men in de vele vrije
tijd zelfs een tuintje aangelegd
Een deel van de mannelijke
bezetting kwam in Teerose II terecht en bleef daar tot kort voor de bevrijding.
De meisjes waren nog op 17 september 1944 in verband met de dreigende militaire
situatie in deze streek overhaast naar Duitsland afgereisd. Zij keerden niet
meer terug. Overigens vervulde ook Teerose II een belangwekkende functie
tijdens de Slag om Arnhem. Het fungeerde als verbindingsstation tussen de
Duitse grondtroepen en de formaties van de Luftwaffe die hun luchtsteun
verleenden. Daarnaast werd nog een Kampfgruppe samengesteld uit het
personeel, die opdracht kreeg aan de gevechten in Arnhem deel te nemen. Het was
een initiatief van Hauptmann Willi Weber, onder wiens bevel de beide
Teerose-compagnieën stonden. Weber, die kantoor hield aan de Utrechtseweg in
Arnhem, dacht er een goede beurt bij zijn meerderen mee te kunnen maken. De Kampfgruppe
leed echter verliezen en Webers ondergeschikten nemen hem het kunstje, dat hij
hun aldus flikte, tot op de dag van vandaag hoogst kwalijk!


Teerose I werd
op 29.09.1944 zo zwaar beschoten, dat het station buiten gebruik moest worden
gesteld. In 1987 besteedde de voormalige Unteroffizier Manfred Trowe met
de volgende komische dichtregels aandacht aan het voorval: "...schiesst
mit Pulver, schiesst mit Blei, schiesst uns unser Haus entzwei"
Een pseudo-Teerose; III
Op een kilometer of twee
ten oosten van Teerose I, op een verhoging in het uitgestrekte natuurgebied
Imbosch, lag een klein kampement waarvan nog steeds niet geheel duidelijk is
wat daarvan precies de betekenis is geweest. Vast staat wel, dat het station in
verbinding stond met de bunker Diogenes in Schaarsbergen. In de wandeling werd
het station aangeduid als Teerose III, maar het was zeker geen satellietstation
van Teerose I of II. Teerose III was ook veel kleiner, het had een bezetting
van slechts 25 man.

School 8 aan de Heselbergherweg in Arnhem tijdens de bezetting (1943)
Organisatorisch behoorde de
bezetting van Teerose III tot 2. Funk-Kompanie Ln. Regt. 201, waarvan de
staf gevestigd was in School 8 in Arnhem, de Openbare U.L.O. aan de
Heselbergherweg. Deze compagnie was opgeleid voor ‘radio’ en niet voor
‘peilen’. Waarschijnlijk om praktische redenen kwam Teerose III disciplinair
onder Teerose I te ressorteren.
De lay-out van Teerose III 
Opmerkelijk is ook, dat met
de bouw van Teerose III eerder werd begonnen dan met die van Teerose (I).
Volgens informatie die de heer R. Kirsch uit St. Ingbert (D) - ex Teerose I -
voor mij inwon bij de heer E. Weisenberger uit Arnstein (D) - ex Teerose III -
was de taak van Teerose III dezelfde als die van Teerose I en II; uitvoeren van
peilingen. Volgens de heer Weisenberger beschikte ‘III’ over 4
zender/ontvangercombinaties. Een geallieerde verkenningsfoto doet vermoeden,
dat er 4 peiltorens in ‘III’ stonden. Dit zou erop duiden, dat er vier
volwaardige Y-lijnen beschikbaar waren. Maar vast staat dat niet. Groot
verschil met andere radiopeilstations was, dat in Teerose III ook een Freya
radarapparaat stond opgesteld, waarmee geheel zelfstandig vijandelijke
vliegtuigen konden worden opgespoord. Vervolgens kon men daar dan via de radio
(men gebruikte daarbij de roepnaam Prima Donna) eigen jagers op afsturen.
Overigens stond Teerose III rechtstreeks in verbinding met de commandocentrale
van de jachtdivisie in Schaarsbergen. Er zullen dus zeker ook vanuit Teerose
III peilinformatie en gegevens die de Freya opleverde naar de bunker Diogenes
zijn doorgegeven.
Personeel van Teerose III, zittend in zelfgemaakte stoel
van berkenstammetjes; op de achtergrond een zenderhuisje en -mast
Uit deze schaarse
informatie leid ik af, dat we bij Teerose III te maken hebben met een –
wellicht experimentele – voorvorm van de peilstations die het Y-peilsysteem
toepasten. Vooral het beoefenen van daadwerkelijke gevechtsleiding met
gebruikmaking van het Freya radarapparaat en Y-peiling is interessant. In het
najaar 1943 ging de Luftwaffe er namelijk toe over om de capaciteit van
de zogenoemde Himmelbett gevechtleidingsstations uit te verhogen door Y-peiling
in te voeren als middel om de eigen jagers te geleiden. Het oorspronkelijk
daarvoor beschikbare radarapparaat (type Würzburg – Riese) werd zodoende
vrijgespeeld en kon dus extra worden ingezet op vijandelijke doelen. Al kort na
het begin van de luchtlandingen bij Arnhem op 17 september 1944, werd Teerose
III vanuit de lucht aangevallen en geheel verwoest.
Onderhoud aan een van de zendantennes van
Teerose II, gemonteerd op een hoge houten mast 
Nadat ook Teerose I Iater
in september 1944 door jachtbommenwerpers flink onder handen was genomen, werd
de apparatuur van beide stations uitgebouwd en per vrachtauto naar het
radarstation Hase bij Harderwijk afgevoerd. De heer Weisenberger sprak het
vermoeden uit, dat peiling van het Freya apparaat de locatie en de aard van het
kampje heeft verraden. De 25 mensen uit Teerose III zijn na de beschieting met
een vrachtwagen naar Teerose II gebracht. Ze werden toegevoegd aan de daar
geformeerde Kampfgruppe Weber, die vervolgens naar Arnhem trok om ten
strijde te trekken tegen de parachutisten. Na afloop van de veldtocht werden de
mannen uit Teerose III verspreid over verschillende eenheden in Duitsland.
Bijzonder curieus is, dat
ook in de heide bij Teerose II vanaf eind 1943 een afzonderlijk kampje met een
Freya apparaat in bedrijf was. Deze Freya werd vanuit Teerose II gebruikt voor
gevechtsleiding, wanneer die wegens het uitvallen van Diogenes niet vanuit
Schaarsbergen kon plaatsvinden. De bemanning daarvan zou zijn ondergebracht in
een hotel in Rozendaal (bij Velp). Echter is mij over dit kampje verder niets
bekend.
Spionageactiviteiten
Al vrij snel kreeg de
Ondergrondse in de gaten, dat er wat bijzonders aan de hand was op en rond de
Galgenberg. Het eerste spionagerapport (C.A.D. inv. nr. 46/9) dat ik over dit
onderwerp vond, dateert van 29 april 1943. Een passage daaruit: "Op de
heuvel Terlet zijn houten torens opgesteld met apparaten (waarschijnlijk
luisterapparaten) opgesteld (ca. 4 stuks). Verder staan er houten en steenen
barakken en een radio-auto (bij kruispunt 46). Bovendien staan er palen met
(van de weg af gezien) waarschijnlijk verticale zendantennes er aan".
Dit bericht van de geheim agent met de codenaam Zwaantje, was het eerste van
een hele reeks, waarin steeds meer bijzonderheden over Teerose naar Engeland
werden doorgegeven.
Symbiose
Het is eigenlijk niet zo
vreemd, dat de jongelui uit Teerose I en Teerose II, van wie sommigen bijna 3
jaar in dezelfde omgeving vertoefden, zich er na verloop van tijd thuis
begonnen te voelen en aardig hun weg vonden in deze betrekkelijk vredige
landstreek. Een omgeving die ze dan wel niet als uitgesproken Duitsgezind
ervoeren, maar zeker ook niet als erg vijandig. De vele fotoalbums van ex-Teerosianer
die ik onder ogen kreeg, bevestigen dit beeld. Talrijk zijn de ongedwongen
kiekjes uit het centrum van Arnhem. Heck’s Lunchroom was een van de favoriete
pleisterplaatsen, evenals het Wehrmachtsheim dat in de Rotonde was
gevestigd. En verder komt je het Rembrandt Theater in de Steenstraat tegen en
passeren het zwembad in Dieren, Burgers' Dierenpark,
Heinz Schmidt op een kameel in Burgers' Dierenpark in
Arnhem
de Bedriegertjes of
Résidence Roosendael de revue. En over golfslagbad De Branding in Doorwerth
spreken ze nu nog met bewondering. Nooit is mij ter ore gekomen, dat de mannen
en vrouwen uit de beide Teerosen de burgerbevolking ernstige overlast hebben
bezorgd. (Dat zou trouwens door de commandanten van de stations ook niet zijn
getolereerd). Integendeel, menig Nederlander voer wel bij hun aanwezigheid.
Bijvoorbeeld de aardappelschilsters die dagelijks vanuit Velp naar Teerose II
liepen om daar hun werk te verrichten. Of de fotograaf in Arnhem, die de
militairen portretteerde en hun foto's ontwikkelde en afdrukte. Het personeel
van de schouwburg leende kostuums uit in ruil voor drank en tabak, terwijl
zwarthandelaren ook niet vies waren van een leuk handeltje met deze Duitse
militairen. Minder prettige herinneringen aan Teerose II zal die onbekend
gebleven jongen hebben overgehouden, die werd gesnapt bij zijn poging om
spullen van de bevoorradingswagen te stelen: "Pinksteren. Heerlijk
pinksterweer, vrolijke pinksterstemming. Pinksteren zoals je het je wenst.
Gisteravond hebben we een nog jonge Hollander gepakt, die van onze
bevoorradingswagen boter en brood heeft gestolen. We hebben hem vannacht achter
de wacht laten slapen. Hij heeft toen ook gehuild. Aan de ene kant kun je het
wel begrijpen, want ze krijgen bijna niets te eten. Wij kunnen het echter niet
over onze kant laten gaan; ik zou niet voor de gevolgen willen instaan als we
dat wel gedaan hadden". Aldus de aantekening die Unteroffizier
Willi Hasslach uit Teerose II op zondag 13 juni 1943 in zijn dagboek maakte.
De jongen in kwestie moet hebben gedacht dat zijn laatste uur geslagen had!
Brennessel
De opbouw

Duidelijk zichtbaar zijn de twee peiltorens van
Brennessel in de weilanden bij Brielle
Het radiopeilstation
Brennessel bij Brielle kwam in de loop van de zomer van 1942 tot stand.
Deze dagboekaantekeningen
van de heer L. v.d. Knoop, welke de heer C.J. Olsthoorn uit Brielle onder mijn
aandacht bracht, zijn het weinige dat er over de bouw van Brennessel bewaard
gebleven is. Zelfs het stadsarchief van Brielle, zo verzekerde mij indertijd
archivaris J. Klok, bevat geen gegevens over Brennessel, dat toch een jaar of
twee heeft bestaan. Juist buiten de wallen, op het weitje van Piet v.d. Klink –
even ten noorden van het stadje – werd de centrale opgetrokken. Het gebouw had
wel de bekende T-vorm, maar het dak verliep wat anders dan bij dezelfde soort
gebouwen in de andere stellingen. Daardoor had het van boven gezien meer weg
van een kruisvorm, dat van een T. In de directe omgeving, waaronder aan de
overkant van de weg, verrezen barakken. Bovendien werden twee woningen in de
buurt gevorderd. Een paar honderd meter ten noorden van het kamp van Brennessel
kwamen twee peiltorens te staan en nog twee andere op een wat grotere afstand
ten zuiden van het kamp. De vijfde peilinstallatie vestigden de Duitsers in een
toren die al in de buurt aanwezig was: de forse toren van de Brielse Dom.
Peilhuisje met antenne op de stompe toren van de Brielse
Dom
De klokken waren er toen al
uit verdwenen. Die dreigden aanvankelijk hetzelfde lot te ondergaan als zoveel
andere klokken zou treffen: te worden omgesmolten tot grondstof voor de
wapenindustrie der Nazi’s. Maar dank zij het vermetel optreden van een binnenschipper,
die met zijn schip waarin een grote verzameling klokken (o.a. ook de klokken
van de Bedevaartskerk in Brielle en de kerk in Monster bevonden zich aan boord)
vervoerde, kon deze kostbare verzameling klokken dit trieste lot worden
bespaard. De schipper liet zijn schip opzettelijk zinken in het IJsselmeer. Na
de oorlog werd het op aanwijzing van de schipper weer gelicht en konden de
klokken worden geborgen. Het peilhutje met de antenne plaatsten de Duitsers op
het dak van de toren. In de vrijgekomen ruimte op de winderige klokkenzolder
(oppervlakte ± 12 m²) bouwden ze een beschutte ruimte, waarin het
E-Messgerät kwam te staan. Het was tevens de werkruimte voor twee man. In
de loop van 1943 zou er nog een apparaat voor het peilen van het Rotterdamgerät
– zoals de Duitsers de H2S navigatieradars van de Britse bommenwerpers
aanduidden – op de klokkenzolder geplaatst. Waarschijnlijk werd daar een tweede
hok voor afgeschot, want volgens de heer Wijnand H.F. Spoor was er sprake van
twee kleine werkruimten. In de hanenbalken zouden bovendien zoveel explosieven
zijn aangebracht, dat daarmee in geval van nood met gemak de hele
bovenverdieping van de toren zou kunnen worden afgeblazen! De klokken mochten
dan wel geroofd zijn, het uurwerk zat nog op zijn plaats en liep nog perfect op
tijd. Om dat zo te houden moest elke dag het gewicht, dat de klok liet lopen,
worden opgehaald. Aanvankelijk ervoeren de gebroeders Spoor, die dit werk
opknapten, de aanwezigheid van de Duitsers als nogal hinderlijk. De
dienstdoende klokkenwinder moest bij de deur van de toren aanbellen, waarna een
gewapende Duitser naar beneden kwam om open te doen. "Op weg naar boven
liep de Duitser achter je, het geweer op je gericht houdend. Geen prettig
gevoel," aldus de heer Wijnand Spoor. "Op een gegeven moment
had er een wel in de gaten dat ik hem een beetje kneep. Hij stelde me gerust
door zijn geweer te ontgrendelen; het bleek helemaal niet geladen te
zijn!" Na verloop van tijd zagen de Duitsers maar af van het gewapende
escorte. "Eigenlijk hebben we geen last van die kerels gehad. Het waren
geschikte lui, die Werner, Anton, Hans en Willy of hoe ze ook hebben
geheten," aldus de heer Spoor.
De mannen van Brennessel
Eén van die ‘Dom-Duitsers’
van toen was Gefreiter Werner Müller, die tot zijn pensionering als
molenaar in Mandelbachtal zijn brood verdiende. Hij kwam in april 1942 op in
het Belgische Beverloo.
Gefreiter Werner Müller (r) voor het peilhutje op de
toren van de Brielse Dom
Na de rekrutentijd ging hij
verschillende opleidingscentra af. In september 1942 kwam hij voor zijn
vervolgopleiding in Teerose aan. Na ongeveer vier weken vertrok hij naar Brennessel.
In het begin waren ze daar met een klein clubje – een man of tien – dat zijn
intrek nam in Unterkunft West.

Vier Duitsers,
waarvan twee met hun wapen, zittend op een boomstam voor Unterkunft West
in Brielle. Tweede van rechts Gefreiter Werner Müller. Achterop de foto
stond: Ruhepause vor der Unterkunft West
Kamertje in een houten barak die in Unterkunft West
in Brielle stond. Achterop de foto stond: Weihnachten 1943
Stellung West noemden de
Duitsers een groepje onderkomens aan de westzijde van Brielle, op één van de
redoutes van de Brielse vestingwerken. Dit groepje, waarover Unteroffizier
Siegel de leiding had, doch dat om praktische redenen voorlopig bij de
plaatselijke infanterie was ingedeeld, had tot taak het peilapparaat op de
toren te bedienen. Tot dat clubje van het eerste uur behoorden ook Gefreiter
Anton Beginn en Soldat Walter Geisbüsch. Beginn was op 15 april 1942
onder de wapenen gekomen en had zijn eerste opleiding in Delft ontvangen. Na
enkele voorbereidingsopleidingen kwam hij uiteindelijk in oktober 1942 in
Brielle aan, waar hij en Werner Müller als peiler op de toren van de St.
Catharinakerk werden tewerkgesteld. Om boven op de toren te komen, gebruikte ze
de stenen wenteltrap die achter een deur in de toren begon. "Het
beklimmen van de toren verstoorde de kerkdienst niet," zo liet Beginn
mij weten. Terwijl de ‘toren-Duitsers’ al druk in de weer waren met hun
peilapparatuur, maakte de bouw van het centrale stenen gebouw en de
bijbehorende barakken en torens - dus het hoofdcomplex van Brennessel – goede
vorderingen. De eenheid groeide uit tot een zelfstandige compagnie, 100 à 120
man. Anders dan in de Teerosen, waren er geen Helferinnen in Brielle.
Hun aanwezigheid zo dicht bij de kust werd met het oog op hun veiligheid niet
verantwoord gevonden. De meeste soldaten waren ondergebracht in de barak naast
de Auswertung, die tevens als waslokaal dienst deed. Toen Walter
Geisbüsch op de toren Dora (één van de twee noordelijke torens) tewerkgesteld
werd, verhuisde hij van Stellung West naar het kampement bij de Auswertung.
De Auswertung van Brennessel werd na de oorlog
gekocht door de heer W. Luchtenburg Sr., die er zijn garagebedrijf LUVETO in vestigde
De Kompanie Chef
werd Oberleutnant Kappatsch. Er werd veel dienst gedaan, want het
station was 24 uur per etmaal in bedrijf. Voor het overige hadden de Duitsers
een ‘bruin’ leventje. In het algemeen vonden ze de bevolking gereserveerd, maar
correct. Van enige verstandhouding met de Brielse bevolking kon nauwelijks
worden gesproken, omdat geen van beide partijen de aanwezigheid van de ander
zocht. Wel waren er enkele meisjes die zich met Duitse soldaten inlieten, maar
ook bij hen stonden die niet hoog aangeschreven. Meestal frequenteerden de
Brennessel-Duitsers in hun vrije tijd het Wehrmachtsheim, dat aan het
water lag. Ondanks alles, voelden ze zich in Brielle toch redelijk op hun gemak
en probeerden ze zich als buren en niet als bezetter te gedragen.
Nooit beschoten
Alleen bij het bombardement
op 4 maart 1943, waarbij de school naast de kerk deerlijk werd getroffen,
voelde Gefreiter Werner Müller zich minder op zijn gemak. Hij is altijd
van mening geweest, dat de Amerikaanse bommenwerper geprobeerd heeft de
kerktoren te bombarderen. Na tientallen jaren op die tijd terugblikkend,
verwonderde Günther Thoma zich er nog over dat in de tijd dat hij in Brielle
verbleef, de torens nooit door laagvliegende jagers op de korrel zijn genomen.
Günther deed aanvankelijk op een houten toren dienst als E-Messer, later
werd hij overgeplaatst naar de kerktorenploeg. Vooral toen Engelse en
Amerikaanse jachtbommenwerpers steeds vaker over hun hoofd raasden, begon
Günther Thoma zich – in tegenstelling tot Werner Müller – zeer onbehaaglijk te
voelen daar bovenin de kerktoren.
Een vage foto van de wandschildering die Günther Thoma in
de Auswertung maakte
Het einde in zicht
Omstreeks maart 1944 werden
ongeveer 35 Duitsers overgeplaatst uit Brennessel naar het radiopeilstation
Aphrodite dat zojuist gebouwd was bij het plaatsje Breitsohl, in de buurt van
Aschaffenburg. Tot de overgeplaatsten behoorden onder meer Werner Müller, Anton
Beginn en Walter Geisbüsch. De mannen waren harder nodig in het Reich,
dat het steeds zwaarder te verduren kreeg, dan in het zo ver westwaarts gelegen
Y-station Brennessel, dat door het terugdringen van de Duitse jagers steeds
minder betekenis kreeg. Werner Müller heeft naderhand gehoord, dat Leutnant
Stahl het station heeft gesloten. Dat moet omstreeks augustus 1944 zijn
gebeurd. Voor de meeste brandnetel-Duitsers had de oorlog een vredig verloop.
Zo ook voor Anton Beginn, hoewel dat gemakkelijk anders had kunnen liggen.
Vanwege zijn jeugdige leeftijd werd hij geselecteerd voor dienst aan het front.
Hij kwam in de vliegopleiding bij de Flugzeugführerschule A 125. Omdat
er toen al een groot tekort aan brandstof heerste, was het daar spoedig gedaan
met de vliegerij. Beginn werd doorgestuurd naar de parachutistenopleiding, de Fallschirmspringerschule
2. Als seiner kwam hij bij de staf van de Paragevechtsgroep Gericke, die
aan het eind van de oorlog naar Leeuwarden werd gedirigeerd. "Kamen aber
nicht mehr zum Einsatz – Gott sei es gedankt".
Anekdotes
Het is niet uitgesloten,
dat er onder de Brennessel-Duitsers ook een acrobaat, of anders een grenzeloze
waaghals zat. De heer L. Kölders uit Gouda herinnerde zich eens te hebben
gezien "dat er een Duitse militair op de rand van het ijzeren hek dat
als afzetting op het platte dak van de toren – deze toren heeft geen spits –
staat, een wandeling maakte met de vlaggenstok als balanceerstok. Een heel eng
gezicht om iemand dat te zien doen op ca. 45 m hoogte". Enkele andere
bijzonderheden die enig inzicht geven in de bezigheden van de Duitsers, reikte
mij de heer J. Montenij uit Vierpolders aan. "Ongeveer begin 1944
werden de torens omringd door twee ringen van prikkeldraad. Nu had de eigenaar
van het weiland bijna geen voer meer voor zijn koeien. Maar binnen de
prikkeldraadversperring groeide het gras weelderig. Dus werd toestemming
gevraagd de koeien daar te laten grazen. Die toestemming werd verkregen, maar
melk; geen druppel. Wat was het geval, een soldaat van de toren had de koeien
al gemolken. Er volgde protest, de melk werd naar behoren afgerekend en de
soldaat kreeg een reprimande". Dit verhaal brengt mij als vanzelf op
de verkenningsfoto’s die de RAF. op 10 april 1944 van het gebied maakte.
De positie van met name de twee noordelijke torens werd sterk geaccentueerd,
doordat de vegetatie binnen de cirkelvormige afrastering onmiskenbaar anders
was dan daarbuiten. De torens stonden precies in het midden van deze grote
‘grascirkels’ en vielen daardoor extra op!
Sluiting
Nog enkele citaten uit
brieven:
Deze laatste, toch
enigszins weerzinwekkende, mededeling deed sterk denken aan een voorval,
waarover Günther Thoma het volgende vertelde: "Ik herinner me dat we –
ofschoon dat ten strengste verboden
was – vanaf verafgelegen
torens op konijnen schoten om onze toen al karige maaltijden wat te verbeteren.
Soms zat daar wel eens een ‘dakhaas’ bij. Collega’s van een andere toren
stuurden me met het avondeten eens een konijnenboutje. Toen ik daar later per
telefoon voor wilde bedanken, klonk op de achtergrond als antwoord een brullend
gelach en in koor een meerstemming gemiauw. Ik geloofde pas dat ik kattenvlees
had gegeten, toen de collega’s me het kattenvel lieten zien". Rest de vraag of de Duitsers ook
ooit een hond hebben geslacht of dat degene die dit wist te melden de kat voor
een hond heeft aangezien.
Dat de Duitsers nog in de
veronderstelling hebben verkeerd, dat ze Brennessel op een later tijdstip
wellicht weer in gebruik zouden nemen, moge blijken uit het feit, dat ze met
het oog op de inundatie omstreeks oktober/november 1944 dijkjes rond de torens,
de Auswertung en enkele boerderijtjes opwierpen. De heer Wijnand Spoor
vroeg de Duitsers voor hun vertrek om de springladingen uit de toren te
verwijderen, hetgeen ze hebben gedaan. Dat de gebroeders Spoor al veel eerder
op een onbewaakt ogenblik de draden hadden doorgeknipt, hebben de Duitsers
nooit geweten. Het is de vraag of ze zich er druk om zouden hebben gemaakt.
Een tweelingstation
Evenals Teerose (en
Löwenzahn, waarover hierna meer), kreeg ook Brennessel een tweelingstation.
De Auswertung van Brennessel II, gezien vanuit
Nieuwenhoorn. Dit gebouw is verdwenen
Het lag een kilometer of
zes ten zuiden van Brielle, west van het plaatsje Nieuwenhoorn. De foto die een
verkenningsvliegtuig van de R.A.F. op 13 oktober 1943 van dit Brennessel
II (zoals ik het station gemakshalve maar even zal noemen) maakte, laat een nog
niet geheel voltooid peilstation zien.

Brennessel II bij Nieuwenhoorn; de Auswertung
in het midden, rechts van de weg, links een barak. Links twee torens, rechts drie,
alle in het middelpunt van cirkels, gevormd door het hekwerk rond de torens. Zo
op het eerste gezicht is het peilstation geheel af geweest
Het is overigens zeer
twijfelachtig of dit station, dat vanaf najaar 1944 als gevolg van de inundatie
van het zuidelijk gedeelte van het eiland Voorne Putten in het water lag, ooit
haat operationele status bereikte. Ik denk van niet. Geen enkele
Brennessel-Duitser herinnert zich ook iets over een tweede peilstation in de
buurt. Ik heb ook geen compagnie kunnen traceren die hier dienst zou hebben
gedaan.
Löwenzahn
De geschiedenis van
Löwenzahn
Het radiopeilstation
Löwenzahn I in Franeker
Het radiopeilstation Löwenzahn aan de westzijde van
Franeker. Rechts de begraafplaats, waar Löwenzahn aan grensde. De Auswertung
in het midden van de stelling is duidelijk herkenbaar. Het gebouw bestaat nog
steeds en is in gebruik bij de gemeente
Löwenzahn (paardebloem) was
de codenaam voor het radiopeilstation bij Franeker. Het lijkt erop, dat de
Duitsers bij de naamgeving niet zozeer naar Franeker hebben gekeken, maar meer
naar het wat verder gelegen Leeuwarden, waar ook het belangrijke
nachtjagervliegveld lag. Als locatie voor het radiopeilstation kozen de
Duitsers een stuk land, dat even buiten de bebouwde kom langs de weg naar
Harlingen lag, vlak na de begraafplaats. Er verrezen naast de Auswertung
van het bekende standaardmodel, vijf kleinere barakken. Deze laatste zetten de
Duitsers op de baan, waarover een lokaal spoorlijntje had gelopen. Bovendien
werden er nog twee grotere barakken en wat kleinere bouwwerkjes opgericht in
dit kampje. Om de houten barakken werden moren van holle betonelementen
geplaatst, die gevuld werden met zand. Ze boden een goede bescherming tegen
kogels en granaatscherven. Ook Löwenzahn verrees in de tweede helft van 1942.
"Toen de Royal Air Force op 12 oktober 1942 een trein bij het
station van Franeker beschoot, waren de stenen gebouwen al zover gereed, dat
het aggregaat en de andere installaties geplaatst zouden kunnen worden," wist
een opmerkzame ooggetuige zich te herinneren. "Omstreeks eind 1942
waren ze bezig met het plaatsen van de houten torens, die ongeveer 15 m hoog
waren, ze hadden wel wat weg van belvedères met trappen aan de binnenzijde van
het houtwerk".
Eén toren stond nabij het
zogenoemde Filosofenpad waar nu het Groene Hart is. Een andere stond in de
buurt van het wandelpad ’t War, in de omgeving van het inmiddels afgebroken
‘Het Kuperhuske’. En volgens de heer J. Bierma, die in de oorloog boer in
Dongjum was, stonden er twee torens met bijbehorende houten barakken, welke
eveneens waren omgeven door zogeheten Splittermauer, ten westen van het
tracé van het voormalige spoorlijntje en even voorbij de kruising met de
Sexbierummerweg. Deze kleine barakken zullen bij de verst van het kampement
gebouwde torens zijn gezet omdat het ingeval van nood nogal wat boeten in aarde
had om mensen vanuit het kampement op tijd bij de verafgelegen torens te
krijgen. Ongetwijfeld heeft ook Löwenzahn vijf peiltorens gehad, maar de plaats
van de vijfde heb ik niet meer kunnen terugvinden. Het peilstation werd gerund
door het 1e peloton van 6. Jägerleit-Kompanie Ln. Rgt. 201.
De mensen van dit peloton hadden hun opleiding in Arnhem en Venlo gehad. In
Löwenzahn moesten ze de inrichting verder vervolmaken, voordat het station
begin 1943 operationeel werd. In Löwenzahn voerde de Kompanie Chef
Oberleutnant Raabe aanvankelijk zelf het bevel. Hij werd daarbij geassisteerd
door Hauptfeldwebel (Spiess) Lagrange, een dominee uit Berlijn.
Eind 1943 werd Raabe vervangen door Oberleutnant Karl Hammberger, die
voordien in Teerose I diende en chef van Teerose II was geweest. Op zijn beurt
werd Hammberger in maart 1944 afgelost door Oberleutnant Dr. Albert
Dorsch.


Foto links: Leutnant Karl Hammberger
begroet bij de Auswertung van Teerose I de befaamde nachtjachtpiloot
Helmut Lent. Foto rechts: Karl Hammberger als Oberleutnant van de
Oostenrijkse luchtmacht, waartoe hij na de oorlog weer toetrad en waarin hij
opklom tot de rang van Oberstleutnant (kolonel)
In de loop van de tijd
verschenen er ook nog Leutnant Henkens, Leutnant Hartung de
Grote, Oberfeldwebel Paul Kühn, Feldwebel Seela en Feldwebel
Sattel in Löwenzahn.
Luftnachrichtenhelferinnen
In januari 1944 werden
ongeveer 50 Luftnachrichtenhelferinnen uit de commandopost van vliegveld
Leeuwarden overgeplaatst naar Löwenzahn. Het verlevendigde de dagelijkse gang
van zaken in het kamp aanzienlijk. De meisjes werden ondergebracht in woningen
in de buurt van het kamp, die voor dit doel waren gevorderd. Deze meisjes waren
oorspronkelijk opgeleid in de stelling R26 in Grafenbusch/Sterkrade (bij
Oberhausen). Hun eerste specialistische opleiding ontvingen ze in de
commandopost op Leeuwarden. Om ze de fijne kneepjes van het uitvoeren van
Y-peilingen bij te brengen, ontvingen ze in Franeker nog een cursus van vier
weken. Door de inschakeling van de meisjes, konden de technisch
gespecialiseerde mannen worden vrijgemaakt om in maart 1944 naar het peilstation
Hera op de Hunsrück bij Trier te gaan. Ook Oberleutnant Hammberger
vertrok daarheen. Hij werd opgevolgt door Oberleutnant Dr. Albert
Dorsch, een jurist uit de omgeving van Nürnberg. Dorsch heeft goede
herinneringen aan zijn verblijf in Franeker overgehouden. Hij doorkruiste
menigmaal op de fiets het vlakke Friese land, dat hem zeer bekoorde. Hij heeft
daarbij nooit enige vijandschap ondervonden van de zijde van de
burgerbevolking, zo liet hij mij weten.

Mei 1945, de
heer R.v.d. Berg poseert trots met zijn merrie en veulen - een rijk bezit zo
direct na de oorlog - voor de foto. Op de achtergrond de meest noordelijke
peiltoren van Löwenzahn
De bevolking en de
Duitsers
De Duitsers van Löwenzahn
waren niet de eerste waarmee Franeker tijdens de oorlog kennis maakte. Achter
de woningen aan de Hertog van Saxenlaan had zich al een batterij
luchtdoelgeschut gevestigd. Daarbij was zelfs een aantal Russische
krijgsgevangenen ingedeeld, die ondergebracht waren in een gebouw in het
centrum van de stad. Van tijd tot tijd kwamen er grote contingenten Duitse
artilleristen uit Rusland een paar weken verlof in Franeker doorbrengen om
daarna weer naar het front terug te keren. In een loods van de voormalige
Suikerfabriek werd een herstelwerkplaats voor kanonnen ingericht. Het R.K.
Vereenigings Gebouw werd ziekenverblijf. Kortom, Franeker was garnizoensplaats
met een eigen Ortskommandantur. Eén van de garnizoenscommandanten was
een zekere Lotze, een officier van middelbare leeftijd, die in de Eerste
Wereldoorlog al in het Keizerlijke Leger had gestreden en door de Russen
krijgsgevangen was gemaakt. Hij was hoogleraar aan de universiteit van Leipzig.
Uit de vele informatie die
de heer T.W. Meyer uit Franeker mij verschafte, blijkt, dat de omgang tussen de
bevolking en de Duitsers – met name die van Löwenzahn – gekenmerkt werd door
een zekere ongedwongenheid, ofschoon men er wel voor waakte om voor deutschfreundlich
door te gaan. Zeker in het begin van de oorlog was de verstandhouding niet
slecht, later bekoelde die wel enigszins. Maar in elk geval de elite van de
stad bleef goede contacten met de Duitse officieren houden, hetgeen onder meer
resulteerde in gezamenlijke kaartavondjes. Sommige burgers deden – tegen
betaling – de was voor de Duitsers. In de plaatselijke bioscoop ‘Amecitia’
draaide bijna elke avond een Duitse speelfilm, alm dan niet met
propagandistische inslag. Ook de plaatselijke bevolking ging er vaak naar toe.
Daarnaast werden nog speciaal voor Duitse militairen nog variétéprogramma’s met
bekende artiesten in ‘Amicitia’ en in ‘De Koornbeurs’ uitgevoerd. Van tijd tot
tijd speelde de plaatselijke voetbalclub tegen Duitse teams. De ongezonde
belangstelling die de bezetter voor het nationale vervoermiddel aan de dag
legde, is na de oorlog spreekwoordelijk geworden. Daarom is het des te
verrassender om te vernemen, dat er in Franeker hoogstwaarschijnlijk meer
fietsen van, dan door Duitsers werden gestolen! Een aanwijzing te meer, dat men
daar niet zo bang was voor de ongenode gasten, die ook telkens braaf aangifte
van de vermissing deden bij de plaatselijke politie. Op 13 november 1942 kwam Unteroffizier
Hartmann aangifte doen van de ontvreemding van zijn herenrijwiel, die bij het
voormalige Locaalspoorstation aan de Harlingerweg had gestaan. Hartmann hoorde
waarschijnlijk bij Löwenzahn. Toen er weer twee dienstfietsen van Löwenzahn
waren ontvreemd, werd het Oberleutnant Raabe te gortig. Op
vrijdagochtend 1 oktober 1943 om kwart over tien ontbood hij telefonisch een
politieman uit Franeker om aangifte te doen van de verdwijning van "twee
aan de Wehrmacht toebehorende rijwielen". De Duitsers werden in
Franeker zeker 11 fietsen armer. Of ze er ooit één van hebben teruggezien, is
mij niet bekend. Maar ook wanneer ze iets hadden verloren, zoals een veldmuts
of een dolk, deden de Duitsers daarvan netjes aangifte bij de plaatselijke
politie. Ze vertrouwden kennelijk op eerlijke vinders. Een ander voorval dat
laat zien dat het betrekkelijk gemoedelijk toeging in Franeker, is het
volgende. Een bakkerszoon voelde zich op enig moment geroepen om onder de
Duitsers zending te bedrijven. Hij stapte naar de Ortskommandant om hem
permissie te vragen een Duitse vertaling van de Evangeliën onder de in Franeker
verblijvende oosterburen te verspreiden. Hij kreeg de gevraagde toestemming!
De Ondergrondse
Het spreekt vanzelf, dat
een ook peilstation als Löwenzahn niet aan de aandacht van de Ondergrondse
ontstapte. Er zijn verschillende rapporten bekend, waarbij kaartjes waren
gevoegd waarop de locaties waren aangegeven. Maar het bleef moeilijk voor outsiders
om te doorgronden waartoe zo’n station nu precies diende. Een aardig voorbeeld
daarvan is het ‘Van Rudi voor Karel’ bericht (M Berichten No. 343,
C.A.D. inv. nr. 38/12), dat
gedateerd is 28-6-44. Een citaat daaruit:
"Dit is een
centrale luisterpost, welke dient om, bij nadering van Engelse vliegtuigen, het
vliegveld Leeuwarden te alarmeren. Deze jagers krijgen posities en koers van de
geallieerde vliegtuigen vanuit genoemde "luister- en
waarnemingspost". In de omgeving van deze post staan een aantal torens,
welke groen geverfd zijn, en de nodige peilingen doen. Deze torens kunnen met
boordwapens beschoten worden, doch de eigenlijke luisterpost, die uit stenen
gebouwtjes bestaat en bovendien door stenen muren beschermd wordt, dient
absoluut gebombardeerd te worden, anders geen succes. ’t Is van belang dat
genoemde "post" opgeruimd wordt, daar, sinds deze in werking is getreden,
een stijging van het aantal neergeschoten vliegtuigen in de omgeving van te
constateren".
Ook een Löwenzahn II
In het grasland bij Menaldum: de Auswertung
van Löwenzahn II met daarnaast een grote barak (23.03.1945)
In december 1988 verrastte
de heer F. Mud uit Franeker mij met een foto van een stenen gebouw, dat ergens
tussen Menaldum en Slappeterp midden in het weiland staat. Een loods, een stalling
voor landbouwwerktuigen of misschien een opslagplaats voor kunstmest, zou men
op het eerste gezicht denken. Maar de zes schoorstenen die het gebouw telt, de
dikke bakstenen muren en de typische, bekende T-vorm verrieden onmiddellijk,
dat we met een voormalige Auswertung te doen hadden. Gezien de geringe
afstand – 7½ km – tot Löwenzahn in Franeker, had de Auswertung van het
Löwenzahn II moeten worden. Maar evenals het geval is geweest met Brennessel II
en wellicht met Schneeglöckchen II, is er ook van Löwenzahn II niet veel
terechtgekomen. Op een luchtfoto uit de oorlog is nog wel te zien, dat naast de
Auswertung een grote barak staat, ook omgeven door een Splittermauer.
Dezelfde foto laat enkele plekken zien waar torens waren gepland of waar ze
inmiddels stonden; dat valt niet duidelijk op te maken. Ook zijn wat plekken te
zien, die op zenderhuisjes zouden kunnen wijzen. Vast staat evenwel, dat
Löwenzahn II in het laatst van de oorlog, d.w.z. na september 1944, is gebruikt
als onderkomen voor vluchtelingen uit de omgeving van Roermond. De bewoners van
de boerderij die dicht bij het kampement van Löwenzahn II lag, hebben daar nog
wel profijt van het peilstation gehad; zij betrokken hun elektriciteit ervan.
Sluiting
Niet meer na te gaan viel
wanneer precies de Duitsers Löwenzahn sloten. Vast staat evenwel, dat het
peilstation op 15 februari 1945 al buiten gebruik was. Bij hun vertrek lieten
de Duitsers de installaties in tact. Dat duidt erop, dat ze er rekening mee
hielden, dat het station misschien weer in gebruik genomen moest kunnen worden.
Uit het feit, dat na de oorlog op enkele torens nog springladingen werden
gevonden, mag worden afgeleid, dat de Duitsers ook na het verlaten van Löwenzahn
de zaak nog wel in de gaten hielden. En dat is ook verklaarbaar, wanneer het
bericht juist is, dat ze de Auswertung nog als opslagruimte voor munitie
gebruikten.
Schneeglöckchen
Niet zoveel van bekend

Schneeglöckchen in de polder De Keins bij
Schagen. In het midden de T-vormige Auswertung met rechts daaraan
vastgebouwde barakken. De slagschaduw links boven verraadt een van de vijf
torens van het station (26.02.1945)
Even ten noordwesten van
Schagen verrees in dezelfde tijd als waarin Brennessel werd gebouwd, het
radiopeilstation Schneeglöckchen. Het verrees in het gebied – de polder De
Keins - dat omsloten werd door de vaart van Schagen naar Kolhorn, de Groeneweg
en de Westfriese Dijk. Navraag in Schagen en omgeving heeft niet zoveel
bijzonderheden over Schneeglöckchen opgeleverd. Debet hieraan zal zijn, dat het
station betrekkelijk geïsoleerd lag. Daardoor zullen er niet zoveel dagelijkse
contacten met de burgerbevolking zijn geweest. De boer op wiens land het
peilstation werd aangelegd en die wellicht wat meer had kunnen vertellen, bleek
al overleden toen ik mijn onderzoek naar Schneeglöckchen startte. Ook moet ik
het antwoord schuldig blijven op de vraag of er in de buurt van Schagen – net
zoals in de andere gevallen - ook sprake is geweest van een tweelingstation van
Schneeglöckchen. Misschien aan de straatweg, richting Groen veld? Als het er is
geweest, dan staat wel vast, dat ook dit station waarschijnlijk nooit in
bedrijf is genomen. Wanneer ik iets naders over Schneeglöckchen aan de weet wil
komen, moet ik het dus vooral hebben van informatie die tijdens de oorlog is
verzameld. In de eerste plaats is er dan in een spionagerapport van 20 september
1943:
LUCHTWAPEN RADIO-LOCATION
STATION
bij Schagen (Noord-Holland)
Schagen 20-09-’43,
persoonlijk.
Ca km ten noorden van
Schagen bevindt zich een radiostation omvattende:
dipolen,
ca. 2,5 meter lang. Draaibaar om
de
centrale verticale as (A);
vast
gemonteerd aan houten palen (B).
Het terrein werd bewaakt
door Luftwaffepersoneel, Schouderlap met oranjegele uitmonstering,
zonder bijzonderheden. Men
was bezig aan het leggen van prikkeldraadversperringen er omheen en het
uitvoeren van betonwerk. Een bovengrondsche telefoonleiding van 16 draden
verbindt dit station met dat bij Medemblik (zie bericht AAB ‘Luchtwapen,
Radio-location bij station Medemblik’)

De Auswertung
van Schneeglöckchen staat nog opvallend gaaf in de polder De Keins. Zelfs de
uitbouw aan de rechter vleugel, die de verbindings vormde tussen het gebouw en
de barakken, zit er nog aan (6.07.1989)
Van de heer J.H. Schuurman
uit Heiloo kregen ik een kopie van een Brits inlichtingenrapport, dat de
uitvoerige verklaring bevat van een Duitse soldaat, die tussen januari 1943 en
maart 1944 dienst deed als plotter aan de Seeburg tafel in de Auswertung
van Schneeglöckchen. Het rapport dateert van 30 juni 1944. Waar en hoe de
Duitser in Britse handen terecht is gekomen, vertelt het verhaal niet, maar dat
doet niets af aan de waarde van de verklaring. Die gaat tot in detail in op de
werking van het peilsysteem en geeft daarnaast ook heel interessante informatie
over Schneeglöckchen. Volgens de krijgsgevangene werd Schneeglöckchen bemand
door 2. Zug der 6. Jägetleit-Kompanie Ln. Regt. 201 (2e
peloton van de 6e compagnie van Luftnachrichten Regiment 201).
Commandant van de compagnie was Oberleutnant Raabe en Leutnant
Grubeck was de pelotonscommandant in Schneeglöckchen. Het peloton telde 60 tot
70 man. In de tijd dat de krijgsgevangene er dienst deed, was het radiopeilstation
dag en nacht operationeel. Maar of er veel werk te doen was, is de vraag. Want
op een gegeven moment werden twee van de Seeburg tafels opgehaald, omdat die
elders dringender nodig waren. Op 17 oktober 1944 meldde de Ondergrondse nog
slechts 10 man van de Luftwaffe bij de radiomasten De Keins te hebben
gezien en "ongeveer 5 bij radiomasten straatweg richting Groen
veld". Dit geeft de indruk, dat Schneeglöckchen toen al geen
operationele status meer had.
De situering van de radiopeilstations in de diverse
divisiesectoren, waarin het Duitse luchtverdedigingsstelsel in Europa begin 1945
was verdeeld. In ons land functioneerde toen alleen Teerose II nog
Na de oorlog
Teerose I, II en III
Na de oorlog werden Teerose I en Teerose II ontmanteld. Van Teerose I is alleen het stenen administratiegebouw, de Schreibstube, overgebleven.
Op 13 juni 1992 - 50 jaar nadat Teerose werd gesticht -
bezocht een groep Teerose-reünisten de locaties van Teerose I en Teerose II.
Hier een groepje voor de voormalige Schreibstube van Teerose I
Het dient nu als kantoor- en woonruimte. Van Teerose II kan men in het terrein nog slechts de verweerde fundamenten van enkele peiltorens terugvinden. (Bij één ervan is enkele jaren geleden een gedenksteen geplaatst met een tot nadenken stemmende tekst van de bekende Velpse beeldend kunstenaar Eugène Terwindt).

De voormalige waterbunker van Teerose II, die in de top van een heuvel was gebouwd, kwam in de loop der jaren voor een groot deel bloot te liggen. Nu is hij grotendeels weer onder het zand verdwenen
In wat eens de waterkelder van Teerose II was, huizen nu vleermuizen. Nog vele jaren hebben de 'jongens en meisjes' van Teerose I en Teerose II nog een vrij hechte familie gevormd.

De Velpse beeldend kunstenaar Eugène Terwindt in geanimeerd gesprek met een groepje Teerose-reünisten bij de plaats waar eens Teerose II lag. Het was juist de oorlogsgeschiedenis die kleeft aan dit hoogste punt in de gemeente Rheden, die Terwindt inspireerde tot zijn intrigerende tekst op een steen bij een van de overgebleven de fundamenten van een peiltoren
Maar naar mate de jaren voortschrijden, dunnen de Teerose-gelederen in steeds sneller tempo. En het zal niet lang meer duren of het Teerosenboek zal definitief zijn dichtgeslagen.
Op de plaats van Teerose III, gelegen in het schitterende natuurgebied van de Imbosch, vindt men nu nog slechts wat puin, betonbrokken en resten van funderingen.

Een zwaar betonblok - een overblijfsel van Teerose III, zomaar langs een pad door een adembenemend mooi natuurgebied, herinnert de wandelaar er aan, dat dit gebied ook andere tijden heeft gekend. Eens was hier de wandelaar niet welkom - Sperrgebiet
Brennessel I en II
Ook Brennessel (I) bij Brielle is niet geheel verdwenen. De Auswertung, die gunstig aan een invalsweg lag, werd in 1946 door de heer W. Lugtenburg, garagehouder en Citroëndealer, aangekocht. Hij vestigde er zijn garagebedrijf in. De barak naast het gebouw was toen al verdwenen. Dank zij de historische belangstelling van de familie Luchtenburg zijn er diverse foto’s bewaard gebleven die de voormalige Auswertung nog in vrijwel oorspronkelijke staat laten zien. In de loop van de tijd hebben diverse verbouwingen de oorspronkelijke vorm van het gebouw met zijn dubbelsteens muren versluierd. Maar uit de vorm van de kap is nog af te leiden hoe het bouwwerk daaronder er uit heeft moeten zien. Helaas is met de ingebruikname van het pand als garage wel een bijzondere decoratie verdwenen, die volgens diverse ooggetuigen binnen op een van de muren was aangebracht. Tot mijn grote verrassing trof ik tussen de foto’s die voormalig Gefreiter Anton Beginn mij toezond er een van deze muurschildering aan. De kwaliteit is weliswaar niet optimaal, maar toch … Het feit dat er na zoveel jaar nog een afbeelding boven water kwam van de schildering die na de oorlog op menig Briellenaar indruk maakte, mag heel bijzonder worden genoemd!
Ik kan mij nu ook een betere voorstelling maken bij wat de heer L. v.d. Knoop noteerde:
"… waarin op de muren waren aangebracht alle afbeeldingen van vijandelijke vliegtuigen en daarbij de aanwijzing hoeveel er van elk hier waren neergehaald. Wij telden er 126, het merendeel Thunderbolts, Spitfires en Flying Fortresses. Dan was daar verder nog een machtig mooie muurschildering voorstellende allerlei vliegtuigen w.o. ook in gevechtsactie en getroffene en neerdalende parachutisten. Een prachtig stuk decoratiewerk. In ditzelfde vertrek de volgende pittige spreuk: KRIEG KOMMT VOM WÖRTCHEN ‘MEIN UNS DEIN …"
Bovendien wist Beginn te melden, dat de kunstenaar die dit alles vervaardigde, Günther Thoma was.
Daarnaar gevraagd, schreef Thoma mij hierover: "Ik herinner mij twee schilderingen op de muur van de kantine te hebben gemaakt. Eén voorstellende een luchtgevecht van een M-109 die een Spitfire aanvalt en al heeft getroffen. De andere voorstelling was een furieuze de schoonheid in een half open badjas die op het punt stond om een aquarium met een goudvis erin naar een angstig bukkende man te gooien. Ik had dat uit een of ander geïllustreerd tijdschrift nageschilderd". Van Brennessel II bij Nieuwenhoorn is niets bewaard gebleven. Na de oorlog werd het kamp, inclusief zijn Auswertung, afgebroken. Het lag rechts van de weg Brielle – Nieuwenhoorn in een veld aan de (Grootse) Middelweg, vlak voor de bebouwde kom van Nieuwenhoorn. Een ruilverkaveling en de aanleg van een verkeersweg door het betreffende gebied zijn er de oorzaak van geweest, dat ook de laatste herinneringen aan Brennessel II, stukken van kabels die van de Auswertung naar de torens liepen, onder de grond zijn verdwenen. Misschien zullen ooit archeologen zich het hoofd breken over de vraag hoe die draden zo diep in de bodem van dit Zuid-Hollandse eiland terecht zijn gekomen.
Löwenzahn I en II
Op 29 april 1945 leverde een PPT-er, die klaarblijkelijk op verkenning was geweest bij de toren bij de Donjumerlaan, twee bussen springstof af bij het politiebureau in Franeker. De dag daarop vond een inwoner van Franeker drie bussen dynamiet bij de toren aan de Sexbierummerweg. Na de bevrijding toonden overigens meer mensen belangstelling voor de bouwwerken die de Duitsers hadden achtergelaten. Zo wisten dieven in mei 1945 met een roeiboot via de Sexbierummer Vaart bij de toren te komen, die op het land van de heer R. v.d. Wal stond. Ze sloopten er een aardig partijtje hout af, dat de politie echter kon achterhalen en in beslag nemen. Dat de torens niet direct zijn afgebroken blijkt uit het op 16 juni 1945 door de heer Meyer van Gemeente Werken te Franeker herhaalde verzoek aan de politie om "… speciaal de aandacht te willen schenken aan de peiltorens van de voormalige Duitse Weermacht, daar die nog geregeld door ongewenste bezoekers worden bezocht".
Ook
de voormalige Auswertung van Löwenzahn kreeg een nieuwe bestemming
Toch zouden zowel de torens als de barakken spoedig verdwijnen. Alleen het aggregaathuisje en de Auswertung bleven staan. Na de nodige aanpassingen doen ze nog steeds dienst; nu als bergplaats van een school resp. werkplaats van de gemeente Franekeradeel. En dan is er nog de Auswertung tussen Menaldum en Slappeterp, die nooit Auswertung is geweest. Hij doet nu dienst als stalruimte. Vooral de gebouwen die als Auswertung zijn gebouwd (en in drie gevallen ook als zodanig dienst hebben gedaan) zijn heel curieus vanwege de geschiedenissen die ermee verbonden zijn. Het is heel bijzonder, dat er zoveel jaren na dato nog zoveel over zijn. Geen enkele verkeert nog in de originele staat, al zijn de gebouwen in Schagen en Menaldum nog het meest oorspronkelijk gebleven. Gebouwen met een opmerkelijke geschiedenis dus. Gebouwen die het meer dan waard zijn om beschermd te worden en bewaard te blijven.
Schneeglöckchen
Deze dame werd kort na de oorlog in de polder
De Keins gefotografeerd met op de achtergrond nog twee peiltorens van Schneeglöckchen
Ook Schneeglöckchen werd spoedig
na de oorlog ontmanteld. Wat bleef staan was de Auswertung met de verbindingssluis
die het gebouw met de naastgelegen houten barak verbond. Sinds de houten barak
verdween, heeft deze verbindingssluis zijn nut verloren, maar staat er nog
steeds. De uit het omringende vlakke land oprijzende massieve Auswertung
doet nu dienst als bergplaats voor landbouwmachines.