De Gildenmeesters presenteren u:

De historie van het grofkeramiek

 

*      Wie zijn De Gildenmeesters

*      Nieuws

*      Oproepen

*      Contact

*      Publicaties

*      Beeldmateriaal

*      Literatuurlijsten

*      Lezingen

*      Musea

*      Verwante links

 

Diverse onderdelen van deze website zijn in revisie. Daarom zullen vele koppelingen nog niet werken.

Onze verontschuldigingen hiervoor en nog even geduld

 

Bijgewerkt op: 11-08-2008

U bent de sinds januari 2007 bezoeker:

The Zone Die - This non-profit organization provides useful information for people who want to loss weight.

 

 

 

Wie zijn De Gildenmeesters?

 

 

Specialisten en geďnteresseerden op het gebied van de grove keramiek. Zij verzamelen historische gegevens over alles wat met baksteen, dakpannen en overig grof keramische bouwmaterialen te maken had.

Het onderzoek strekt zich uit op het terrein van oude productie methoden, de beschikbare middelen en apparatuur, materiaal en grondstoffen.

 

Belangrijkste activiteiten

*      Archief onderzoek

*      Veldonderzoek

*      Reproductie oude technieken t.b.v. archeologisch onderzoek

*      Oud ambachtelijke demonstraties vormtechnieken

*      Uitbrengen van onderzoekspublicaties en vertalingen

*      Het houden van lezingen

 

Werkgroepen

Projecten worden vaak uitgevoerd in werkgroepen. Ook zin om actief mee te doen? Neem dan contact op met het secretariaat

Terug naar begin

 

 

 

 

Nieuws

 

 

 

De volgende projecten zijn op dit moment onderhanden:

1 - Mobile expositie over de geschiedenis van de baksteenindustrie. Overzichtelijk weergegeven op een 12-tal panelen. Aangevuld met een collectie van meer dan 75 Nederlandse bakstenen met merk- of naamindrukken. Bij deze collectie is een boekje gepubliceerd waarin de stenen zijn afgebeeld. Bij elke steen een verklarende tekst of een uitgebreider verhaal.

2 - Steen- en Pannenbakkerijen in Zuid-Holland. Eens stonden er in Zuid-Holland meer dan 140 steen- en pannenbakkerijen. Niet voor niets was Zuid-Holland eens het centrum van deze tak van nijverheid. In het overzicht worden vele locaties weer in kaart gebracht. Waar mogelijk, gecompleteerd met een chronologisch overzicht van de opvolgende eigenaren

3 - Steenfabrieken rond Montfoort. In het bijzonder wordt aandacht geschonken aan de voormalige steenfabriek “IJsseloord”. Er wordt aan de hand van uitgebreid veldonderzoek een reconstructietekening vervaardigd.

4 - Samenwerkingsverband met Stichting Historie Grofkeramiek. Er wordt met een werkgroep hard gewerkt aan de realisatie van de Encyclopedie Historische en huidige locaties van Steen- en Pannenbakkerijen in Nederland. Mogelijk wordt in het najaar van 2008 de eerste provincies op de nieuw te ontwikkelen website gepubliceerd.

Terug naar begin

 

 

 

 

Contact

 

 

 

 

Adres secretariaat:

De Gildenmeesters t.a.v. R. A. J. Vermeulen

Schoolstraat 15, 2271 BZ VOORBURG

E-mail adres secretariaat:

mail@rajvermeulen.nl

 

U kunt natuurlijk ook bellen:

070 - 38 666 38 na 19.00 uur

 

Terug naar begin

 

 

 

 

 

Publicaties

 

 

Terug naar begin

 

 

Steenbakkers Lexicon

Verklarende woordenlijst van woorden welke worden en werden gebruikt in relatie tot de grove keramiek

 

 

Als bakstenen spreken

Speurtocht naar de herkomst van verschillende bakstenen uit een markant gebouw uit de jaren vijftig

 

 

De Beddesteen

De voorloper van de warmwaterkruik

 

 

De herbouw van de “Scheve Toren” van Pijnacker

Scheefgezakt, omgevallen en herbouwd

 

 

De kunst hoe in Holland stenen en dakpanen gevormd en met turf gebakken worden

Beschrijving: Verslag van correspondent G. Jars, welke zeer gedetailleerd de productie beschrijft van IJsselsteen, dakpannen en tegels in het jaar 1762.

 

 

De Metamorfose van steen tot baksteen Deel I hoofdstuk I

Inhoud overzicht van de uit te brengen hoofdstukken gevolgd door hoofdstuk I De baksteen

 

 

De Metamorfose van steen tot baksteen Deel I – hoofdstuk 2

Meer dan 20.000 jaar keramiek

 

 

De Metamorfose van steen tot baksteen Deel I – hoofdstuk 3

Baksteenindustrie in Nederland

 

 

De Metamorfose van steen tot baksteen Deel I – hoofdstuk 4

De basisgrondstof klei

 

 

De Metamorfose van steen tot baksteen Deel I hoofdstuk 5

Speurtocht naar de herkomst van verschillende bakstenen uit een markant gebouw uit de jaren vijftig

 

 

De Vlamovic, een monument van een duur experiment deel 1 en 2

De geschiedenis van de droog geperste straatsteen in Nederland. Let op! Door de grote hoeveelheid beeldmateriaal in dit artikel kan het vrij lang duren eer alle foto’s en tekeningen zijn binnengehaald. Begin echter gewoon met lezen van de tekst, de rest volgt dan vanzelf.

 

 

 

De onderstaande publicaties zijn via het secretariaat nog verkrijgbaar op Cd

 

 

 

De herleiding van de Braunsweigische voetmaat

Beschrijving: Resultaten maatonderzoek naar aanleiding van de in de door G. Jars aangehaalde tabellen in zijn verslag in “De kunst hoe in Holland stenen en dakpannen gevormd en met turf gebakken worden”. (bijgewerkte versie).

 

 

De zonne- of vrijetijdspan

 

 

 

Zo werden tegelpannen gevormd

 

 

 

Terug naar begin

 

 

 

 

 

 

Beeldmateriaal

 

 

 

 

 

De Beddesteen

 

 

 

Baksteenmerktekens  Diashow van Nederlandse bakstenen met naam- en merktekens uit de collectie van  Rob A. J. Vermeulen

 

 

 

Fotoalbum 1 op CD - ROM (verkrijgbaar via Contact )

 

 

 

Fotoalbum 2 (op DVD in ontwikkeling)

 

 

 

 

 

 

Terug naar begin

 

 

 

 

Oproepen

 

 

 

Wie kan ons helpen, aan het volgende?

Wie kunnen ons nog oude foto’s bezorgen van steenfabrieken in Zuid-Holland?

Mail ons : mail@rajvermeulen.nl

 

 

Wie heeft er nog bakstenen met naam- of merkindrukken en zou deze willen afstaan ter completering van onze unieke collectie?

Mail ons : mail@rajvermeulen.nl

                                                           .

 

 

 

 

Terug naar begin

 

 

 

 

 

Verwante links

 

 

 

Dakpanmuseum - www.dakpannenmuseum.nl/
Site van het Nederlands dakpannenmuseum

 

 

Steenfabriek Fivelmonde- www.fivelmonde.nl/  Site over de activiteiten in de voormalige steenfabriek van Hijlkema in Delfzijl

 

 

Industrieel Erfgoedpunt Nederland - www.industrieel-erfgoed.nl
Platform van meer dan 60 organisaties op het gebied van industrieel erfgoed.

 

 

Gelderse Smalspoorstichting - http://www.smalspoor.nl
Site van de Gelderse Smalspoorstichting in Heteren, die veel relaties heeft met de baksteenindustrie.

 

 

Nationaal Smalspoormuseum - http://www.smalspoormuseum.nl website van Stoomtrein Valkenburgse Meer.

 

 

Koninklijk Verbond van Nederlandse Baksteenfabrikanten - www.knb-baksteen.nl
Koninkelijk Verbond van Nederlandse Baksteenfabrikanten in De Steeg.

 

 

Ziegelei Lage - www.lwl.org/LWL/Kultur/wim/lage
Site van de Ziegelei Lage bij Bielefeld.

 

 

Ecomuseum en Archief van de Boomse Baksteen - www.emabb.be

 

 

Steenbakkerijmuseum 't Geleeg - Rumst  - www.geleeg.be/

 

 

Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (RACM) - www.racm.nl
Site van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg, Cultuurlandschap en Monumenten in Zeist.

 

 

De Panoven - www.panoven.nl
Industrieel erfgoed als recreatieoord.

 

 

Plinthos - www.cnme-wm.org/
Site over de restauratie van de voormalige steenfabriek Plinthos, later Steenfabriek St. Jozef in Daniken bij Schinnen

 

 

Dannu VandenBroeck - www.veldovensteen.be
Site van Dannu vandenBroeck over zijn bedrijf die nog stenen stookt in een originele veldoven.

 

 

De Plasserwaard - www.plasserwaard.nl/
Site van de Steenfabriek De Plasserwaard

 

 

Steenfabriek De Bovenste Polder in Wageningen - http://www.steenfabriekwageningen.nl/

 

 

De Werklust - www.dewerklust.nl/
Site van de Steenfabriek De Werklust

 

 

Pannestraat - www.pannestraat.be/ Site over Schulense pannen en pannenbakkers

 

 

Tichelwork Rijssen eo - www.tichelwoark.nl/  Begin tachtiger jaren van de vorige eeuw kwam er een eind aan het bestaan van steenfabriek "de Brekeld" (Baan & ten Hove) in Rijssen.

 

 

 Terraco - www.terraco.nl/ Site van Erik Driessen over de keramische nijverheid in Beesel

 

 

Stichting Beesels Keramisch Erfgoed - www.sbke.nl/  De stichting wil Beesel vervaardigde keramische kunst voor het nageslacht bewaren

 

 

Stichting Fabrieksschoorstenen - www.stif.nl/  De stichting voert een actief beleid tot het behoud van fabrieksschoorstenen

 

 

Stichting Historie Grofkeramiek www.grofkeramiek.nl

 

 

Nedstat.

 

 

 

Terug naar begin

 

 

 

 

 

Literatuurlijsten

 

 

 

 

 

                                                                                                                                

 

1 - Boekenlijst

2 - Verwante titels Koninklijke Bibliotheek

3 - Verwante onderwerpen in Klei

 

 

 

 

Terug naar begin                                                                                                        

 

 

 

 

 

Steenbakkers Lexicon

 

Kies de eerste letter van het gezochte woord

 

A

B

C

D

E

F

G

H

I

J

K

L

M

 

 

N

O

P

Q

R

S

T

U

V

W

X

Y

Z

 

 

 

Bijgewerkt 11-08-2008                                     Terug naar begin                       Terug naar Publicaties

 

                                               

 

Aardewerk                            : Keramiek gebakken bij lage temperatuur waarvan de scherf zacht en poreus is.

 

Aardmaker                            : Werkman die de steenaarde (klei) soepel maakt. Zie ook moddermaker

 

Aardmaker                            :  Schop, waarmee men de steenaarde bereidt     

 

Aberson - vormbakpers         : Vormbakpers waar aan de zijkant losse vormbakken in gestoken worden. De vormbakken worden door de pers onder een roosterplaat met vulopeningen gebracht. Een persblok drukt de klei, welke uit de kleiketel wordt aangevoerd, in de vormbakken. Vervolgens wordt de vormbak uitgestoten. De afstrijker strijkt de overtollige klei, de kladde, af en neemt de gevulde vormbak van de afstrijktafel af. De gevormde steen had anders dan bij handvormsteen vijf vlakke bezandde kanten en een ruwe afstrijkzijde en is bekend geworden onder de typenaam “vormbaksteen”. Bij latere persuitvoeringen is zowel het wassen en bezanden als insteken, afnemen en afstrijken gemechaniseerd. Op de volautomatische installatie werd zelfs het keren, afslaan en het stapelen in een traversenwagen (stapelaar) geheel door de machine verzorgd.

 

Achterwerker                        : Steen met zichtbare gebreken of mindere kwaliteit welke in steens- of dikker muurwerk achter de in het zicht liggende voorwerkers wordt vermetseld

 

Addobe                                 : Zie leemsteen.

 

Afdeksteen                            : Gebakken of slecht doorbakken steen waarmee de bovenkant van een veldovenzetting wordt afgedekt om zodoende enige bescherming te bieden tegen natte weersinvloeden.

 

Afdrager                               : Lid van de vormploeg welke de vorm van de vormtafel ophaalde en op de baan neersloeg. Hierbij was meestal sprake van een enkel steens vormraam.

 

Afstrijker                               : Lid van de vormplloeg welke de vorm welke uit de pers komt met een plaam afstrijkt. Een afstrijker verplaatst per dag 15.000 tot 16.000 kg

 

Alluvium                               : Verouderde benaming voor het Holoceen.

 

Amsterdamse voet                : Oude lengtemaat van 28,303 mm, onderverdeeld in 11 duimen van 2,573 mm. In ons land ook na de intrede van het metrieke stelsel nog lang gebruikt in de houthandel en de houtbewerking.

 

Appelbloesem                      :  Bleekrode klinkers

Aragoniet                              : Zie calciumcarbonaat

Aragoniet                              : Zie calciumcarbonaat

Arianen                                 : Smalle boerengrauw (zie Utrechtse steen)

Baan                                     : Goed uitgevlakt enigszins bollopend zandbed waar volle steenvormen op werden geleegd (neergeslagen).

 

Baksteen                               : Steen verkregen door het bakken van voorgevormde en aansluitend gedroogde klei.

 

Beregende steen                  : Steen die tijdens het drogen beregend is: poksteen: mottige steen

 

Boomschorssteen                 : Strengperssteen waarbij aan drie zijden een van de streng een wals is gepasseerd, waarop het reliëf van boomschors is aangebracht

 

Bovensteen                           : Steen welke afkomstig uit en bovenste lagen van een oveninzet. Hebben zoals men het noemt, weinig vuur gezien. Staan bij de sortering van IJsselsteen tussen grauw en rood. (zie IJsselsteen)

 

Bulsing                                 : Korte ligger in steigerwerk waarover de steigerdelen uitgelegd. Bij houten steigerwerk in het metselwerk gestoken in z.g. bulsing- of kortlinggaten.

 

Calsiet                                  : Zie calciumcarbonaat

 

Calciumcarbonaat                : Verbinding met formule CaCO3. Kleurloze kristallen; twee kristalvormen: calciet (dichtheid circa 2750 kg/m3, stabiel beneden 30°C) en aragoniet (dichtheid 2830 kg/m3). Oplosbaarheid in water 14 mg/l, in kooldioxidehoudend water echter oplosbaar als calciumwaterstofcarbonaat tot 1086 mg/l. Reageert hevig met zuur onder afscheiding van CO2. Bestanddeel van talloze gesteenten, waaronder kalksteen (marmer, mergel, krijt, enzovoort), en van schelpen en parels (als aragoniet).

 

Campagne                            : vorstvrij seizoen, lopend van half april tot half september waarin het steenmaken plaatsvond

 

Carbonaten                           : Verbindingen met koolstof ionen Bijna altijd zoutachtig. Komen in de natuur veel voor als CaCO3. Ontleden in contact met zuur onder afsplitsing van CO2

 

Carrousel                              : Draaimolenachtig sorteerwerktuig met opstaande vakken en omgeven door een bordes. Heftruck plaatsten de ovenpaketten in een vak van de carrousel. Sorteerders namen uit deze pakketten soort bij soort en stapelden er hulo-paketten of pallets mee vol.

 

Chamotte                              : Vuurvaste klei hard en dicht gebakken waarna tot poeder of gruis vermalen. Vormt het hoofdbestanddeel van chamottesteen. Wordt in de keramische industrie ook toegepast als vermageringsmiddel van vette kleisoorten.

 

Chamottesteen                     : Type vuurvaste steen waarbij chamotte met een geringe hoeveelheid vuurvaste klei aan elkaar gebakken word. De belangrijkste eigenschap is het zeer geringe uitzetten bij sterke verhitting. De mate van temperatuur bestendigheid hangt af van de chemische samenstelling van de vuurvaste klei.

 

Cloet                                     : Zie “Kloet”.

 

Continuoven                         : Oven die in een ononderbroken proces doorgestookt wordt. Het vuur blijft zolang branden als er ongebakken steen voorradig is.

 

De Boer-vormpers                 : Steenpers met vormband. Werkt dus niet met losse bakken maar met gekoppelde bakken welke zich als een fietsketting onder de persketel doorbeweegt.

 

Dagwerk                               : Rekeneenheid, per vormtafel werd in de vroegere handvormerij ca. 8000 steen van waalformaat grootte per dag werden vervaardigd.

 

Deklaag                                : Bovenste steenlaag

 

Diluvium                               : Oude benaming voor Pleistoceen.

 

 

Drieling                                 : Naast de mop of grote steen was er in veel steken nog een kleiner formaat in omloop. De maat was vaak ľ van de grote steen vandaar de naam drieling. De meest bekende drieling formaten kwamen voor als Friesche-, Leidse- en Utrechtse drieling.

 

Drooghaag                            : Open droogrek met droogplankhouders, afgedekt met pannen dakje. Werd ook wel drooghut genoemd. In meest primitieve vorm ( zie haag) slechts open gestapelde groenlingen eventueel afgedekt met rietmatten.

 

Droogkamer                          : Kunstmatige drooginrichting, kamervormig waarin de rauwe steen met behulp van warme lucht en kunstmatige ventilatie wordt gedroogd.

 

Droogpersen                         : Gemechaniseerd vormproces waarbij bijna droge klei onder hoge druk in de vorm wordt geperst en nagenoeg zonder verdere droging in de oven afgestookt zou kunnen worden.

 

Droogplanken                       : Dunne houten borden, waarop de vormeling wordt neergeslagen, voor ze in de droogrekken of drooginstallatie worden gezet.

 

Droogrekken                         : Open droogrek met droogplankhouders waar de droogplanken met de neergeslagen vormelingen werden ingeschoven.

 

Duim                                     : Oude lengtemaat als onderverdeling van de voetmaat. De voetmaten waren vaak lokaal en kwamen in grote verscheidenheid voor. Ook de onderverdeling verschilde van voet tot voet Zo kende men voeten welke werden opgedeeld in 10, 11, 12 of wel 14 duimen.

 

Eoceen                                 : Periode van 37 miljoen- tot 53 miljoen jaar terug

 

Erosie                                   : Afslijting van materiaal door schurende inwerking van natuurkrachten zoals, wind, stromend water, golfslag en ijs.

 

Estrik                                     : Gebakken vloersteen

 

Excavateur                           : Graafmachine door de werking van een emmerketting en in schuin verticale richting de grond van de bult of de kuil afschraapt

 

Ezel                                      : Schraag

 

Fietsenrekken                       : Doorstroom openingen tussen twee ovenkamers bij een vlamoven

 

Formaat                                : Afmetingen van een baksteen

 

Friesche steen                      : Ruig steen met mooie, zacht gele tot oranjegele kleur: komt ook roodbakkend voor. Geleverd als Moppen (215x106x45 mm) als Drielingen ( 188x80x40 mm). Naar hardheid onderscheiden:

Gele steen

a.       Kinkers: beste kromme, groene, beste middelbak-, Hamburger, kromme, paarde-.

b.       Gele steen: beste gele, middelgele, ondergele

c.       Bonte steen: beste bonte, middelbonte, onderbonte, gemene bonte

Rode steen

a.       Klinkers: beste wal-, middelwal-, gevel-, beste kromme wal-, gemene wal-.

b.       Grauwesteen: beste grauwe, bruine, middelgrauwe, grijze, gevel-, mond-.

c.       Rode steen: bonte, grijze, minste

 

Gammen                               : Leerharde vormelingen afnemen van de droogplanken en opstapelen in de droogloodsen voor verdere droging.

 

 Gips                                      : Mineraal uit de fosfaatgroep. Dichtheid 2300 kg/m3, hardheid 2. Vormt monokliene witte kristallen met glasglans, vaak met karakteristieke tweelingen. Ontstaat vooral bij indamping van zeewater (evaporiet). Door verhitting ontwijkt het kristalwater en ontstaat gipspoeder. Dat verhardt weer na toevoeging van water.

 

Glimmer                               : Zie mica’s

 

Groene steen                        : Leerharde gedroogde maar nog niet gebakken vormeling

 

Haag                                     : Lange rij van schranksgewijs opgestapelde, op de baan al opgesteven vormelingen. Enigszins open gestapeld en per laag in de tegenovergestelde schuine richting om verder te kunnen drogen. Het opstapelen noemde men afhankelijk van de streek opklossen, gammen of hagen.

 

Haaghut                                : Open droog- en voorraadhut waar groenlingen van de baan ter verdere droging in de hut worden op haag worden geplaatst. In de tijd dat men de vormelingen ging afslaan op droogplanken werden deze hutten uitgevoerd met droogrekken aan de buitenzijde. De dan voldoende aangedroogde vormelingen werden aan de binnenkant van de hut worden uit de rekken genomen en opgestapeld. Daar waar men de steen op droogplanken liet staan en niet meer opkloste, kregen de drooghutten de vorm van grote droogloodsen.

 

Handvormen                         : Door middel van handkracht halfplastische klei in een vormbak of vormraam werpen.

 

Handvormsteen                    : Steen welke in tegenstelling tot machinaal geperste steen met de hand gevormd wordt.

 

Hengst                                  : Bouwbargroens voor klisklezoor

 

Hinkelman                            : Etensketeltje.

 

Hitkar                                    : Wagen getrokken door een paard (hit) waarop de volle steenvormen van de pers naar de droogbaan werden gereden om daar te worden neergeslagen.

 

Hollandse oven                     : Permanente veldoven voor Utrechtse en Rijnsteen genoemd. De ovens hadden muren. De vuurmonden liggen ongeveer 2 meter uit elkaar. Ze werden in het veld opgesteld en doorgaans, in afwijking tot de Waalovens, vaak overdekt met een pannendak. Men sprak dan van een gedekte oven. Langs de  Hollandse IJssel werden deze ovens vaak met een korte muur tegen de dijk aan gebouwd en daarom ook wel dijkovens genoemd, het dak boven de oven ontbrak daar en de daken van de stookschuren staken hier boven de ovenmuren uit. Om het inrijden mogelijk te maken werd de vrijstaande korte ovenmuur voorzien van een inrijpoort het zogenaamde “hondsgat”. Langs de stookmuren werden met pannen gedekte schuren aangebracht, welke dienden als turfopslag en nachtverblijf voor de stoker. Bij zeer oude uitvoeringen was er vaak ook nog een “kattengat”, een kleinere, eveneens boogvormige opening aangebracht op manshoogte.

 

Holoceen                              : Periode van nu tot 10.000 jaar terug. De geologisch bezien, korte tijdsduur van het Holoceen is nog onderverdeeld in het:

-          Preboreaal, geleidelijk warmer wordend continentaal klimaat.

-          Boreaal, warm continentaal klimaat.

-          Atlanticum, warmer maritiem klimaat.

-          Subboreaal, wat kouder geworden continentaal klimaat.

-          Subatlanticum, maritiem klimaat.

De ontwikkeling van het klimaat na de laatste ijstijd leidde ertoe dat buiten de polaire gebieden grote ijskappen wegsmolten, terwijl ook de gletsjers kleiner werden. Het smeltwater stroomde grotendeels naar de oceanen terug, waardoor het zeeniveau steeg.

 

Hondsgat                              : Gelijkvloerse boogvormige opening in de vrijstaande korte ovenmuur bij de Hollandse veldoven.

 

Hubertpers                            : Machine die gebruik makend van het Hubert-procédé. Vormprincipe waarbij bezandde kleiballen tussen twee sneldraaiende banden een versnelde valbeweging krijgen en zo in de vormen worden geworpen en hiermee een handvorm proces nabootsend.

 

Hulo - blad                            : In een mal, volgens een speciaal verband gestapelde stenen en zo geschikt gemaakt om met een Hulotang te kunnen worden opgenomen. De eerste laag bestaat uit op enige afstand van elkaar geplaatste op hun kant staande stenen. De klemtenen van de hulotang passen tussen de zo ontstane openingen waardoor het blad opgenomen kan worden.

 

Hulo - systeem                      : Huët's los- en laadsysteem voor bakstenen. Een mechanisch handelingsysteem bij het transport van bakstenen waardoor het handmatig laden en lossen van baksteen overbodig werd. Met een speciaal laadbord voorzien van voetkijpers, de “Hulotang” konden op “Hulo” voetjes gestapelde stenen met een heftruck of kraan worden opgepakt.

 

Hydroxiden                          :  Basisch reagerende verbindingen die OH-ionen kunnen afstaan, zoals NaOH.

 

Illiet                                      : Kleimineraal in samenstelling op te vatten als een overgangsproduct tussen veldspaat en kaolien.

 

Inschuiver                            :  1) Lid van de vormploeg welke een bezandde vormbak in de persmachine steekt.

2) Arbeider, welke het droogplankje met de neergeslagen vormelingen van de afslagbok afnam en aansluitend in het droogrek van de haag of haaghut plaatste. In sommige streken ook wel stemmer genoemd.

 

Joppen                                 : Doorgooien van vier stenen naar elkaar tijdens het opperen. Ook gekend als ruwe voorbewerkingmethode in de steenhouwerij.

 

Kaliumcarbonaat                  : Witte, hygroscopische stof, smeltpunt: 891°C, dichtheid 2428 kg/m3. Lost zeer goed op in water, geeft sterk alkalische oplossing. Toepassing: voor zachte zepen, speciale glassoorten en glazuur (was vroeger bekend als potas, belangrijkste alkalische product, gewonnen door het verbranden van planten, kaliumtrioxocarbonaat.

 

Kamer                                   : Binnenruimte van een keramische oven, bij periodieke ovens letterlijk één kamer bij ringovens, het stuk brandkanaal van deur tot volgende deur, bij zig-zag ovens van doorstroom opening tot doorstroom opening en bij vlamovens ruimte van vlammuur tot vlammuur

 

Kamerdrogerij                      : Kunstmatige drogerij waarbij de te drogen vormelingen op droogplaten in rekken of steunen in aparte kamers te drogen staan en waar de drooglucht doorheen geblazen wordt.

 

Kanten                                  : Zie opzetten.

 

Kaolien                                 : Een verweringsproduct van veldspaten. Witte vaste stof, die met water tot een plastische massa gekneed kan worden. Grondstof voor keramiek, vooral porselein. Verder vulstof voor papier, kunststoffen, en dergelijke. Belangrijkste vindplaatsen in China, Japan, Cornwall, Limoges, Sčvres, Karlsbad en Duitsland.

 

Kaoliniet                               : Een verweringsproduct van veldspaten.

 

Karreman                             : Arbeider welke de klei van de treedplaats met een kar ophaalde en over het vormveld op regelmatige afstand verdeelde over de vormbaan, in stapels van ongeveer een kubieke meter.

 

Kattengat                              : Kleine boogvormige opening welke bij de oude Hollandse- en dijkovens was aangebracht boven het “hondsgat”(zie tevens onder Hollandse oven).

 

 

Kistwerk                                : Een bouwmethode voor zware muren welke de Romeinen al toepasten. Muren van natuursteen, bekapt of onbewerkt, werden als een soort bekisting opgetrokken en de tussenliggende ruimte werd dan gevuld met een mengsel van specie en steenpuin. In het noorden van ons land gebruikte men deze methode ook in het baksteenmetselwerk. Om de muren te verankeren met de specievulling, stak men net als bij bewerkt natuursteen, stenen dwars in.

 

Klampoven                           : Rechthoekige ommuurde ruimte met twee inrijpoorten. Anders dan bij de Hollandse Dijkoven niet voorzien van tegenover elkaar liggende stookgaten in de zijmuren. De ovens waren afgestemd op het stoken met kolen en briketten. Op de vloer werd een luchtrooster gemaakt dat werd opgebouwd uit twee aaneengesloten stenen op hun kant met daarop een platte afdeklaag. Voordat de platte afdeklaag werd aangebracht werden de onderliggende kanaaltjes gevuld met kolen. Ter plaatse van de inrijpoorten werd een smal brandkanaal geformeerd wat doorliep tot de achterwand. In het achterland bevond zich daar aan het eind van het kanaal een luchtopening. De geformeerde brandkanalen werden met hout opgevuld wat diende om de oven te ontsteken. Via de luchtgaten werd het vuur dan met blaasbalgen aangewakkerd tot er voldoende vuur was voor zelfontbranding. Op de afdeklaag werd een laag briketten aangebracht, een laag steen, een dunne laag kolen en de volgende laag steen. Om de vijf lagen werd de laag kolen vervangen door briketten. Na een 40 tot 50 lagen werd de stapel tot slot afgedekt met oude al eerder gebakken dekstenen. Afhankelijk van de maat bedroeg een ovenvulling ca. 650.000 steen. Een “brand” nam ongeveer 31/2 maand in beslag.

 

Klei                                       : Een mengsel van uiterst fijn gesteentemeel, dat door erosie van veldspaatrotsen en graniethoudend gesteente is ontstaan. De hoofdzakelijke mineralen in klei zijn een mengsel van waterhoudende silicaten en kleimineralen (zand en aluminium), welke vocht kunnen opnemen en afgeven. In vochtige toestand wordt ze plastisch en kan gevormd worden.

 

Kleibult                                 : Kleihoop opgezet uit een of samengesteld uit verschillende soorten aangevoerde klei, om door overwintering betere ontsluiting te verkrijgen, en om over langere tijd te kunnen beschikken over een klei van een homogene samenstelling.

 

Kleigroeve                            : Plaatsen waar klei uitgegraven wordt. De klei is dan meestal in tientallenmeters dikke lagen aanwezig.

 

Klezoor                                 : Halve kop of een kwart strek.

 

Klinker                                  : Harde, zeer doorbakken steen. Bij het tegen elkaar aan slaan van twee van zulke stenen wordt een hoge klank gehoord. Ze klinken!

 

Klisklezoor                            : Halve kop met strekse lengte.

 

Kloet                                     : Half cirkelvormige plank die was bevestigd aan een lange steel. Gebruikt voor het vlakken en zuiveren van de droogbaan.

 

Klok                                      : Rookgasventiel in keramische ovens

 

Koetjes                                 : Half cirkelvormige handbeschermers gesneden uit leer of oude rubberen binnenbanden. De beschermer voor de duim werd aanvankelijk “stiertje” genoemd. Later werden de setjes ook wel “duimpjes” genoemd, hoewel het “stiertje” toen al niet meer werd gebruikt

 

Kolk                                      : Sluisje, ook wel verlaat of tocht genoemd in andere delen van het land.

 

Kollergang                            : Kleimaalwerk, waar de klei door twee molenwielen wordt fijngeplet .

 

Koningsvoet                          : Oude lengtemaat uit het Franstalige gebied en daar bekent als Pied del Roi. Met een lengte van 324,84 mm verdeeld in 12 duimen van 27,07 mm

 

Kortling                                 : Zie bulsing

 

Krabbelen                             : Zie opsnijden

 

Kwarts                                  : Mineraal, chemische samenstelling Si02, dichtheid 2650 kg/m3, hardheid 7 op de schaal van Mohs. Is in stollingsgesteenten vaak als laatste gestold en mist dan een eigen kristalvorm. Na de veldspaten het meest voorkomende mineraal. Vormt, goed bestand tegen verwering, de belangrijkste component van zand. Is in zuivere vorm doorschijnend en heeft een schelpvormige breuk. Al naargelang van de verontreiniging is een aantal variëteiten te onderscheiden, waaronder vele edelgesteenten en halfedelgesteenten zoals bergkristal, jaspis, agaat en onyx.

 

Kwartssprong

 

Lange klei

 

Leem                                    : Leem is oorspronkelijk een mengsel van klei, koolzure kalk en zand (meer dan 20%), welk uit het jongste formatietijdvak van de aarde stamt, het Pleistoceen en het Holoceen. IJzeroxidenhydraat veroorzaakt de geelbruine tot roodbruine kleur. Het vormt zich waar verweringsproducten van kleihoudende en ijzeroxidenrijke gesteenten door weersinvloeden zijn uitgespoeld of door waar uit zanderige mergel het calcium carbonaat door koolzuurhoudend water uitgeloogd werd. Grote leemvoorkomens zijn in het einde van de ijstijd ontstaan, waar het smeltwater zijn fijnste meegevoerde bestanddelen als leem afzette. De Limburgse leemgebieden zijn ontstaan door neerslag van door de wind (alluviaal) meegevoerde fijne leem vanuit de toen droog liggende Noordzee. Kenmerken: niet goed vormbaar, weinig krimpend bij uitdrogen, smeltbaar bij grote hitte. Toepassing: tot alle soorten bakstenen, als vulmateriaal voor vormen van loze zolderingen, als dichtmateriaal, als leemmortel enz.

 

Leemsteen                            : Leemsteen welke in de zon gedroogd wordt, vaak verstevigd met strohaksel of dierenhaar.

 

Leerhard                               : Harde, maar toch nog enigszins vochtige scherf waarin nog gesneden en gekerfd kan worden.

 

Leuter                                   : Houten schepje of spatel om steenvorm schoon te maken.

 

Liemen                                 : Het met een mengen van zand, klei en water aanstrijken van de binnenkant van de ovenwand van de veldoven voor de nieuwe inzet.

 

Lingl                                     : Duitse fabrikant van interntransport machines voor de keramische industrie o.a. zetmachines

 

Loegenoven                         : Oven zonder muren. Stapel gedroogde vormelingen met daarin uitgespaarde stookgangen. Aan de buitenzijden afgesmeerd met een kleipap om een opwaartse trek te kunnen verkrijgen. Bovenop werd met uit steen gestapelde schoorsteentjes de trek geregeld. Er is dus eigenlijk geen spraken van een oven. Ook wel leugenoven, meiler, wandelende- of veldbrandoven genoemd.

 

Magere klei

 

Massa                                   : Mengsel van grondstoffen die de basis vormen van een bepaald keramisch product.

 

Matten                                  : Het afdekken met rietmatten tegen schadelijke weersinvloeden (regen, zon) van de groenlingen.

 

Meiler                                   : In Duitsland gebruikte benaming voor een periodieke veldbranderij

 

Mica’s                                   : Ook wel glimmers genoemd. Verzamelnaam voor diverse mineralen van de groep der fyllosilicaten. Vormen vaak grote kristallen, die volmaakt splijten tot dunne plakjes. Komen vrij algemeen voor als bestanddeel van gesteenten, vaak samen met veldspaten. Werden vanwege hun sterke transparantie vroeger veel gebruikt als ruitjes in haarden en kachels. De bekendste zijn kaliglimmer, biotiet, glauconiet, muscoviet en lepidoliet.

 

Mineraal                               : In de aardbodem voorkomende vaste stoffen welke zijn opgebouwd uit een of meer elementen. Beter gedefinieerd: een mineraal is een natuurlijke, meestal anorgane vaste substantie met een karakteristieke kristalvorm, waarvan de samenstelling in een chemische formule is uit te drukken.

 

Modderkruier                        : zie karrenman

 

Moddermaker                       : arbeider welke de klei met water en eventueel met zand ter afmagering zodanig mengde, dat deze de voor het vormen vereiste consistentie verkreeg.

 

Mond                                    : Stookopening. Ook eenheid voor de ovengrootte. Tussen elk paar monden worden 100.000 stenen geplaatst.

 

Mondsteen                            : Bakstenen welke in de ovenstapeling het stookkanaal of de vuurmond vormden en tijdens het bakken zich versmolten met as en sintels van de brandstof. Vertonden vaak ook beginselen van smelt.

 

Montmorilliet                        : Groep van kleimineralen ontstaan door verwering van aluminiumsilicaten. Groot vermogen om water op te nemen. Genoemd naar de vindplaats Montmorillon in Frankrijk (Vienne).

Mop                                      : Aanduiding voor grote steenmaat.

 

Mottige steen                        : Beregende steen. Hebben tijdens het drogen te lijden gehad van regen. Werden wegens de ruwheid van het oppervlak vroeger graag gebuikt voor waterdicht werk.

 

Nageperste steen                  : Of dubbelgeperste steen. Worden voorgevormd met de vormbakmachine of strengpers en daarna onder hoge druk met de stempelpers in de zuivere vorm gebracht. De strakke en kantige vorm laat zich goed vermetselen en levert een strak aanzicht.

Aanduiding

 

Natmaker                              : Arbeider belast met het spoelen van de houten vormen alvorens deze werden bezand door de zander.

 

Neerslagbok                         : Schraagvormig hulpwerktuig voor het op droogplanken lossen van de vormelingen.

 

Neerslager                            : Lid van de vormploeg welke de vormen van de hitkar afneemt en keert en met een slaande beweging op de baan lost. Per dag verwerkte hij 7500 tot 8500 steen. Bij de invoering van de droogrekken werden de vormelingen met behulp van een neerslagbok op droogplanken neergeslagen.

 

Oligoceen                             :  Periode van 26 miljoen- tot 37 miljoen jaar terug

 

Onsgat                                  : Verbastering van hondsgat, zie voor betekenis daar.

 

Open vormraam                   : Bodemloos enkel vormraam.

 

Opklossen                             : Het leeghalen van de droogrekken en opstapelen van de gedroogde steen in de haaghut ter vorming van de wintervoorraad. In sommige streken ook wel gammen genoemd

 

Opschieten                           : Het opwerpen van stenen bij het inzetten van de ovenlading

 

Opsnijden                             : Plat neergeslagen enigszins opgesteven steen stenen rechtop zetten om eenzijdige droging te voorkomen(voorkomen kromtrekken). Tegelijkertijd werden de aangedroogde baarden met een mes afgesneden. Gebruikelijk in de tijd van de handvormerij.

 

 

Opsteker                               : 1)   Lid van de vormploeg die de vormer een bal klei aanreikte naar de vormer.

2)       Het boven het hoofd aangeven van stenen tijdens het inzetten van

de ovenlading.

 

Optrekken                             : Zie opzetten

 

Opzetten                               : Het op hun smalle kant zetten van de plat neergeslagen steen nadat deze zover door aandroging voldoende is opgestijfd om dit zonder vervorming te kunnen doen. Opzetten voorkomt kromtrekken en scheuren door eenzijdige droging. Deze benoeming werd vooral langs de grote rivieren gebruikt. In sommige andere streken werd dit optrekken, rechten, kanten of wenen genoemd.

 

Oxidatie                                : Opname van een lichaam met zuurstof. Scheikundig gezien, proces waarbij een stof valentie-elektronen afstaat.

 

Oxide                                    : Chemische verbinding van een scheikundig element met zuurstof

 

Oxiderende stook                 : Stook in een oven met een overschot aan zuurstof zodat een volledige verbranding van de brandstof kan plaatsvinden

 

Oven                                     : Stookinrichting zoals, meiler, ringoven, zigzag oven, vlamoven etc.

 

Overschieten                        : Het naar de windzijde over de haag werpen van de opgerolde rietmatten.

 

Paard                                    : Schraag, waarbij op het dwarsstuk aan de ene zijde lang stel poten en aan de andere zijde een kort stel poten zijn aangebracht. Werden gebuikt voor het vormen van aflopende plankieren.

 

Paardeklinker                       : Gesmolten en sterk vervormde steen door te hoge temperatuur tot smelt gekomen. Vroeger afval, tegenwoordig zeer gewild als tuin decoratiemateriaal .

 

Paepeoven                           : Periodieke rechthoekige tongewelf oven ontworpen door kloosterlingen aan het einde van de 17e eeuw. De naam “Paepe” was een scheldnaam voor pater en stamde al uit de tijd dat de paters rond 1246 in de Zuidelijke lage landen hun eerste kloosters bouwden met steen gebakken in veldbrand. De Paepeoven was onderin voorzien van zes stookgaten, drie aan elke zijde. Bovenop werden in het gewelf vijf rijen met twee rookafvoeropeningen aangebracht. Aanvankelijk met hout gestookt, later met kolen of olie. Een goed controleerbare oven met welke een zeer kleurig helder rode steen gebakken kon worden. Door het periodieke karakter van de oven leende deze zich goed om reducerend te stoken en dan een mooie blauw -grijze steenkleur te verkrijgen. Afhankelijk van het formaat kon de oven 45.000 tot 65.000 stenen bevatten. De oven vulling bestond echter meestal niet allen uit steen. Ook plavuizen of kerktegels en dakpannen werden vaak boven in de oven meegebakken.

 

Patijts                                   : Kopsteen in metselwerk.

 

Patijtselaag                          : Koppenlaag in metselwerk. Kruis- en staand verband vertonen beurtelings patijtse en strekse lagen.

 

Peijs                                     :  Het aantal stenen wat bij verwerking in een greep wordt opgenomen. Wordt ook wel “greep” genoemd.

 

Periodieke ovens                  : Oven welke voor elk baksel wordt opgestookt en aansluitend na het gereedkomen van het baksel weer wordt afgekoeld.

 

Plaam                                   : Houten afstrijkplankje om de boven de vorm uitstekende klei af te strijken.

 

Plastisch                               : Kneedbaar, vervormbaar

 

Plasticiteit                             : Kneedbaarheid, vervormbaarheid

 

Plakken                                : Plaatsen van papieren afsluitwand tussen de ovenkamers in een ringoven, zigzag oven en vlamoven.

 

Pleistoceen                           : De periode is een onderdeel van het Kwartaire tijdvak. De periode die circa 10.000 jaar geleden eindigde en 2.500.000 jaar geleden begon. Ze werd gekenmerkt door een afwisseling van ijstijden en warmere periodes. De ijstijden zelf werden steeds onderbroken door enkele kortdurende, iets zachtere. Deze aanzienlijke temperatuurverschillen leidden tot herhaaldelijk aanvriezen en afsmelten van de ijskappen in de gematigde streken van Noordelijk halfrond. Ook de gletsjers in gebergten elders op aarde breidden zich verder of minder ver uit. Dit alles werkte zeespiegelschommelingen in de hand. Ook ontstonden plaatselijk andere klimaten. Er worden een aantal ijstijden onderscheiden, de Elster ijstijd, de Saale ijstijd en de Weichsel ijstijd. In de Saale ijstijd bedekte het landijs meer dan de helft van Nederland. Het Pleistoceen wordt gevolgd door het Holoceen

 

Plintklinker                           : Harde baksteen waarbij de poriën grotendeels zijn dichtgesinterd en daardoor bijna geen water opzuigt. Wordt gebruikt in de onderste lagen metselwerk, tot een of twee lagen boven het maaiveld uit. Het bovenliggende gevelwerk wordt zo beschermd tegen optrekkend grondwater.

 

Poort                                     : Smalle laad- en losopening van een ovenkamer welke telkens weer voor de ovenstook met losse steen en kleispecie wordt dichtgemetseld.

 

Porren                                  : Pootjes van stenen onder de steeninzet in de oven om voldoende luchttoevoer te krijgen voor de brandstof.

 

Potas                                    : zie kaliumcarbonaat

 

Primaire klei                         : Kleisoort welke wordt gevonden op de plaats waar deze ook is ontstaan. Deze kleisoort is vrij zeldzaam, bevat nauwelijks verontreinigingen en is daardoor wit of nagenoeg wit bakkend. Doorgaans is deze klei weinig plastisch.

 

Pyriet                                    : Mineraal uit de sulfidegroep, chemische samenstelling FeS2. Kubusvormige, fraaie, goudkleurige kristallen met metaalglans. Wordt hierom wel fool's gold (goud der gekken) genoemd. Komt voor in stolling- en contactmetamorfe gesteenten en in sedimenten.

 

Rappe steen                         : Zie ratelaar.

 

Ratelaar                                : Broze en veelal gescheurde steen uit de bovenlagen van de oven.

 

Rauwe steen                         : Natte nog niet gedoogde vormeling.

 

Reductie                               : Onttrekken van zuurstof aan een verbinding

 

Reducerende stook               : Stook met een tekort aan zuurstof in de oven om de koolstof die vrijkomt uit de klei te oxideren. Tijdens dit proces wordt de benodigde zuurstof onttrokken aan de in de klei aanwezige oxiden, zodat de kleur van bepaalde oxiden wordt gewijzigd.

 

Rechten                                : Zie opzetten.

 

Richten                                 : Term gebruikt in Limburg voor opsnijden.

 

Ringoven                              : Een continu gestookte oven. Bestaat gewoonlijk uit een rondgebouwde tunnel welke is verdeeld in 12 tot 22 vakken of kamers. De kamers worden gevormd door een scheiding met een papieren wand. Elke kamer heeft een afsluitbaar rookgasafvoerkanaal. De rookgasregelaars zijn zo ingesteld dat de hete rookgassen eerst de ongebakken steen in de achter de stookzone gelegen kamers voorverwarmen. Pas daarna worden de rookgassen naar de schoorsteen afgevoerd. Vanaf de kamer welke met steen geladen treedt lucht in de oven. Deze koelt de al afgebakken steen af tot ze wordt benut als verbrandingslucht in de stookzone. Er wordt op en tussen de steen gestookt.

 

Rivierklei

 

Rollaag                                 : Op zijn kant vermetselde steenlaag. In twee verschijningen, de staande rollaag met staande strekken en de koppenrollaag met staande koppen.

 

Scherf                                   : Term in de keramiek gebruikt voor het vormgegeven voorwerp gemaakt uit klei, al of niet gebakken spreekt men van ongebakken of gebakken scherf

 

Sanering                               : Letterlijk gezondmaking, in baksteenindustrie uitkoop van productie door collega-bedrijven (warme sanering).

 

Schabuul                              : Arbeider (meestal halfwas) welke de afslagbaan moet zuiveren en egaliseren met behulp van vlakplank met steel (kloet of cloet). Verzorgde vaak ook water en zandvoorziening van de vormtafels en werd ook tijdelijk ingezet waar nodig

 

Schiftijzer                             : IJzeren hefboom om de spoorrails in het terrein mee te verleggen (schiften)

 

Schranken                            : Stenen kop op kop schuin over elkaar te drogen zetten. Ook een veelgebruikte stapeling in de ovens om een betere temperatuur doorstroming in het steenpakket te bereiken.

 

Secundaire klei                    : Kleisoort ontstaan uit erosiegesteente dat langs natuurlijke weg door water en wind van zijn oorspronkelijke plaats is weggevoerd om ten slotte in een sedimentaire laag te bezinken of neer te slaan.

 

Silicaten                               : Mineralen die gekenmerkt worden door het voorkomen van SiO4-tetraëders als chemische bouwsteen. Naar de wijze waarop deze tetraëders onderling gerangschikt zijn, onderscheidt men neso-, soro-, cyclo-, ino-, fyllo- en tektosilicaten. Hierbij zijn de SiO4-tetraëders (eigenlijk ionen) door gewoonlijk tussengeschakelde Ca-, Mg-, Fe-, K-, Na- of Al-ionen met elkaar verbonden. Een van de meest voorkomende mineralen in de aardkorst; met de silicaat mineralen er bij gerekend nemen ze 95% van de aardkorst in beslag

 

Siliciumoxide                       : Verbinding met formule SiO2. Harde kleurloze kristallen; soms door verontreinigingen tot (half)edelstenen gekleurd, in drie verschillende kristalvormen (trimidiet, kwarts, cristobaliet) en een amorfe vorm bekend; Dichtheid van kwarts (hexagonaal) 2650 kg/m3, smeltpunt: 1610°C, kookpunt: 2230°C. Hoofdbestanddeel van zand.

 

Sinteren                                : Het allereerste begin van smelten, waarbij deeltjes van vaste stof aan hun kanten beginnen te smelten en de massa zich verdicht. Bij volledige sintering wordt de scherf vochtdicht en min of meer glanzend, De mate van sintering hangt af van de kleisamenstelling en stooktemperatuur.

 

Sinterpunt                             : De temperatuur waarop de scherf haar porositeit verliest.

 

Smakken                              : Het inwerpen van de lange turven in de stookgangen. Deze handeling werd echter nooit aangeduid met het woord “inwerpen”.

 

Smoren                                 : Reducerend stoken.

 

Slabbesteen                         : In speciale vorm vervaardigde steen, welke met een randsluiting waterdicht in elkaar sluiten. Worden in plaats van loodslabben of zinkstroken gebruikt voor de afdekking van muren.

 

Stapelaar                              : Transportwagen met beweegbare armen welke het mogelijk maken de droogplanken uit de verzamelaar te halen en in de droogrekken te schuiven zonder deze met de hand te hoeven aanraken.

 

Steenoven                            : Oven, waarin stenen, tegels of keramiek gebakken worden. Steenovens zijn er in verschillende typen, periodiek of continu gestookt, met stijgende- of met overslaande vlam.

 

Steenplaats                          : Steenbakkerij

 

Steens muur                         : Muurdikte gelijk aan de lengte van het gebruikte formaat.

 

Stemmer                               : Arbeider welke het droogplankje met de neergeslagen vormelingen van de afslagbok afnam en in het droogrek van de haag of haaghut plaatste. Op sommige plaatsen ook wel inschuiver genoemd

 

Stol                                       : Mengsel van zand, grind en klei ter aanvulling of versteviging van vloeren en terrein

 

Straatklinker                         : Zeer harde baksteen welke tot sinteren toe gestookt is. Hierdoor is het volume sterk afgenomen en de poriën voor een groot deel dichtgesmolten. De steen is bijzonder slijtvast en neemt slechts zeer weinig water op. Deze eigenschappen maken de steen zeer geschikt als bestratingmateriaal.

 

Strengperssteen                   : Steen welke met een strengpers gevormd is geworden d.w.z. een kleistreng wordt door een mondstuk geperst welke dan door strak gespannen draden in de steenmaat worden afgesneden.

 

Stuiken                                 : Alvorens de gedroogde groenlingen op de kruiwagen te zetten voor vervoer naar de oveninzet, werd de peijs steen even aangestoten op de onderliggende groenlingen. Dit om het overtollige zand en stof te verwijderen. Voorkomen diende te worden dat de kieren tussen de ovenzetting met zand dicht kwamen te zitten. Deze beweging werd nooit “stoten” genoemd, maar altijd aangeduid als “stuiken”.

 

Stulpen                                 : Bezanden van de vormen.

 

Tasveld                                 : Voorraadveld bij een steenfabriek waar het gerede gebakken product opgetast staat om naar de bouwwerken afgevoerd te worden.

 

Terra-cotta                            :   

 

Tichelcontract                       : Overeenkomst met grondeigenaar die keramisch- of grondstoffen bedrijf het recht geeft tegen betaling in een bepaald perceel een laag klei uitgraven

 

Tichelveld                             : Perceel waar klei is of wordt ontgraven

 

Tocht                                    : Sluisje, ook wel kolk of verlaat genoemd in andere delen van het land.

 

Traversebaan                       : Railbaan voor transport in van stapellaars dwars op hun normale rijrichting. De stapelaar wordt op de traversenwagen gereden welke zich dan verplaatst over het tracé van de traversebaan.

 

Traversewagen                     : Wagen van de traversebaan waar de stapelwagens via rails op kunnen rijden om daarna dwars op hun rijrichting te kunnen worden getransporteerd

 

Tufsteen                                : Een grijs, poreus, zacht natuurgesteente dat uit vulkanisch as onder druk gevormd is. Het is relatief zacht en gemakkelijk te bewerken. Dit gesteente was bijzonder populair bij de Romeinen om bouwstenen uit te vervaardigen.

 

Tunneldroger                        : Kunstmatige drooginrichting in de vorm van een tunnel afgesloten aan beide zijnen met en deur. In de vroegste modellen werd de door de tunnel gevoerde drooglucht nog apart verarmd met een eigen stookinstallatie. Droogwagens met rekken vol werden gezet met droogplanken met vormelingen. De gevulde wagens werden dan door deze tunnel gevoerd om te drogen.

 

Tunneloven                          : Een lange tunnel-vormige continuoven, waarbij de steen op wagens aan het ene eind worden ingereden en langzaam over een rail door de tunnel doorschuiven. De stenen ondergaan de verschillende stadia van voorverwarmen, bakken en afkoelen en komen aan het andere eind van de van als gebakken steen de oven uit. Temperatuur en doorloopsnelheid kunnen naar believen geregeld worden.

 

Uitkruier                                : Arbeider die vroeger de gebakken stenen met behulp van een speciale steenwagen de steen vanuit de ovens naar buiten reed

 

Varken                                  : 1) Wigvormige laag in metselwerk om weer waterpas te komen.

2) Soort veger.

 

Veldbrand (oven)                  : Een stapel van ongebakken steen en brandstof. Afhankelijk van de gebruikte brandstof al dan niet voorzien van stookgangen. Om dat er eigenlijk geen sprake is van een echte oven werd dit type oven ook wel loegenoven (zie ook leugenoven) genoemd. De oven werd door zijn tijdelijk karakter ook wel wandelende oven genoemd.

 

Veldoven                              : Er waren twee typen veldovens, de eenmalige loegenoven (leugenoven) of meiler werd genoemd. Men noemde het vaak meer bij de procesnaam “Veldbrand”of “Veldbranderij”.De permanente veldoven werd veelal alleen maar aangeduid met “Veldoven”of “Steenoven”. Zij werden onderscheiden in Waalovens en Hollandse- en Dijkovens. Een permanente veldoven is eigenlijk niet meer een paar parallel staande muren met onderin een aantal stookgaten. De ruimte tussen de wanden, zo een 10 tot 12 meter werd volgestapeld met gedroogde groene steen. Ter hoogte van de stookgaten werd er een stookgang uitgespaard in de vorm van een tunnel van de ene naar de andere muur. De stenen werden in soms ingenieuze verbanden gestapeld, waarbij er werd gelet dat de steen niet strak tegen elkaar kwam te staan, om zo een goede doortrek van het vuur te verzekeren. De open zijkanten en de bovenzijde werden afgedekt met al eerder gebakken halfgare stenen. Deze werden dan met een kleipap afgedekt en dichtgesmeerd. Bovenop liet men op verschillende plaatsen vierkantjes open, waar met stenen kleine schoorsteentjes werden gemaakt. De eigenaardige manier van afdekken met een ruitwerk van kanalen en schoorsteentjes was kenmerkend voor de ovens langs de Waal en zij dankten hieraan hun onderscheidende naam, de Waaloven. Naast de parallel ovenmuren zijn er ook nog U- en H -vormige typen. (zie ook: Hollandse oven).

 

Veldspaten                           : Verweringsproducten van graniet bestaande uit een groep van alumosilicaten met vooral K+, Na+ Ca2+ als kationen

 

Verlaat                                  : Sluisje, ook wel kolk of tocht genoemd in andere delen van het land.

 

Verblendstenen                    : Eigenlijk een Duitse term voor gevelstenen die als schoonwerk voorwerker werd toegepast. Men blindderde het vuilwerk. In Nederland als benaming gebruikt voor zeer strakke gladde kantige gevelstenen van het stengperstype. Alfred Russel gebruikte deze term in 1914 al in zijn prijslijst voor zijn onbezande gladde strengperssteen.

 

Verwering                             : Het door inwerking van weersinvloeden verliezen van samenhang en vastheid en andere veranderingen ondergaand.

 

Vette klei                              :

 

Verzamelaar                         : Deel van een geautomatiseerd perscircuit waar de op droogplanken geloste vormelingen verticaal worden verzameld. De verzamelaar wordt aansluitend geleegd met behulp van een stapelaar.

 

Vlamoven                             : De ringoven met overslaande vlam, beter bekend geworden als de vlamoven. Er werd in dit type oven niet op en tussen de steen gestookt, maar ernaast. De ring was verdeeld in aparte stookkamers. Dit door het stookgang gewelf te segmenteren en deze segmenten een kwart slag te draaien. Onder in de tussenmuren waren doorstroomgaten aangebracht (fietsenrekken) om het vuur naar de andere kamer te kunnen overbrengen. Boven deze stroomgaten waren aan de rechter kamerzijde stookroosters en een vlammuur aangebracht. Boven de roosters bevonden zich in het ovenplafond de stookgaten. Net als bij de ringoven werden de doorstroomgaten met een laag papier dichtgezet om zo de rookgassen naar het gewenste afvoer kanaal te kunnen leiden. Elke kamer was voorzien van zo’ n kanaal dat via een afsluiter (klok) aansluiting gaf op het centrale rookkanaal. Door deze constructie werd het vuur veel beter door de ovenlading geleid en er heerste een veel gelijkmatiger temperatuur. Hierdoor verkreeg men een veel groter percentage straatklinkers per stook. Door dat er met brandstof niet meer tussen en op het product werd gestookt had men ook minder uitval in de vorm van mondsteen.

 

Vloeimiddel                          : Stof die keramische scherf bij lagere temperatuur doet sinteren of smelten

 

Vloersteen                            :  a. Benaming voor steen, ontleend aan de plaats van de steen in de oven (zie ook Ondersteen)

 b. Gebakken vloerstenen in tal van vormen welke al dan niet met gebruikmaking van een ondersteunende bekisting, aaneensluitend in her werk worden gelegd. In de ruimten tussen de stenen wordt een wapening aangebracht, waarna de ruimten worden volgezet met beton.

 

Voetjes                                 : Zie voetsteen.

 

Voetsteen                             : Steen welke als eerste laag van een steenpakket in contact met de ovenvloer stond. Door het warmteverlies aan de vloer bereikt de steen niet de gewenste baktemperatuur en is hierdoor van mindere kwaliteit.

 

Voorwerker                           : Stenen welke in metselwerkconstructies en metselverbanden met een of meerdere zijden in het aanzicht komt te liggen.

 

Vormeling                             : Gevormd maar nog niet gedroogd vormstuk van klei

 

Vuurmond                             : Stookopening

 

Vuurvaste steen                    : Steen welke bestand is tegen zeer hoge temperaturen zonder te verweken. Veelal gemaakt van zeer silicaatrijke kleisoorten al dan niet onder toevoeging van chamotte.

 

Waaloven afdekking             : Deze afdekking bestaat erin dat op de laatste kanteling, enkele laag stenen op hun plat gelegd worden, zodanig dat zij een ruitwerk van kanalen vormt, steens breed en een steendikte hoog. Daaroverheen worden dan twee tot vijf lagen steen op zijn plat, koud over elkaar heen gestapeld en met een kleipapje dichtgesmeerd. Daaroverheen, wordt een dun laagje droge klei van enige centimeters dik aangebracht. Op de in de deklaag uitgespaarde kanalen worden over de gehele oppervlakte op een onderlinge afstand van ongeveer een meter schoorsteentjes opgetrokken. Deze zijn van gebakken steen als klamp gemetseld met kleimortel en een halve steen in het vierkant weid en ongeveer 50 cm hoog. Men was hierdoor in staat op gelijkmatige wijze de waterdamp af te voeren en de warmte goed en gelijkmatig over de oven te verdelen.

 

Walker                                  : Kleivoorbereider welke met blote voeten de klei met water trede tot die voldoende plastisch was om te vormen.

 

Wenen                                  : In Vlaanderen gebruikte uitdrukking voor het opzetten van steen

Zakmeter                              : IJzeren staaf met maatverdeling waarop af te lezen was hoeveel de stenen tijdens het bakken gekrompen waren.

 

Zander                                  : Arbeider welke de natte vorm met zand bestrooit om te voorkomen dat de klei aan de vorm blijft plakken en de vormeling goed lost tijdens het afslaan.

 

Zeeklei

 

Zelling                                  : Ondiepe modderbedingen van uitgestoken rietland tussen dijk en stroomgeul, langs de Hollandse IJssel. Afgescheiden door haaks op de dijk staande “rikken” en door met de stroomrichting meelopende rietkragen met instroomopeningen. Hierin slibrijk getijdenwater tot rust komen en kreeg het kleislib gelegenheid tot bezinken.

 

Zes-baks-vorm                       : Meervoudige steenvorm waarin zes stenen naast elkaar gevormd worden, oudste meervoudig model dat nog met handkracht verwerkt kon worden

 

Zetmachine                           : Robotachtige machine welke de stapelhandelingen met ongebakken stenen (vormelingen) op de tunnelovenwagens uitvoert.

 

Zigzagoven                           : Zig-zagovens kunnen het beste worden omschreven als ringovens met een opgevouwen kanaal. Er zijn ronde en vierkante typen gebouwd De afdelingen of kamers van de ringoven zijn per kamer een kwart slag gedraaid naast elkaar geplaatst. Bij de vierkante typen, in twee tegenover elkaar liggende rijen. De kamers op de kopzijden (omloopkamers) liepen dan door en verbonden op deze wijze de twee afzonderlijke rijen. Op deze wijze kon op een betrekkelijk klein grondvlak een lang stookkanaal worden geformeerd. In de tussenwanden van de kamers zijn meanderend doorstroomgaten aangebracht via welke het vuur al zigzaggend rond kon lopen. Centraal in het midden lag het rookafvoerkanaal met de klokafsluiters en de schoorsteen. Naast dat dit type oven goedkoper was dan een ringoven, was hij ook belangrijk lichter. Hierdoor leende de oven zich ook voor gebieden met een wat slappere bodemgesteldheid. Een nadeel van de lichte constructie was dat de oven nogal onderhoudsintensief was.

 

Zomerhut                              : Zie haaghut

 

Zouten                                  : Niet scherp definieerbare groep chemische verbindingen. Vaak bedoelt men er, in water oplosbare, verbindingen mee, die metaalatomen bevatten welke door waterstofatomen vervangen kunnen worden.

 

Zuur                                      : Een verbinding die waterstofatomen bevat, welke door metaalatomen vervangen kunnen worden.

 

 

 

Terug naar begin

Terug naar Publicaties

 

 

Lezingen

 

 

 

 

Medewerkers van De Gildemeesters verzorgen regelmatig lezingen voor uiteenlopende doelgroepen. Naast een aantal standaard lezingen, kunnen ook maatwerk lezingen worden verzorgd. De inhoud van de lezing wordt dan in overleg met u samengesteld.

Overzicht standaard lezingen:

·        De baksteenindustrie in Nederland na 1850.

·        Baksteenformaten door de jaren heen.

·        Romeinse steen- en pannenbakkerijen in Nederland.

·        Bouwkundige gebreken bij baksteentoepassingen.

 

Wilt u een lezing laten verzorgen, klik dan hier voor meer informatie.

 

 

 

 

 

 

 

Terug naar begin

 

 

 

 

 

 

Informatie Lezingen

 

 

 

De kosten van een lezing bedragen overdag € 72,- per uur, waarbij ook voor de reistijd het uurtarief in rekening wordt gebracht; ’s avonds betaalt u € 75,- per lezing. Daarnaast betaalt u een reiskostenvergoeding van € 0,33 per kilometer. Tarief voor maatwerk lezingen op aanvraag.

 

 

Wilt u een medewerker van De Gildemeesters voor uw organisatie een lezing laten houden of aanvullende informatie, neem dan contact op met mail@rajvermeulen.nl , telefoon 070-3866638.

 

 

Technische hulpmiddelen:

 

 

De lezingen worden gepresenteerd met behulp van apparatuur, een laptop en een beamer en een draadloze microfoon. We gaan er van uit dat er in de presentatieruimte een geluidsinstallatie met microfoonaansluiting en een projectiescherm aanwezig is.

 

 

Voor presentatieruimten tot 75 m2 kunnen wij eventueel zelf een bescheiden geluidinstallatie verzorgen.

 

 

Tijdens de lezingen kunnen wij zorg dragen voor mini expositie “Baksteenfabricage”. De benodigde vrije ruimte hiervoor bedraagt ca. 2x5 m

 

 

Terug naar begin

Terug naar Lezingen