het bewijs
weblog van een huisvader
......................

 


uit het dagelijks archief:
mei 2007
 





 

 

 

 

 

zaterdag 12 mei
Met gebreken
De man was een avondje uit, met zijn beste vriendin. Even lekker uitgebreid bijkletsen met een biertje in de zon en dan ergens iets eten. In een blijkbaar hip want drukbezocht restaurant. Het soort gelegenheid waar de man normaalgesproken de grootste moeite had de aandacht van het bedienend personeel op zich te vestigen, zelfs wanneer hij om de rekening wilde vragen. Maar hier was het anders. Ze werden trefzeker bediend door een buitengewoon attente serveerster. Een frisse verschijning met een olijke oogopslag en leuke kuiltjes in de blozende wangen. Een pittige tante ook, met een snedige opmerking op zijn tijd en een aanstekelijke lach. Echt een leuke meid, dacht de man. En hij kon het niet nalaten af en toe ook iets van een grapje te maken, een aardigheidje, en door te laten schemeren dat hij ook een hele leuke klant was. Na de koffie slaagde de man er zelfs in haar de rekening te vragen met slechts het licht ophalen van zijn wenkbrauw, zo bewees hij zijn beste vriendin omstandig, niet zonder trots. Ook bij de kassa maakte hij de serveerster nog een grappig compliment over hoe gezellig het was geweest, en tipte ruimhartig. Toen was het tijd om zijn pas door het apparaat te halen. Om te controleren of hij de goede pas van de twee uit zijn portemonnee had gehaald, wierp hij een blik op het rekeningnummer. Dat hij niet kon lezen. Zo onopvallend mogelijk probeerde hij met het pasje de juiste afstand tot zijn ogen te vinden om het nummer scherp te krijgen, hij bewoog zijn hoofd wat op en neer om net iets anders door zijn bril te kijken, maar het lukte hem niet. Hij zag het zelfs niet vaagjes. Razendsnel overwoog hij de mogelijkheden. Als hij het er op gokte had hij vijftig procent kans. Op succes, maar ook op een afgang. Als hij de serveerster om hulp vroeg viel hij meteen door de mand. Maar het was al te laat. Net zo vriendelijk en attent als ze de hele avond al geweest was bood ze aan even voor hem te kijken. Beteuterd gaf de man haar zijn pas en vroeg of het op een zes eindigde. Dat was zo, lachte de serveerster hem toe, met haar leuke kuiltjes. Ach gossie, had zijn beste vriendin gedacht, die het schouwspel met lede ogen had aangekeken vanaf hun tafel. Ach gossie toch.

donderdag 10 mei
Ondoorgrondelijk
Bij zijn oudste zoon in de klas zat een heel vervelend jongetje dat schopte en sloeg als hij zijn zin niet kreeg, of wanneer het hem maar zo uitkwam. Regelmatig vertelde zijn zoon op hoge poten dat hij het weer met het vervelende jongetje aan de stok had gehad. Heb je het tegen de juf gezegd, is dan altijd maar papa's reactie, want niets is zo ondoorgrondelijk als kinderruzies, zeker als dat achteraf allemaal gereconstrueerd moet worden. Dan begint het gekrakeel al gauw weer van voren af aan en daar had papa nooit zo'n zin in. Dus als de juf het had opgelost was het papa goed genoeg. Die had er tenslotte voor doorgeleerd.
Vanmorgen zag de man bij het naar buiten lopen nog even gauw hoe zijn oudste zoon op de gang met het vervelende jongetje in gevecht was. Er werd fanatiek naar elkaar geschopt en geslagen. Voor hij erbij was was het alweer afgelopen en was het vervelende jongetje hem gesmeerd, zoals vervelende jongetjes dat doen, dus papa drukte zijn zoon op het hart dat hij zich door dat rotjong niet op de kop moest laten zitten en het echt tegen de juf moest zeggen.
Het zat hem de hele ochtend niet lekker en terwijl hij zijn zoveelste plafond stond te schilderen bedacht hij alvast verschillende manieren waarop hij de juf er straks voorzichtig op aan zou kunnen spreken dat het nu toch misschien echt wel genoeg was geweest met het vervelende jongetje, en dat er ook een keer een einde moest komen aan het steeds maar weer sorry zeggen en handjes geven en nooit meer doen beloven. Maar eenmaal weer terug op school kwam zijn oudste uitgelaten op hem toegehold. Zó'n geweldige dag had hij gehad, jubelde hij. Want hij had de héle dag héérlijk buiten gespeeld. Met het vervelende jongetje.

dinsdag 8 mei
De vrije natuur
Bijna iedere ochtend verzuchtte de man wel tegen zijn jongens, onderweg naar school, of onderweg naar huis, hoe prachtig het hier toch allemaal was. Hoe groen en hoe ruim en hoe prachtig. En hoe veel leuker het hier was dan in de stad, met al die natuur. Zijn jongens beaamden dat iedere keer welgemeend en ze begonnen er al aardig oog voor te krijgen ook, constateerde de man met enige trots. Vooral zijn oudste zoon had een scherp oog en wees al bijna achteloos de verschillende vogels aan. Kijk pap, een aalscholver, een kuifeend, een valkje, een buizerd, een kauwtje, een scholekster, een kievit. Laatst had hij zelfs twee lepelaars zien vliegen. Vanmorgen waren ze dan weer getuige van een ander aspect van het leven in de vrije natuur. Huiverend van verontwaardiging zagen zijn jongens een reiger opvliegen van de slootkant met zijn grote gemene snavel vol jonge meerkoetjes. Hún meerkoetjes. Uit het nest waar ze elke ochtend langsfietsten en vlak langs de slootkant onzeker slingerend keken of er al iets geboren was. Vader meerkoet rende met wapperende vleugels nog een heel eind achter de rover aan, door het weiland, maar geloofde er zelf eigenlijk ook niet meer in. Moeder meerkoet draaide zoekende rondjes om het lege nest. Een sloot verderop stond de reiger zijn prooi dood te schudden. Zijn jongens raakten er de hele weg naar school niet meer over uitgepraat. Als ze die reiger te pakken kregen!

maandag 7 mei
De stemming
Al maanden was de man aan het klussen in zijn nieuwe huis. Zo goed als onafgebroken, jawel. In een bijna calvinistische kadans had hij iedere ochtend zijn jongens naar school gebracht en zich voor de halve daagjes die hem dan restten voor hij ze weer moest gaan halen in de werkkleren gehesen. Onversaagd had hij dagelijks sloophamer, gereedschap, verfkwast en schuurpapier ter hand genomen en gewerkt aan zijn droomhuis, hún droomhuis: de nieuwe plek voor zijn gezin, zijn vrouw en kinderen. Op het platteland. 's Middags had hij zijn jongens dan een boterhammetje gegeven en was opnieuw zijn trappetje opgeklommen, om zijn klusje af te maken. Of een nieuw te beginnen. Iedere dag een piepklein stapje verder. In de weekenden en de vakanties had hij altijd wat langere dagen kunnen maken, omdat zijn vrouw zich dan om hun jongens bekommerde. Terwijl zijn gezin lekker wat langer in bed bleef liggen en daarna iets leuks ging doen, beet de man in het stof. En de man deed het graag. Hij genoot van zijn  eigen werklust en hij dééd het voor zijn gezin tenslotte. Toch was er de laatste tijd blijkbaar wat vermoeidheid in gekropen, een tikkeltje chagrijn, want daar had hij zich per ongeluk een bitse opmerking laten ontvallen tegen zijn vrouw, die de laatste tijd vrolijk neuriënd aan het tuinieren was geslagen, in de nieuwe tuin. En in de zon. Dat hij wel nuttiger werkjes wist te verzinnen, zo vlak voor de verhuizing, had hij gezegd. En dat híj alleen maar goed was voor de kutklusjes. Ja hallo, had zijn vrouw toen geantwoord. Hallo! Jíj wilde toch per se een óud huis, waar je alles nog aan moest opknappen? En tot dan toe was dat misschien nog wel waar geweest ook. Maar opeens had de man er helemáááál geen zin meer in.

 

©JosvanVenrooij