zaterdag 12 mei
Met gebreken
De man was een avondje uit, met zijn
beste vriendin. Even lekker uitgebreid bijkletsen met een biertje in de
zon en dan ergens iets eten. In een blijkbaar hip want drukbezocht
restaurant. Het soort gelegenheid waar de man normaalgesproken de
grootste moeite had de aandacht van het bedienend personeel op zich te
vestigen, zelfs wanneer hij om de rekening wilde vragen. Maar hier was
het anders. Ze werden trefzeker bediend door een buitengewoon attente
serveerster. Een frisse verschijning met een olijke oogopslag en leuke
kuiltjes in de blozende wangen. Een pittige tante ook, met een snedige
opmerking op zijn tijd en een aanstekelijke lach. Echt een leuke meid,
dacht de man. En hij kon het niet nalaten af en toe ook iets van een
grapje te maken, een aardigheidje, en door te laten schemeren dat hij
ook een hele leuke klant was. Na de koffie slaagde de man er zelfs in
haar de rekening te vragen met slechts het licht ophalen van zijn
wenkbrauw, zo bewees hij zijn beste vriendin omstandig, niet zonder trots. Ook bij de
kassa maakte hij de serveerster nog een grappig compliment over hoe gezellig het was
geweest, en tipte ruimhartig. Toen was het tijd om zijn pas door het
apparaat te halen. Om te controleren of hij de goede pas van de twee uit
zijn portemonnee had gehaald, wierp hij een blik op het rekeningnummer.
Dat hij niet kon lezen. Zo onopvallend mogelijk probeerde hij met het
pasje de juiste afstand tot zijn ogen te vinden om het nummer scherp te
krijgen, hij bewoog zijn hoofd wat op en neer om net iets anders door
zijn bril te kijken, maar het lukte hem niet. Hij zag het zelfs niet
vaagjes. Razendsnel overwoog hij de mogelijkheden. Als hij het er op
gokte had hij vijftig procent kans. Op succes, maar ook op een afgang.
Als hij de serveerster om hulp vroeg viel hij meteen door de mand. Maar
het was al te laat. Net zo vriendelijk en attent als ze de hele avond al
geweest was bood ze aan even voor hem te kijken. Beteuterd gaf de man
haar zijn pas en vroeg of het op een zes eindigde. Dat was zo, lachte de
serveerster hem toe, met haar leuke kuiltjes. Ach gossie, had zijn beste
vriendin gedacht, die het schouwspel met lede ogen had aangekeken vanaf
hun tafel. Ach gossie toch.
donderdag 10 mei
Ondoorgrondelijk
Bij zijn oudste zoon in de klas zat
een heel vervelend jongetje dat schopte en sloeg als hij zijn zin niet
kreeg, of wanneer het hem maar zo uitkwam. Regelmatig vertelde zijn zoon
op hoge poten dat hij het weer met het vervelende jongetje aan de stok
had gehad. Heb je het tegen de juf gezegd, is dan altijd maar papa's
reactie, want niets is zo ondoorgrondelijk als kinderruzies, zeker als
dat achteraf allemaal gereconstrueerd moet worden. Dan begint het
gekrakeel al gauw weer van voren af aan en daar had papa nooit zo'n zin
in. Dus als de juf het had opgelost was het papa goed genoeg. Die had er
tenslotte voor doorgeleerd.
Vanmorgen zag de man bij het naar buiten lopen nog even gauw hoe zijn
oudste zoon op de gang met het vervelende jongetje in gevecht was. Er
werd fanatiek naar elkaar geschopt en geslagen. Voor hij erbij was was
het alweer afgelopen en was het vervelende jongetje hem gesmeerd, zoals
vervelende jongetjes dat doen, dus papa drukte zijn zoon op het hart dat
hij zich door dat rotjong niet op de kop moest laten zitten en het echt
tegen de juf moest zeggen.
Het zat hem de hele ochtend niet lekker en terwijl hij zijn zoveelste
plafond stond te schilderen bedacht hij alvast verschillende manieren
waarop hij de juf er straks voorzichtig op aan zou kunnen spreken dat
het nu toch misschien echt wel genoeg was geweest met het vervelende
jongetje, en dat er ook een keer een einde moest komen aan het steeds
maar weer sorry zeggen en handjes geven en nooit meer doen beloven. Maar
eenmaal weer terug op school kwam zijn oudste uitgelaten op hem
toegehold. Zó'n geweldige dag had hij gehad, jubelde hij. Want hij had
de héle dag héérlijk buiten gespeeld. Met het vervelende jongetje.
dinsdag 8 mei
De vrije natuur
Bijna iedere ochtend verzuchtte de man
wel tegen zijn jongens, onderweg naar school, of onderweg naar huis, hoe
prachtig het hier toch allemaal was. Hoe groen en hoe ruim en hoe
prachtig. En hoe veel leuker het hier was dan in de stad, met al die
natuur. Zijn jongens beaamden dat iedere keer welgemeend en ze begonnen
er al aardig oog voor te krijgen ook, constateerde de man met enige
trots. Vooral zijn oudste zoon had een scherp oog en wees al bijna
achteloos de verschillende vogels aan. Kijk pap, een aalscholver, een
kuifeend, een valkje, een buizerd, een kauwtje, een scholekster, een
kievit. Laatst had hij zelfs twee lepelaars zien vliegen. Vanmorgen
waren ze dan weer getuige van een ander aspect van het leven in de vrije
natuur. Huiverend van verontwaardiging zagen zijn jongens een reiger
opvliegen van de slootkant met zijn grote gemene snavel vol jonge
meerkoetjes. Hún meerkoetjes. Uit het nest waar ze elke ochtend
langsfietsten en vlak langs de slootkant onzeker slingerend keken of er
al iets geboren was. Vader meerkoet rende met wapperende vleugels nog
een heel eind achter de rover aan, door het weiland, maar geloofde er
zelf eigenlijk ook niet meer in. Moeder meerkoet draaide zoekende
rondjes om het lege nest. Een sloot verderop stond de reiger zijn prooi
dood te schudden. Zijn jongens raakten er de hele weg naar school niet
meer over uitgepraat. Als ze die reiger te pakken kregen!
maandag 7 mei
De stemming
Al maanden was de man aan het
klussen in zijn nieuwe huis. Zo goed als onafgebroken, jawel. In een
bijna calvinistische kadans had hij iedere ochtend zijn jongens naar
school gebracht en zich voor de halve daagjes die hem dan restten voor
hij ze weer moest gaan halen in de werkkleren gehesen. Onversaagd had
hij dagelijks sloophamer, gereedschap, verfkwast en schuurpapier ter
hand genomen en gewerkt aan zijn droomhuis, hún droomhuis: de nieuwe
plek voor zijn gezin, zijn vrouw en kinderen. Op het platteland. 's
Middags had hij zijn jongens dan een boterhammetje gegeven en was
opnieuw zijn trappetje opgeklommen, om zijn klusje af te maken. Of een
nieuw te beginnen. Iedere dag een piepklein stapje verder. In de
weekenden en de vakanties had hij altijd wat langere dagen kunnen maken,
omdat zijn vrouw zich dan om hun jongens bekommerde. Terwijl zijn gezin
lekker wat langer in bed bleef liggen en daarna iets leuks ging doen,
beet de man in het stof. En de man deed het graag. Hij genoot van zijn
eigen werklust en hij dééd het voor zijn gezin tenslotte. Toch was er de
laatste tijd blijkbaar wat vermoeidheid in gekropen, een tikkeltje
chagrijn, want daar had hij zich per ongeluk een bitse opmerking laten
ontvallen tegen zijn vrouw, die de laatste tijd vrolijk neuriënd aan het
tuinieren was geslagen, in de nieuwe tuin. En in de zon. Dat hij wel
nuttiger werkjes wist te verzinnen, zo vlak voor de verhuizing, had hij
gezegd. En dat híj alleen maar goed was voor de kutklusjes. Ja hallo,
had zijn vrouw toen geantwoord. Hallo! Jíj wilde toch per se een
óud huis, waar je alles nog aan moest opknappen? En tot dan toe was dat
misschien nog wel waar geweest ook. Maar opeens had de man er helemáááál
geen zin meer in.
©JosvanVenrooij