Voorwoord: De toon van dit verhaal is laconiek, maar voor een goede lezer staat er heel wat tussen de regels en dit verhaal had heel anders af kunnen lopen. Jan Schreurs

Een Stukje Touw ,

Door: Apollo Kok.

Het was juli 2003, de periode dat de meeste Nederlandse expat gezinnen zijn gereduceerd tot ‘vrijgezellige’ mannen. En die mannen willen uiteraard avontuur. Na een leuke maar toch ietwat gezapige tocht door Wadi Bani Khalid waren er plannen om eens iets heftigers te ondernemen: Snake Gorge. Dat was pas een echte spleet! Na wat e-mails op en neer bleek al snel dat steeds meer mannen ‘op de kat passen’ toch belangrijker vonden en uiteindelijk bleven er van de meer dan 10 gegadigden slechts 4 over: Rudy ‘Stukje touw’ Welling, Philippe ‘I'm out of here’ Gauthier, Apollo ‘Het zal toch niet waar zijn’ Kok en Walrick ‘Bloed moet’ van Zandvoord. Rudy had al een keer de ‘eerste’ ingang gedaan en verkoos zichzelf daarom als toerleider. Deze keer wilde hij de ‘tweede’ ingang proberen, maar dan zouden we volgens hem wel een ‘stukje touw’ nodig kunnen hebben voor een lastig stukje. Natuurlijk waren er de verhalen van 9 doden, jaren geleden, en ook waren er waarschuwingen dat het weer te instabiel en onbetrouwbaar was, maar dat maakte uiteraard geen indruk op deze vier musketiers. We zouden alleen bij een strak blauwe hemel de gorge ingaan en zo snel zijn, dat een weersomslag te laat zou zijn om gevaar op te leveren. En met Rudy als toerleider, wat kon er misgaan?

Na ’s morgens nog wat kaarten bestudeerd te hebben (niet dat het echt nodig was) vertrokken we van de ‘Wadi Tree’ parkeerplaats. De route was simpel. Voorbij het vliegveld, linksaf bij een round-about, langs een fort en bingo, daar was het al. Een van de auto’s werd bij de uitgang van de gorge geparkeerd waar we ook wat ander expat volk tegenkwamen, die eenzelfde plan hadden. Bij de tweede ingang aangekomen bleek de andere groep uit totaal 6 personen te bestaan, waaronder PDO’ers Barb en Steffen. Snel werd besloten samen verder te gaan. Hoe meer zielen hoe meer lol. Zij hadden dichtbij in de bergen overnacht. "Het heeft hier nog fantastisch gedonderd vannacht", kwaakte een van hen. Het zij zo, de hemel was nu strak blauw, dus wie maakte zich zorgen over het weer? Iets na 10 uur werd de gorge dan ook met volle moed betreden. Na wat lopen, plonzen en zwemmen kwam het eerste kleine obstakel. Vanaf een gladde waterval moesten we ons goed afzetten om over een 2 meter stuk rots in een diepe poel te springen. Eitje dus, behalve dat Walrick z'n oren wat waren gaan bloeden door de harde landing in het water. "Je oren bloeden", merkte iemand behulpzaam op. "Ik hoor niets, wat zeg je?", antwoordde Walrick. ‘Bloed moet’ en dit was nog maar het begin.

Na wat meer loop en struikelwerk, kwam de groep uiteindelijk bij de plek waar het beroemde ‘stukje touw’ nodig was. Nou ja, 50 stukjes van een meter dus oftewel een 50m abseil. Philippe, onze ervaren bergbeklimmer uit Canada, had gelukkig een behoorlijk stuk touw bij zich. Bovendien had de andere groep net zoiets mee. Knopen van touwen is een kunst en het duurde meer dan een uur, maar toen zat het ook echt stevig vast. Ongeveer 11.30 uur werd met de abseil begonnen. Apollo was als een van de eersten beneden en terwijl hij lachtte om Walrick, die de abseil gedeeltelijk ondersteboven deed, ontdekte hij een klein wit wolkje. "Het zal toch niet waar zijn", mompelde hij. Met 10 man werd het toch al snel tegen 1 uur voordat iedereen beneden was. Het witte wolkje was inmiddels zwart. Opschieten dus, maar uiteraard wel eerst even lunchen. Je kunt niet lopen op een lege maag! Na de lunch bleek de lucht nu helemaal donker en grauw te zijn geworden, slechts 3 uur na met heldere hemel te zijn vertrokken. Interessant die snelle weersveranderingen in de bergen, maar toch ook wel zorgwekkend als je onderin een spleet met maar een uitgang zit. Dus snel verder. Even later knetterde de eerste donderslag al door de spleet. "Het zal toch niet waar zijn", herhaalde Apollo.

Philippe en Apollo, het getreuzel zat, gingen alvast wat vooruit om de rest van de groep ‘niet op te houden’. Philippe begon steeds sneller te lopen, als door een kanon afgeschoten. De wat meer op leeftijd zijnde Apollo kon het nauwelijks bijhouden. Op de kruising met de eerste ingang, net op het moment dat de eerste spatten regen begonnen te vallen, gooide Philippe zijn rugzak leeg: weg met dat touw, weg met die appel. "I'm out of here", riep de Canadees. "I have a wife and a young kid". Apollo had die niet, maar dacht gelijk aan Tanya. Raskrabbel natuurlijk, iemand moest wel een verhaaltje schrijven! Wachten op de rest leek geen goed idee. Sorry Walrick, het is nu ieder voor zich en dan had je maar een beetje door moeten lopen! Toerleiders horen natuurlijk zowiezo achteraan te blijven. Dus zo begon de loop voor ons leven. Doodgaan is uiteindelijk onvermijdelijk, maar even liever niet in zo’n klote gorge. Het is trouwens ongelooflijk wat een beetje extra adrenaline los maakt, enorme sprongen werden zonder probleem gemaakt en sommige stukken werden gewoon overgeslagen. Philippe had inmiddels weer enige voorsprong genomen en was bij de grot aangekomen. “F*#CK”, schalde het ineens luid. Wat nu weer? Zit de grot dicht? Dat net niet, maar de doorgang was inderdaad klein en het was even zoeken naar licht. Voorbij de grot was het gevaar snel geweken en werd het tijd om ons zorgen over de anderen te gaan maken. Wat zou er als eerste uit de gorge komen; een vloedgolf of Barb en de mannen? Zouden we de Oman Observer halen of bleef het bij een Raskrabbeltje. Gelukkig had de regen nog steeds niet doorgezet, maar dat zegt op zich natuurlijk niets.

Met de gedachte ‘tegen een vloedgolf is toch niet op te lopen’, was de achtergebleven groep iets voorzichtiger voort gemarcheerd. Blijkbaar toch niet voorzichtig genoeg. Voorop lopend werd Walrick iets te enthousiast en oops! glee uit over een lullig glad steentje. Zou hij de val breken met z'n hoofd of z'n hand? De hand werd opgeofferd. “Aaaaauuuuuu….” De palm zag eruit als een opengebarste rookworst en bloed spoot eruit. ‘Bloed moet, pijn is fijn’ maar dit was zelfs voor Walrick niet leuk meer. “Wat is er aan het handje?”, riep Rudy nog heel hulpvaardig. Gelukkig kwam daar de reddende engel Barb met het bekende doekje voor het bloeden. De eerste gewonde was gevallen en hoeveel zouden er nog volgen? Een geplette hand maakt het uiteraard niet makkelijker. Bij het volgende obstakel, waar iedereen voorzichtig naar beneden klom, kon Walrick geen grip meer houden en viel achterover naar beneden.... De rest stond erbij en keer er naar. Einde verhaal? Nog niet. Een rotsblok werd net gemist en het ondiepe water had de val voldoende gebroken. Walrick leefde nog steeds. Uiteindelijk baande ook deze speleologen zich een weg door de, gelukkig nog steeds open, grot en was veilig. Tot Philippe’s genoegen had Barb zelfs z’n touw en appel meegenomen. Is dat even mazzel!

Eigenlijk was het dus allemaal wel meegevallen. Behalve het handje was er eigenlijk niks gebeurd. Dus maar een biertje en wat happen op de goede afloop. Lekker eten is nou eenmaal niet vies. Toerleider Rudy was nog steeds in voor nieuwe uitdagingen. “Laten we over de Hajar bergen terug rijden", opperde hij. Prima idee, de hand van je collega moet zo snel mogelijk gehecht worden, dus een bergritje kan er nog wel bij. Na enige ruggenspraak toch maar terug via Wadi Bani Auf, waar zo’n halve meter water bleek te stromen! Het had dus wel degelijk geplensd. Regen in een wadi is altijd dolle pret. Vooral lokalen die dan vast komen te zitten: schoolbusjes, taxis en dit keer zelfs een pick-upje. Schoolkinderen helpen we uiteraard, taxi chauffeurs niet, maar die Omanis in de pick-up weer wel. Ok, we konden er niet langs dus we moesten wel. Terwijl de ene helft vooruit wilde duwen en de andere helft achteruit, kwam er zowaar een slang aan, meegesleurd door het woeste water. De slang knalde tegen de voorband en verdween in de motorkap. Iedereen was het er nu over eens dat de auto er vooruit moest worden uitgeduwd. Uiteindelijk lukte het de pick-up weg te krijgen, maar de motor liep nog steeds niet. Motorkapje open …. en daar zat die slang natuurlijk. Toen werd ons duidelijk hoe handig die kamelen stokjes zijn. De slang kwam daar ook achter al was het enigszins laat. Omdat de pick-up het nog steeds niet deed had Rudy een volgend geniaal idee om Walrick later in het ziekenhuis te krijgen. “Laten we die pick-up naar het asfalt slepen.” Goed plan, die hand moet er waarschijnlijk toch af en zo kan hij er nog wat langer van genieten! Eenmaal aangekomen bij de grote weg, startte de lokaal z'n auto en reed vriendelijk lachend richting Rustaq.

Bij het Shatti oplap paradijs werden we met open armen ontvangen. Philippe bleek een goede bekende te zijn omdat hij daar recent nog z'n grote teen had laten repareren. Walrick's handje werd er weer aangenaaid door een aardige (vrouwelijke) dokter, uiteraard zonder verdoving. Er werd een beetje gekreund maar dat stoorde ons niet. Nog even eten op de club en een doorsnee weekend was weer teneinde.

Tenslotte toch nog even een serieuze noot: "What are the lessons learned?" Simpel, in Oman zijn er zat leuke uitstapjes die je vooral met je schoonfamilie moet maken maar je hebt af en toe wel een stukje touw nodig. Vraag het maar aan Rudy!

Apollo en Walrick

PS: Walrick heeft weer redelijk gebruik van z’n hand en kan inmiddels de middelvinger opsteken. Rudy probeert nog steeds mensen voor een volgend tripje te regelen. Apollo zoekt nog naar vrouw en kinderen en Philippe komen we af en toe rennend op kantoor tegen.