PROJECT KIEVITEN DE DULF
JAARVERSLAG 2010
Door
___________________________________________________________________

Onderzoek dataloggers Kieviten 2007 - 2010
Vogelringstation Menork
Jaarverslag 2010
Index
Omstandigheden * Weer
* Conditie gebied bij vestiging broedvogels
Beheer * Dulf
* Janssenstichting
Resultaten
NESTEN * Dulf
BROEDVOGELS
-
Terugmeldingen van
broedvogels uit voorgaande jaren
-
Terugmeldingen van pulli uit voorafgaande jaren
-
Dispersie tijdens de
broedcyclus
-
Broedprestaties van
ge(kleur)ringde vogels
-
Leeftijd, biometrie en rui van broedvogels
Bijlagen
tabel waarnemingen en aangebrachte merktekens in 2010
tabel
gevonden nesten en broedresultaten in 2010
___________________________________________________________________
Een eerste opsomming van de
feitelijke resultaten onderzoek 2010
In 2007 is
het vanaf 2000 lopend project Kievitenonderzoek De Dulf,
dat in 2005 vanwege een te sterke afname van broedvogels op een zacht pitje
kwam, nieuw leven ingeblazen. Er wordt vanaf dat jaar gewerkt met een speciale
GLS techniek en er heeft een ingrijpende gebiedsuitbreiding plaatsgehad. Voorts
wordt er vanaf dat jaar, samen met Staatsbosbeheer, beleidsmatig actief
meegedacht over het beheer. Ook bij de uitvoering van beheer is Menork per 2007
nauw betrokken omdat Jack Schuurs als weidevogelcoördinator bij Staatsbosbeheer
in (vrijwillige) dienst is getreden. Voor een uitgebreide toelichting op de
(oorspronkelijke) projectomschrijving, doelstellingen, habitat en toegepaste
methoden wordt verwezen naar de inleiding bij het jaarverslag van
___________________________________________________________________
Dankzij
een substantiële financiële bijdrage van Van der Wiel
Infra- en Milieu, gevestigd te Drachten is het
mogelijk geworden om dit onderzoek te verrichten.
Ook moet
de naam van mr. J.A. de Vries te Sneek worden genoemd. Als mede oprichter van
Stichting Menork stortte hij in de afgelopen drie jaar 1.500 euro in de kas van
Menork om dit onderzoek in financieel opzicht kracht bij te zetten.
___________________________________________________________________
Weer (bron KNMI).
Winter
Koud en de normale hoeveelheid neerslag en zon
De winter van 2010 was de koudste sinds 1996.
Zeldzamer waren de hoeveelheden sneeuw: de winter van 2010 telde het grootste
aantal dagen met sneeuwbedekking sinds 1979. In het noordoosten van het land
was de negatieve afwijking ten opzichte van normaal duidelijk groter dan in het
zuidwesten.
Een groot
deel van de winter lag de temperatuur ruim beneden het langjarig gemiddelde.
Alleen de eerste dagen van december en de laatste week van februari verliepen
vrij zacht. Echter, een stevige koudegolf ontbrak. Vaak bleef de vorst beperkt
tot enkele graden of kwam de temperatuur in ieder geval overdag tijdelijk boven
het vriespunt.
De winter had de normale hoeveelheid neerslag met gemiddeld over het land 201
mm neerslag tegen een langjarig gemiddelde van 194 mm.
Als er neerslag viel, was het bijzonder vaak in de vorm van sneeuw. Een aantal
sneeuwsituaties sprong eruit. Op 17 en 18 december viel vooral in een strook
van de kop van Noord-Holland naar Groningen in totaal 10 tot ruim 30 cm sneeuw.
In het noorden liep de dikte van het sneeuwdek op de 20e verder op naar lokaal
ruim 40 cm.
December en januari waren zonniger dan normaal, februari juist somberder.
Lente
Lente
2010: Zeer zonnige en droge lente met een normale temperatuur.
Het was
deze lente met gemiddeld 8,9 °C precies even warm als het langjarig gemiddelde
over de periode 1970-2000. Toch was het de koudste lente sinds 15 jaar. Sinds
1996 waren alle lentes zacht tot zeer zacht. De maanden maart en april
verliepen met 6,4 °C en 9,7 °C ten opzichte van gemiddeld 5,8 °C en 8,3 °C vrij
zacht. Alleen de maand mei was het zeer koel, met gemiddeld 10,5 °C tegenover
12,7 °C normaal. Hiermee komt mei 2010 in de top 10 van koelste meimaanden
sinds 1901.
Met
gemiddeld over het land 130 mm neerslag tegen 166 mm normaal was de lente
droog. Zowel maart als april waren met 47 mm en 27 mm,
tegenover 65 mm en 42 mm normaal, droog. De maand mei week met 55 mm tegenover
57 mm normaal nauwelijks af van het gemiddelde. De lente verliep zeer zonnig.
Landelijk gezien scheen de zon 595 uren tegenover 485 uren normaal. Vooral in
de kustgebieden was de zon vaak te zien. Plaatselijk scheen de zon daar 645
uren deze lente. Vooral in maart en april scheen de zon veel. In maart was het zonnig, met 152 zonuren tegenover een langjarig gemiddelde
van 115 uren. April deed er nog een schepje bovenop met 246 tegenover 162
normaal. Mei was ook qua zon een gemiddelde maand en week met 200 uren weinig
af van het gemiddelde.
___________________________________________________________________
Conditie gebied bij
vestiging broedvogels
Eind februari vestigen zich de eerste (broed)vogels in
De Dulf. Het centrale gebied ligt er erg nat bij,
diverse percelen zijn (deels) onder water gelopen. Opvallend is echter dat het
oostelijk deel (nabij de rijksweg) en ook
het
westelijk deel (nabij de Swynswei) er juist droger
bij liggen dan we de afgelopen jaren gewend waren. Pas halverwege maart worden
de eerste broedvogels gedetermineerd.
De
habitatverbetering in Dulf vordert gestaag. Dankzij
het werk, dat in opdracht van Staatsbosbeheer door een loonbedrijf is uitgevoerd,
ligt een aantal percelen er voor het (menselijk) oog smetteloos bij. Pitrus is
geheel verwijderd en greppels hier en daar hersteld. De (nu deels onder water
gelopen) polder halverwege het gebied (percelen 14) is in ere hersteld
en is daardoor niet alleen een lust voor het oog maar vooral ook voor
weidevogels, eenden en andere steltlopers. Een aantal percelen ligt er wat
minder gunstig bij, zoals perceel 15C dat, in tegenstelling tot het voorgaande
jaar, vanwege de waterstand teveel ruigte bevat.
Doordat
perceel 14A onder water ligt en veel eenden aantrekt, bivakkeert een aantal
slechtvalken permanent rond dit gedeelte van de Dulf.
Een stapel hekkelspecie dat gestort is in de waterpartijen halverwege perceel 15D
is een vaste zitpost voor deze slechtvalken. Ook komt een tweetal haviken
regelmatig in dit gedeelte van de Dulf buurten. Dit zal
mogelijk ook van invloed zijn op de vestiging van potentiële broedvogels.
De
maïslanden aan de Janssenstichting hebben jaarlijks
de nodige aantrekkingskracht. Dit jaar wat meer stoppelresten waardoor de
vogels ook moeilijker te determineren zijn. Eén van de twee
inventarisatiehutten werd vorig jaar verwijderd. De andere staat nog prima te
floreren langs de oostgrens van perceel K3.
___________________________________________________________________
Dulf
In de
maand maart kan er geen actie worden verwacht van de pachtende boeren omdat het
gebied vanwege de aanhoudende nattigheid ontoegankelijk is. Door het koudere
weer, was de grasgroei duidelijk minder dan in voorgaande jaren. Daardoor was
er dit jaar voor het eerst sprake van een beperkt aantal vervolglegsels
(perceel 13) nadat relatief vroege legsels verloren gingen. De snelle grasgroei
in het westelijk deelgebied de Mouwe had ook te maken
met peilbeheer. Aanvankelijk een goede keuze om water gestaag in te laten
vanuit de Compagnonsvaart maar uiteindelijk blijft de
inlaat wekenlang open staan waardoor er lokaal grote waterpartijen ontstaan en
landerijen, vooral de percelen 15, onbereikbaar worden voor de boer. Daardoor
moest dit voorjaar worden geconstateerd dat een aantal landerijen alleen in
begin april aantrekkelijk oogde en daarna toch in verval raakte voor kieviten
die nu eenmaal niet van ruigte houden.
Janssenstichting
De
maïspercelen gingen ook dit jaar weer tamelijk vroeg op de kop. Op 21 april
begint het bemesten van de percelen en op 24 en 25 april werden de percelen
geploegd. Op zich een aardige timing want het gros van de nesten komt exact na
deze werkzaamheden uit. Het inzaaien van de maïskorrels gebeurt wel tijdens het
uitkomen van diverse nesten en dat vergt dus de nodige oplettendheid bij de
loonwerker. Vooral ook dankzij de oplettendheid van boer Kooi gebeurt dit
echter met beleid en daardoor is er nauwelijks overlast geweest voor de
aanwezige legsels en kleine jongen. Perceel K1 werd weer beweid door talloze
schapen. K2 ging vanaf halverwege mei, na uitstekend overleg tussen boer en
weidevogelbeschermers, in etappes onder de cirkelmaaier.
Het
perceel grasland ten zuiden van de weg (zuidoost van perceel K5), dat is
aangewezen voor plasdras en dus in de maanden april en mei deels onder water
ligt, voorziet ook dit jaar weer in een behoefte. Voortdurend worden er
(gemerkte) broedvogels waargenomen.
___________________________________________________________________

NESTEN
Op basis
van gevonden nesten en getelde (potentiële) broedvogels hebben er in het aangewezen
onderzoeksterrein De Dulf dit voorjaar 20-22
broedparen van de kievit een of meer nesten met minimaal 1 ei gehad. Dit aantal
is wat minder dan dat van voorgaande jaren. Opmerkelijk was dat de
ogenschijnlijk aantrekkelijke oostpercelen (percelen
11) nauwelijks tot geen broedparen herbergden! Naar nu duidelijk is geworden is
er een bewoond vossenhol in dit gedeelte van de Dulf
aanwezig. Dat verklaart ook dat de schaars aanwezige nesten niet succesvol
waren.
Het centrale gedeelte, percelen 13-15 was vooral in trek bij broedvogels, dit
jaar duidelijk (veel) meer paartjes van de grutto. Van een enkel broedpaar is
in de Dulf een vervolglegsel gevonden. Nadat eieren
werden gepredeerd of waren uitgekomen, vertrokken de
meeste broedvogels uit het –klaarblijkelijk- onaantrekkelijke (ruig geworden)
gebied. Jaarlijks is er, vooral in maart en april, zichtbaar predatiedruk van
kraaien, havik en slechtvalk. In jaren met extreme droogte is de predatiedruk,
vooral door kraaien en meeuwen, relatief hoog. Dit voorjaar was het niet te
droog, de predatiedruk was
(gevoelsmatig) aan de gemiddelde kant. De oostelijke nesten werden
doelwit van vermoedelijk een vos, de percelen 13 waren gevoelig voor kraaien en
een hermelijn. De percelen 15 waren vooral de oudervogels het doelwit van een
slechtvalk of havik. Toch kwamen, met uitzondering van de drie nesten op de
percelen 11, de meeste nesten gewoon uit.
In
grafiek 1 staat het aantal gevonden nesten en het daarbij behorende lot
weergegeven.
Grafiek 1: lot 24 gevonden kievitsnesten De Dulf
2010
Uit=(deels uitgekomen nesten), V= door ouderpaar
verlaten nesten, P (m) = Predatie door marterachtige of vos, P(a) = predatie
anders dan door kraaien of marterachtige, P (k) = predatie door kraaien; onb=onbekend of (late) legsel nog is uitgekomen of gepredeerd

Op basis
van gevonden nesten en getelde (potentiële) broedvogels hebben er in het
aangewezen onderzoeksterrein Janssenstichting
(percelen K2, K3, K4 en
K6) dit voorjaar circa 21-24 broedparen van de kievit één of
meermalen gebroed. Dit aantal loopt weer in de pas met dat van 2007 en 2008.
Bij de tellingen van deelgebieden in de regio moet echter rekening worden
gehouden met overlap omdat er tijdens het broedseizoen stellig dispersie van
broedvogels met vervolglegsels optreedt.
Net als vorig jaar, waren de broedresultaten goed al was de predatiedruk toch
tamelijk groot. Ondanks het koude voorjaar kwamen de eerste legsels eind april
uit. Ook dit jaar kon worden vastgesteld dat er van deze vroege nesten een
aantal succesvol de kuikenfase zijn ingegaan. Op perceel K4 dat voor een
gedeelte uit schapenland met distelgroei bestaat, werden in mei opvallend veel
grotere kievitskuikens waargenomen.
Grafiek 2: lot 34 gevonden
kievitsnesten Janssenstichting 2010
___________________________________________________________________
BROEDVOGELS
Het
onderzoek spitst zich toe op broedgedrag, prestaties, dispersie en trekgedrag
van individuele broedvogels. Daarmee is dit ook het belangrijkste onderdeel.
In het kader
van dit verslag wordt volstaan met vermelding van diverse feitelijkheden. Na
een uitgebreide analyse van de verkregen jaarrapportages, zullen de gegevens
uiteindelijk dienen voor een integrale wetenschappelijke analyse van het totale
onderzoek.
Het lang
aanhoudende winterweer zorgde er voor dat de broedvogels later arriveerden dan
gemiddeld in voorgaande jaren. Op 23 februari werden voor het eerst wat
serieuze groepjes kieviten rondom de rijksweg A7, ter hoogte van het zandwingebied
te Nij Beets, waargenomen.
Een paar dagen later, het ijs is dan nog lang niet uit de sloten
verdwenen, zitten er ook tientallen kieviten in de Dulf
maar er wordt dan nog geen enkele vogel met (kleur)ringen waargenomen. Op
zaterdag 27 februari wordt de eerste kievit met kleurringen gesignaleerd. De
vogel kon niet worden gedetermineerd. Pas op 18 maart werden de eerste eigen
broedvogels met zekerheid vastgesteld. Vrouwtje groen H1 dat toebehoort aan de geloggerde man witblauw laat zich zien op de percelen 11 in
de Dulf. Net als vorig jaar de eerste broedvogel die opduikt , zij het dat haar partner niet is teruggekeerd. Het
oud bekende vrouwtje geel A1 scharrelt op 18 maart ook tussen de maïskolven in
de Janssenstichting rond. Ook het mannetje rood H5 is
weer present. Enkele dagen daarna werd ook het geloggerde
vrouwtje oranjeblauw gespot waarna ook weer vastgesteld is dat dit paar weer
aan elkaar was verbonden.
De
(vroege) broedvogels kwamen dit jaar enkele weken later op gang.
In beide
studiegebieden worden de eerste legsels eind maart en begin april gevonden. In
de Janssenstichting zijn dan al wel wat eitjes
geraapt als gevolg van een (korte) raapperiode. Op 25 april kwam het eerste
nest in de Janssenstichting uit. Op 23 maart het
eerste op perceel 11D in de Dulf. De nestinhoud werd
tijdens het uitkomen meteen opgepeuzeld. Vermoedelijk is de predator een vos
geweest. Later in het seizoen werd namelijk een bewoond hol ontdekt
langs het Koningsdiep ter hoogte van de percelen 11.
In de
directe omgeving van de Dulf en de Janssenstichting vestigden zich weinig broedvogels. Langs
de Riperwâlden, ten zuiden van de Dulf,
was duidelijk minder activiteit dan in de voorgaande jaren. In het
noordoostelijk deel van de Janssenstichting trok
maïsland echter nog wel een flink aantal broedparen. Van afstand werden geen ge(kleur)ringde vogels in deze randgebieden waargenomen.
Alleen op een perceel grasland ten zuiden van de Janssenstichting
en ten noorden van de percelen 13 in de Dulf werd een
mannetje met metalen ring gesignaleerd. Datzelfde gold op een perceel maïsland
aan de Beetsterdyk, ten oosten van de zandwinput te Nij Beets. Het gaat hier mogelijk
om pullen uit voorgaande jaren maar het kunnen natuurlijk ook vogels zijn welke
door andere ringers (elders)
werden voorzien.
De onder
water gezette polder annex percelen 14 herbergt dit voorjaar vooral veel
eenden. In en rond de half onder water gelopen percelen 13 scharrelen dit
voorjaar meer potentiële broedvogels rond. De watersituatie is dit jaar
duidelijk anders dan in de voorafgaande jaren. Dat heeft ook te maken met de
aanhoudende vorst waardoor duikers en dammen lang dichtgevroren bleven.
Het is
echter vooral het plasdras perceel aan de Janssenstichting
waar de (vroege) kieviten zich dit voorjaar ophouden. Op dit perceel worden dan
ook de meeste broedvogels uit voorgaande jaren voor het eerste teruggezien dit
voorjaar. Zelfs het geloggerde vrouwtje oranjewit
wordt hier enkele malen waargenomen terwijl deze vogel langs de, veel
zuidelijker gelegen, Riperwâlden tot broeden komt.
___________________________________________________________________
In totaal werden er slechts 10 broedvogels van de 33 vorig
jaar (2009) nog aanwezige vogels terug gezien. Daar onder 2 geloggerde
vogels van 6 die er vorig jaar nog werden waargenomen. Er moet andermaal worden
geconstateerd dat er veel broedvogels (70 procent) al na één jaar uit beeld
verdwijnen!
Zeker is dat een aantal broedvogels niet trouw is aan het
broedgebied. Oorzaak is vermoedelijk het slechte broedresultaat dat vogels
jaarlijks behalen.
Maar wat dit jaar ook opvalt, is dat de teruggekeerde
vogels allen (!) vogels zijn die in de jaren daarvoor ook al op het toneel
verschenen. Daarbij zijn de broedvogels uit de Janssenstichting
met 8 van de 12 sterker vertegenwoordigd dan die uit De Dulf.
Van de 13 vogels die vorig jaar nieuw werden geringd in de Dulf, kwam dit jaar geen enkele terug. De vangsten van
broedvogels bevestigen dat beeld, de meeste broedvogels konden op basis van het
verenkleed als tweedejaars vogel worden gedetermineerd.
Er werden twee gekleurmerkte
kievitvrouwen uit 2004 en 2008 waargenomen welke in 2009 niet werden gespot.
Het betreft vrouwtje rood E4 dat op 1 mei 2004 werd geringd in perceel 15C in
de Dulf en dit jaar op 24 maart weer (eenmalig) werd
gezien tussen pleisterende vogels op perceel 13D. Dit vrouwtje broedt
vermoedelijk buiten de proef- en randzones. Het vrouwtje groen H9 werd in 2008
op perceel 12A tijdens het broeden van kleurmerken voorzien. Vorig jaar was dit
vrouwtje niet van de partij terwijl ze nu weer als broedvogel present was op
hetzelfde perceel.
Het vrouwtje met datalogger en kleurcombinatie oranjewit
werd dit jaar weer als broedvogel aan de Riperwâlden
getraceerd. Vorig jaar was deze kievit nergens als broedvogel te bekennen nadat
ze wel een enkele keer als pleisteraar opdook in de Dulf.
Vrouwtje rood N1 werd vorig jaar als broedvogel aan de Riperwâlden getraceerd. Toen ook kreeg ze de kleurringen
want het betrof een als pullus geringde vogel (2001) uit de Dulf.
Dit jaar kwam dit vrouwtje terug naar haar geboortegebied om er te broeden. Het
bleef echter bij een broedpoging want het nest op perceel 15B werd eind april,
na drie weken broeden, leeggeroofd waarna deze broedvogel uit de Dulf verdween.
Wat dat betreft is het geloggerde
vrouwtje oranjeblauw erg plaatstrouw. Ondanks herhaalde predatie van het nest
blijft dit vrouwtje het (jaarlijks) proberen op nagenoeg dezelfde plekken van
perceel K3 in de Janssenstichting.
Ook dit jaar werd het vermoeden bevestigd dat partners
elkaar jaarlijks eerst ontmoeten in de territoria. In de Janssenstichting
werd het mannetje rood H5 eerder opgemerkt dan het bijbehorende vrouwtje met
datalogger en kleurencombinatie oranjeblauw.
Het groen geringde vrouwtje H1, dat na anderhalve week
ogenschijnlijk wachten op haar partner uit 2008 en 2009 met blauwwitte
kleurcombinatie, verkoos uiteindelijk een ander mannetje.
Tabel Terugmeldingen van in voorafgaande jaren gemerkte vogels (Dulf 2008-2010)
|
Kleurcomb |
geslacht |
00 |
01 |
02 |
03 |
04 |
05 |
06 |
07 |
08 |
09 |
10 |
|
Geel N1 |
Vrouw |
|
|
X |
O |
O |
O |
- |
O |
O |
O |
- |
|
Geel A1 |
Vrouw |
X |
- |
O |
O |
- |
- |
- |
O |
O |
OO |
O |
|
Geel H1 |
Vrouw |
X |
- |
- |
O |
- |
- |
- |
- |
O |
- |
- |
|
Geel N2 |
Vrouw |
|
|
X |
O |
O |
O |
- |
- |
O |
O |
- |
|
Rood E7 |
Man |
|
|
|
|
|
|
|
X |
O |
- |
- |
|
Rood E8 |
vrouw |
|
|
|
|
|
|
|
X |
O |
- |
- |
|
Groen E9 |
Vrouw |
|
|
|
|
|
|
|
|
X |
O 1) |
- |
|
Groen A8 |
Vrouw |
|
|
|
|
|
|
|
X |
O |
O 2) |
- |
|
Groen H3 |
Vrouw |
|
|
|
|
|
|
|
|
XX |
O |
- |
|
Groen E7 |
Vrouw |
|
|
|
|
|
|
|
|
X |
O |
- |
|
Groen H1 |
Vrouw |
|
|
|
|
|
|
|
|
X |
O |
O |
|
Groen E1 |
Vrouw |
|
|
|
|
|
|
|
X |
O |
O |
O |
|
Rood H5 |
Man |
|
|
|
|
|
|
|
|
X |
O |
O |
|
Groen A6 |
Man |
|
|
|
|
|
|
|
X |
O |
O |
- |
|
Groen E4 |
Vrouw |
|
|
|
|
|
|
|
X |
- |
O |
- |
|
Metaal * |
Man |
|
|
|
|
|
|
|
|
X |
O |
- |
|
Metaal* |
Vrouw |
|
|
|
|
|
|
|
|
X |
O |
- |
|
Rood N1 |
Vrouw |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
X** |
O |
|
Groen H9 |
Vrouw |
|
|
|
|
|
|
|
|
X |
- |
O |
X=jaar waarin de vogel werd geringd (voor het eerst
werd waargenomen)
O=jaar waarin de geringde vogel terug werd gezien.
Groen gedrukt is De Dulf,
rood gedrukt is Janssenstichting
*ringnummers afgelezen van 2
geringde broedvogels die alleen een metalen ring kregen
**geringd als broedvogel in
de Riperwâlden maar in 2001 als pullus in de Dulf al voorzien van metalen ring
1) als broedvogel in 2009 langs de Riperwâlden op
2) in Dulf als pleisteraar
gezien, broedend zuidelijk gedeelte Janssenstichting
|
Combinatie
(L/R) |
Geslacht |
2007 |
2008 |
2009 |
2010 |
Geel-wit/log
|
Vrouw |
X |
- |
- |
- |
Log/blauw-wit
|
Vrouw |
X |
- |
- |
- |
Groen-wit/log
|
Vrouw |
X |
- |
- |
- |
Groen-geel/log
|
Vrouw |
X |
- |
- |
- |
Log/wit-geel
|
Vrouw |
X |
- |
- |
- |
Log/blauw-blauw
|
Vrouw |
X |
- |
- |
- |
|
Log/zwart-blauw |
Man |
X |
- |
- |
- |
|
Log/blauw-groen |
Vrouw |
X |
- |
- |
- |
Log/zwart-groen
|
Vrouw |
X |
- |
- |
- |
Geel-oranje/log
|
Vrouw |
X |
- |
- |
- |
Blauw-oranje/log
|
Vrouw |
X |
- |
- |
- |
Zwart- wit /log (m)
|
Man |
X |
O |
O* |
- |
log/wit-blauw(m)
|
Man |
X |
O |
O (g) |
- |
log/oranje-wit (v)
|
Vrouw |
X |
O |
O* |
O (g) |
|
wit-groen/log (m) |
Man |
X |
O |
- |
- |
|
wit-oranje/log (v) |
Vrouw |
X |
O |
- |
- |
Groen-oranje/log (v)
|
Vrouw |
X |
O |
- |
- |
geel-groen (v)
|
Vrouw |
X |
O/E |
- |
- |
|
Oranje-zwart/log |
Vrouw |
|
X |
- |
- |
Oranje-oranje/log
|
Vrouw |
|
X |
- |
- |
Blauw-geel/log
|
Vrouw |
X |
- |
- |
- |
log/oranje-geel (v)
|
Vrouw |
X |
O |
- |
- |
geel*-blauw/log
(v)
|
Vrouw |
X |
O |
O (g) |
O (g) |
Groen-groen/log(v)
|
Vrouw |
X |
O |
- |
- |
|
log/geel-geel (v) |
Vrouw |
X |
O/E |
- |
- |
|
wit-wit/rechts (v) |
Vrouw |
X |
O |
O (g) |
- |
|
log/zwart-geel (v) |
Vrouw |
X |
O |
O** |
- |
|
oranje-groen/log (v) |
Vrouw |
X |
O |
- |
- |
Log/zwart-oranje
|
Vrouw |
|
X |
- |
- |
X=jaar waarin de
vogel werd geringd (voor het eerst werd waargenomen)
O=jaar waarin de
geringde vogel terug werd gezien. E=vogel is ziek
(mank, mist poot, etc).
Groen gedrukt is De Dulf, rood
gedrukt is het proefgebied Janssenstichting; zwart
gedrukt= buiten proefgebied (Riperwâlden); * niet als
broedvogel aangetroffen, **logger werd in 2008 afgenomen
(g)=vogel werd dit jaar teruggevangen de loggergegevens
werden ingelezen
___________________________________________________________________
Van pulli is bekend (onderzoek Roodkerk Bil & Schuurs
1990-1998) dat ze als broedvogel weinig op hebben met hun geboortegrond. De
meeste pullen zoeken een broedplek op een andere plek. Weliswaar een schaars
aantal meldingen van als pull geringde broedvogels, kwam uit broedgebieden op
20 tot 100 kilometer afstand. Maar af en toe gebeurde het ook dat een pullus
toch in het geboortegebied als broedvogel opdook. Dit fenomeen deed zich dit
jaar ook tweemaal voor. Het gaat om twee uiteenlopende feitelijkheden. Vrouwtje
rood N1 werd op 19 mei 2001 bij toeval als pullus geringd op perceel 15D in de Dulf. Vorig jaar werd dit vrouwtje voor het eerst gesignaleerd
op een perceel maïsland aan de Riperwâlden. Omdat het
nummer van afstand niet kon worden afgelezen, werd dit vrouwtje gevangen. Omdat
het een jong uit de Dulf betrof, werd deze voorzien
van kleurmerken. En dat was een goede beslissing want uitgerekend dit vrouwtje
meldt zich dit voorjaar op perceel 15B in de Dulf. En
dat is vlakbij het perceel waar ze in 2001 werd geringd. Het is echter heel
goed mogelijk dat ze op ditzelfde perceel werd geboren want in 2001 werd dit
niet geconstateerd vanwege een noodzakelijke break out in het project omdat er
bij koeien Mond en Klauwzeer in de regio was geconstateerd.
Perceelsgetrouw
was er bij een vorig jaar als pullus geringd vrouwtje in de Janssenstichting
zeker wel. Deze kievit werd al op 26 april 2009 als vroeg geboren pullus
voorzien van een ringetje. Dit ei kwam als derde uit die dag: des ochtends om
10 uur werden al 2 jongen in dit nest geringd, de avond om 18 uur dit jong
terwijl er nog 1 ei niet uit was. Juist dit kievitsjong van 2009 kwam dit jaar
al meteen weer terug als (succesvolle) broedvogel op exact hetzelfde maïsland!
Ook deze
kievit werd gevangen en nu voorzien van kleurmerken.
___________________________________________________________________

Ondertussen
is uit het onderzoek van voorgaande jaren meer en meer duidelijk geworden dat
broedparen uit hun broedterritorium vertrekken wanneer het legsel (in een later
stadium) wordt geroofd. Zeker wanneer dat broedterritoir onaantrekkelijk wordt
vanwege opgeschoten vegetatie. Dat verschijnsel doet zich jaarlijks sterk voor
in de Dulf. Tengevolge van het winterweer werd de
grasgroei dit voorjaar vertraagd waardoor er een enkel vervolglegsel kwam op
perceel 13A. Sommige paren volharden wanneer het broedsel verloren gaat in hun
eenmaal uitverkoren broedterritorium, andere vertrekken na een of meer
broedpogingen om elders, dat wil zeggen op wel 1 of 2
kilometer afstand, het opnieuw te proberen. Daarbij is pas ingezaaid maïsland
vooral in trek. De meeste vogels die in de Dulf een
nest verloren zagen gaan, vestigden zich op maïsland dat op ongeveer een
kilometer westelijk van de Dulf, aan de Riperwâlden en de Dûker bevindt.
Enkele
van de vorig jaar geconstateerde onderzoeksfeiten kregen dit jaar een vervolg.
De drie
oude bekende vrouwtjes met gele kleurringen uit de jaren 2000 en 2002 zetten
ons vorig jaar aan het denken. Alle drie vrouwtjes lieten weer mooi van zich
horen en ook netjes op de plekken waar ze de voorafgaande jaren als broedvogel
werden aangetroffen. Maar gek genoeg verdwenen ze ook alle drie weer zonder dat
er een (volledig) legsel werd gevonden. De vraag was: zouden de partners niet
meer teruggekeerd zijn waardoor de trouwe vrouwtjes nu hun heil ergens anders
gingen zoeken? Daarover is jammer genoeg geen duidelijkheid omdat de partners
geen merktekens kregen. De (buur)vrouwtjes N1 en N2 uit het deelgebied de Mouwe van de Dulf werden na een
paar waarnemingen in april naderhand niet weer teruggezien. Opmerkelijk is dat
deze trouwe buurvrouwen ook dit jaar niet meer werden waargenomen. Het
vermoeden wordt gevoed dat de slechtvalk (en/of havik) die juist in dit
deelgebied zeer actief is, ook wel eens toegeslagen zou kunnen hebben. Er
werden vorig jaar al veren gevonden van adulte vogels
die wezen op predatie. Een toen nog aan toeval toegeschreven mogelijkheid wordt
nu sterker nu de kans erg groot is dat deze vrouwtjes niet meer in leven zijn.
Vorig
jaar werd het oud(st)e (project)vrouwtje A1 op 4
april voor het laatst gespot op perceel K4 (ze hoorde de laatste jaren thuis op
K3 en werd daar van 13 maart tot 2 april ook een paar keer waargenomen).
Mogelijk dat ze een of meer eieren had voor 22 maart en dat die werden geraapt.
Ruim anderhalve maand later, te weten op 25 mei 2009, duikt dit vrouwtje
plotseling op langs de Hanenburg, op een pas ingezaaid perceel maisland waar ze een (nieuw) nest maakte. Dit perceel ligt
op een kilometer ten zuiden van de Janssenstichting
en ook op
Dit jaar
broeden er 27 gemerkte vogels in de Dulf en in de Janssenstichting. Net als vorig jaar werden er geen nieuwe
kleurmerken meer gebruikt in het deelgebied Janssenstichting.
Ook werden er in 2010 geen dataloggers meer toegepast of vervangen. Er werden
dit jaar nog slechts twee kieviten met een datalogger aangetroffen. Van deze 2 geloggerde vrouwtjes kwam er één tot broeden in de Janssenstichting en één buiten de proefzones, te weten op
maïsland aan de Riperwâlden.
In totaal
werden er nog 17 kieviten (13 vrouwtjes en 4 mannetjes) voorzien van
kleurringen. Eén, bij wijze van uitzondering, in de Janssenstichting
(nest 9, perceel K3, vrouw rood R). Dit vrouwtje werd vorig jaar als pull
geringd op hetzelfde perceel. Het is daarom interessant om na te gaan waar deze
deze broedvogel, die het geboortegebied trouw is
gebleven, zich (de komende jaren) ophoudt. Daarnaast werden er 11 kieviten (10
vrouwtjes en 1 mannetje) aangetroffen die al van (kleur)ringen waren voorzien
in de voorafgaande jaren.
Van 24 ge(kleur)merkte vogels zijn de nestresultaten bekend.
Hiervan zijn er echter vijf nesten waarvan man en
vrouw werden gekleurmerkt. Zodoende gaat het totaal
om 19 nesten. In totaal waren 14 nesten van deze gemerkte vogels succesvol.
Vijf nesten van gekleurmerkte vogels werden gepredeerd. Van de geringde paartjes waren 3 paartjes niet
(direct) succesvol en 2 paartjes waren dat wel.
Tabel Overzicht broedprestaties van (terug)gevangen gemerkte
kieviten 2010
G=gebied: D=Dulf, K=Janssenstichting,
Gv= indien
X:vogel werd
in 2010 (terug)gevangen. Kleurmerken=kleurcodes
aan linker & rechter tibia, g=geslacht
|
G |
Gv |
Kleurmerken
|
g |
Nestnr |
Nestprestatie |
|
D |
|
Groen H1 |
V |
- |
Predatie tijdens uitkomst |
|
K |
|
Rood H5 Oranjeblauw/log |
M |
meer |
Herhaalde broedpogingen |
|
K |
X |
V |
|||
|
K |
|
Geel A1 |
V |
- |
Onbekend |
|
K |
|
Groen E4 |
V |
- |
Onbekend |
|
K |
|
Groenrood E1 |
V |
15 |
Uitgekomen |
|
D |
|
Rood E4 |
V |
- |
onbekend |
|
K |
|
-/zwge |
V |
13 |
Uitgekomen |
|
D |
|
Rood N1 |
V |
14 |
Predatie, vertrokken naar elders |
|
K |
X |
Log/oranjewit |
V |
- |
Uitgekomen, 4 kuikentjes geringd |
|
D |
X |
Groen H9 * |
V |
11 |
Predatie |
|
K |
X |
Rood R- |
V |
9 |
30 april, uitgekomen |
|
D |
X |
Rood N4 |
V |
02 |
25 april, uitgekomen |
|
D |
X |
Rood N2 Rood N7 |
M |
03 03 |
25 april, uitgekomen |
|
D |
X |
V |
|||
|
D |
X |
Rood N6 Rood N8 |
M |
05 05 |
25 april, uitgekomen |
|
D |
X |
V |
|||
|
D |
X |
Rood N5 |
V |
06 |
26 april, uitgekomen |
|
D |
X |
Rood N3 |
V |
09 |
30 april, uitgekomen |
|
D |
X |
Rood N9 |
V |
12 |
30 april, predatie |
|
D |
X |
Rood R1 Rood R2 |
M |
15 15 |
30 april, predatie |
|
D |
X |
V |
|||
|
D |
X |
Rood R4 Rood R5 |
M |
17 17 |
12 mei, predatie |
|
D |
X |
V |
|||
|
D |
X |
Rood R3 |
V |
20 |
5 mei, uit |
|
D |
X |
Rood R6 |
V |
21 |
20 mei, uit |
|
D |
X |
Rood R8 |
V |
22 |
18 mei, uit |
|
D |
X |
Rood R7 |
V |
24 |
3 juni, uit |
___________________________________________________________________
Naast een
paar nesten waarvan in voorafgaande jaren al de beide partners werden gevangen
werd ook dit jaar nog een echtpaar nieuw van ringen voorzien. Het betreft nest
24 op perceel
Dit jaar
is wederom partnertrouw gesignaleerd bij liefst drie nesten. De broedvogels van
deze nesten werden in voorafgaande jaren voorzien van ringen en kwamen nu allen
op dezelfde percelen wederom tot broeden. Opmerkelijk daarbij is dat er bij één
van deze paartjes (man rood H5, vrouw geel(oranje)-blauw/logger)
vorig jaar geen sprake was van broedsucces terwijl dus nu dezelfde partner werd
gekozen en zelfs hetzelfde plekje op hetzelfde perceel maïsland! Dit percentage
is hoog gegeven de grote uitval aan broedvogels van jaar op jaar.
Op
perceel K2 werden van nest 17 vorig jaar zowel het vrouwtje als het mannetje
voorzien van een metalen ring. Dit nest kwam op 18 mei van dat jaar uit. Dit
jaar werd door hetzelfde paartje op nagenoeg dezelfde plek (en toevallig ook
weer nest 17) een nest gemaakt dat ook is uitgekomen, zij het al 10 dagen
eerder dan vorig jaar. Het paar is succesvol want enkele weken na het uitkomen
werden nog 2 grote pulli waargenomen waar
uiteindelijk nog één van dood werd gevonden op K3. Ook in de Dulf dit jaar een trouw echtpaar uit 2008, te weten het
mannetje witblauw/logger en het vrouwtje groen H1. Vorig jaar werd met succes
een nest uitgebroed op perceel 11D (3 pulli op 2
mei), dit jaar mislukken twee nesten respectievelijk op perceel
Partnerontrouw
kon dit jaar niet worden vastgesteld.
___________________________________________________________________
Zeer
opvallend is het dat broedvogels van jaar op jaar slechts mondjesmaat
terugkeren in de Dulf. Dit jaar kwam er zelfs geen
enkele broedvogel die in 2009 nieuw werd aangetroffen weer terug als
broedvogel! Eén vrouwtje (groen H1) droeg ringen uit 2008 en het vrouwtje met
rood N1 kwam dit jaar terug op het perceel
Er werden
13 nieuwe broedvogels van een ring voorzien. Het gaat om de oudervogel(s) van
totaal 9 nesten. Van vier nesten werden namelijk beide partners gevangen en
geringd. Het gebied lijkt, zoals vorig jaar al min of meer werd geconstateerd
in trek bij vogels die voor het eerst gaan broeden. Meer dan de helft van de
broedvogels was een jong (van elders) uit 2009.
Vermoedelijk heeft dat te maken met de aantrekkingskracht dat het gebied heeft
op potentiële broedvogels. De percelen 14A en dit jaar ook een aantal percelen
rond dit centrale gedeelte, lagen deels onder water. Dat trekt pleisterende
vogels. Een klein deel hiervan blijft uiteindelijk hangen. Dat laatste is
vooral ook te danken aan de betere uitstraling die het gebied heeft nadat (te)
ruige percelen de laatste jaren grondig werden aangepakt.
Bij
vogels in de hand is meestal goed te zien of het om overjarige vogels gaat of
om vogels van (nog g)een jaar oud. De pennen groeien nadat de vogel uit het
nest komt allemaal gelijk op waardoor er geen kleur (en slijtage)verschil is
ontstaan doordat de ene pen al in juni tevoorschijn komt en de andere pas in augustus.
Dat laatste doet zich namelijk voor bij vogels die al twee jaar of ouder zijn,
deze ruiden in de voorafgaande zomer gedurende enkele maanden (alle) armpennen.
Door de invloed van het felle zonlicht in deze maanden zijn latere pennen
zwarter gekleurd dan de pennen die al in juni tevoorschijn komen. Deze zijn
vaak al wat bruin verkleurd en meer gesleten. Bij gedeeltelijke rui (het deels
vervangen van de armpennen) is het verschil vanzelfsprekend nog veel groter. De
laatste 3 kieviten werden op 11 en 13 mei gevangen. Geen van de gevangen
broedvogels was (nog) in actieve slagpenrui.
Tabel Slagpengeneraties,
formule en vleugellengte van 20 gevangen Kieviten 2010
Verklaring codes voorbeeld: N2,m2,n3; -/-/t/t/-/-/-/-/-/-(230)
N2=kleurcode op de ring=>i.c. rood N1;
m=geslacht(m=man,v=vrouw), 2=leeftijd (2=tweede kalenderjaar,n2=ouder dan
tweede kalenderjaar),n3=nestnummer=>i.c. nestnummer 3/Jansst=in
deelgebied Janssenstichting/Riperwâlden=buiten
proefgebied;-/-etc/=afstand handpen 1 rsp. 2, 3 (etc- van buiten naar binnen genummerd) handpen
t.o.v top (=t) top is
langste handpen, (230)=vleugellengte gestrekt=>
i.c. 230 mm.
|
N2,m2,n3; -/-/t/t/-/-/-/-/-/-(230) |
|
N4,v2,n2;t/t/7/19/29/40/53/70/82/-(226) |
|
|
|
|
|
|
|
N6,m2,n5;22/5/t/t/2/7/17/30/46/65(239) |
Orbl,vn2,Janst;-/-/-/-/-/-/-/-/-/-(-) |
N7,v2,n3;6/t/4/13/27/36/51/64/78/91(222) |
N8,v2,n5;2/t/2/12/24/36/50/64/77/16(226) |
|
|
|
|
|
|
H9,vn2,n11;-/-/-/-/-/-/-/-/-/-
(-) |
N9,vn2,n12;5/t/2/7/14/21/34/46/63/85(236) |
R1,m2,n15;8/t/t/8/16/26/39/50/65/81(222) |
R2,vn2,n9;7/t/2/15/26/38/52/67/79/94(231) |
|
|
|
|
|
|
Rmet,v2,Janssenst -/-/-/-/-/-/-/-/-/-(230) |
R3,vn2,n20;6/t/4/17/28/38/51/64/78/91(223) |
Orwi,vn2,Riperwâlden -/-/-/-/-/-/-/-/-/-(-) |
R4,mn2,n17;t/t/t/3/8/16/29/47/69/21(234) |
|
|
|
|
|
|
R5,vn2,n17;11/t/1/6/-/-/-/-/-/-(231) |
R6,v2,n21;-/-/-/-/-/-/-/-/-/-(215) |
R7,vn2,n24;9/t/2/6/14/26/38/53/69/84(222) |
R8,v2,n22;t/2/8/21/31/43/55/66/81(218) |
|
|
|
|
|
Met
betrekking tot het gemeten gewicht viel het op dat er geen grote verschillen
werden gemeten. Het gewicht schommelde tussen de 207 en 250 waarbij ook geen
opvallend onderscheid tussen de geslachten.
___________________________________________________________________
LoggerinformatieIn voorgaande
jaren werden er in totaal 27 broedende kieviten in de proefgebieden van een
speciale datalogger voorzien. Het kwikbatterijtje van de datalogger gaat
minimaal 2 jaar mee.
Het is
dus nodig dat broedvogels binnen één of twee jaar worden terug gevangen. Een
(of meer) jaar later kan ook maar enerzijds is dat niet nodig vanwege de
levensduur van het batterijtje en aan de andere kant neemt de kans op dispersie
c.q. mortaliteit na langere tijd alleen maar toe. Kortom, ook dit voorjaar was
het nodig dat er een maximale inzet was om geloggerde
broedvogels te traceren en, zo mogelijk, terug te
vangen op het nest. Het resultaat viel ondanks de grote (tijds)inspanning
tegen. Er werden nog maar twee vogels met een datalogger waargenomen die
uiteindelijk beide werden gevangen en ingelezen. De opgeslagen data geven niet
meteen inzicht in het verblijf van de broedvogel. Pas wanneer met behulp van
speciale software de talloze (op chip) opgeslagen getallen zijn geanalyseerd,
kan er een beeld worden verkregen waar (op welke noord/zuid- en oost/west
breedte) de kievit zich (globaal) heeft opgehouden.
Na het
vangen van deze laatste 2 kieviten kan de balans worden opgemaakt van de
uiteindelijk verkregen data van 27 geloggerde
kieviten.
Tabel Tijdspanne van verkregen
informatie uit dataloggers 2007-2010
G=geslacht, Gb=gebied (D=Dulf,K=Janssenstichting)
|
Datalogger
kleurcomb |
G |
Gb |
2008 |
2009 |
2010 |
|
GRO-ORANJE |
V |
D |
XXXXXXXXXXXX |
|
|
|
WIT-ORANJE |
V |
D |
XXXXXXXXXXXX |
|
|
|
ZWART-GEEL |
V |
K |
XXXXXXXXXXXX |
|
|
|
WIT-GROEN |
M |
D |
XXXXXXXXXXXX |
|
|
|
BLAUW-WIT |
M |
D |
XXXXXXXXXXXX |
XXXXXXXXXXXX |
|
|
WIT-WIT |
V |
K |
XXXXXXXXXXXX |
XXXXXXXXXXXX |
|
|
ORA-BLAUW |
V |
K |
XXXXXXXXXXXX |
XXXXXXXXXXXX |
XXXXXXXXXXXX |
|
ORA-WIT |
V |
D |
XXXXXXXXXXXX |
XXXXXXXXXXXX |
XXXXXXXXXXXX |
|
XXXXXXXXX |
Informatie
correct ingelezen over afgelopen jaar, logger voortijdig afgenomen |
||||
|
XXXXXXXXX |
Informatie
correct ingelezen over voorafgaand jaar (vogel in betreffende
jaar niet gevangen doch een of twee jaar later) |
||||
|
XXXXXXXXX |
Informatie
niet langer verkregen: logger defect geraakt |
||||
|
XXXXXXXXX |
Informatie
correct ingelezen over dat jaar (vogel in dat jaar dus gevangen) |
||||
Van de
verblijfplekken gedurende de vier jaargetijden!

De eerste
gegevens, naar aanleiding van een eerste globale analyse (Dr. Eichhorn) van de
terugvangsten in 2008, wijzen op interessante informatie! In juni 2010 is
tijdens een speciale persconferentie kond gemaakt van de voorlopige uitkomsten
van één jaar. Hierna volgt een korte uiteenzetting van de persvoorlichting.
Het onderzoek met dataloggertjes
heeft uitgewezen dat kieviten uit dezelfde broedkolonie bij Nij
Beets er totaal verschillende winterkwartieren op na
houden. Met behulp van de dataloggertjes, ontwikkeld door de ‘British Antarctic Survey’ uit Engeland,
zijn er vanaf 2007 totaal acht kieviten een aantal jaren gevolgd. De techniek
is gebaseerd op het registreren van nauwkeurige dagelijkse tijd- en
lichtmetingen. Deze worden op het dataloggertje ingebouwd chipje opgeslagen. Na
terugvangst van het loggertje kunnen de metingen worden uitgelezen en vertaald
in geografische coördinaten.
Wat nu blijkt is dat onze ljippen deels naar Engeland trekken. Een ander deel trekt
naar Portugal en verblijft ook slechts heel kort in Frankrijk. Eén van de acht
vogels hield zich langer op in Bretagne in het zuidwesten van Frankrijk. Maar
er was er ook eentje die de winter volledig langs de Noordzeekust doorbracht.
Mogelijk een nieuwe trend wanneer de meeste winters zacht blijven.
___________________________________________________________________
Tabel
Eerste
globale analyse van trekbewegingen geloggerde
kieviten
(ORWI=vogel met kleurringcombinatie
ORANJE(boven)WIT aan tarsus, Left
North Sea= datum waarop de vogel
vermoedelijk de (Nederlandse) kust langs de Noordzee verliet en “Back to ..” wanneer de vogel weer opdook langs de kust. “For
wintering in” omvat een omschrijving waar de geloggerde
kievit zich gedurende enkele wintermaanden als eindstation heeft opgehouden.
Bij remarks staat onder andere een aantal opmerkingen
dat verwijst naar andere figuren welke werden gepresenteerde tijdens de
perspresentatie op 16 april 2010.
Van
kievitman ‘witblauw’ staan de gegevens niet in de tabel omdat deze (vanwege een
defect geraakte logger)pas later konden worden verwerkt.
Wat vooral opvalt, is dat de kieviten maar voor
korte tijd uit Nederland verdwijnen. Het gros verdwijnt pas eind november of
zelfs in december van de Nederlandse zeekust om al weer snel (eind februari)
terug te keren naar het broedgebied in Nij Beets. Van kievitman is zelfs duidelijk dat deze niet
verder is getrokken dan de (Nederlandse) Noordzeekust.
Deze voorlopige conclusies kunnen
worden getrokken uit een eerste analyse van de verkregen data uit het project
te Nij Beets. Een
uitgebreide analyse over alle gegevens van de afgelopen drie jaren zal volgen
waarbij ook duidelijk zal worden of de trekpatronen jaarlijks gelijk zijn. Een
aantal vogels werd namelijk in meerdere jaren (na wisselend winterweer)
teruggevangen. Gegevens van opvolgende winters moeten nog in kaart worden
gebracht!
Na afloop van alle analyses zal
er een uitgebreid artikel in de internationaal wetenschappelijk vakliteratuur
over dit onderzoeksproject verschijnen.
___________________________________________________________________
Los van de verkregen data
uit de dataloggertjes kwam er het afgelopen jaar geen enkele terugmelding
binnen van ge(kleur)ringde kieviten.
___________________________________________________________________
In de Janssenstichting
werden dit jaar geen pullen meer geringd. Een uitzondering op deze regel
vormden de jongen van nest 9 op K3. Van dit nest bleek het broedvrouwtje vorig
jaar als pull een ring te hebben gekregen. Dit gegeven kan nog meer
interessante informatie opleveren wanneer de jongen van dit vrouwtje ook weer
herkenbaar gemaakt worden. Deze vier jongen werden na
in het nest geringd te zijn dit voorjaar niet meer teruggezien. Op een
schapenperceel K4, betreft het grasgedeelte zuidelijk van een groot
maïsperceel, verbleven vanaf eind april een aantal paartjes met (grote)
kuikens. Dit grasperceel was in trek omdat het deels bestond uit
distelbegroeiing dat volop dekking bood aan de jongen. Van deze kuikens werden
er op 11 en 13 mei een vijftal geringd. . Biometrische
gegevens wijzen uit dat de jongen al 2 weken oud waren. Van 3 pullen kon de
groei gedurende enkele dagen worden gevolgd. Deze werden namelijk op beide
dagen (terug)gevangen.
Zelfs in de Dulf werd op 19 mei op perceel 15C nog een groter jong
aangetroffen dat hoogstwaarschijnlijk afkomstig is uit nest 5 van hetzelfde
perceel. Van dit nest werden de pullen niet geringd doch wel gesignaleerd dat
ze waren uitgekomen.
Rond perceel
In totaal werden er 25
pullen uit 9 nesten (24 direct na uitkomst) in de Dulf
van een ring voorzien.
Referentie elders
Buiten de beide
proefgebieden werden dit voorjaar ook circa 25 kievitpullen en een kleiner
aantal grutto’s en tureluurs geringd. Het blijkt een relatief goed broedseizoen
te zijn geweest voor weidevogels. De gevangen en geringde vogels werden in vogelrijke
gebiedjes langs de Peansterdyk onder Oldeboarn en aan de Haudmare in Luxwoude aangetroffen.
___________________________________________________________________

Op 27 april werd een
grutto met (oude) ring afgelezen op perceel 15D. Deze grutto bleek tien jaar
geleden, te weten op 26 mei 2000 als nestjong, op hooguit een paar honderd
meter afstand van deze plek geringd te zijn door Tseard
Hiemstra uit Surhuisterveen.
De vogel had een ietwat gekromde
snavel. Het leek overigens om een (nog) niet potentiële broedvogel te gaan.
Veel dank is verschuldigd aan de medewerking van de
eigenaren en beheerders van de proefgebieden. Voor de Dulf
is dat Staatsbosbeheer, vooral in de personen van Alexander Rozema en Piet
Huisman.
In 2007 kwam Jack Schuurs als (Menork) vrijwilliger het team van Staatbosbeheer
versterken. Hij heeft vooral veel energie gestoken in (agrarische)
herstelplannen voor de vitaliteit van de Dulf als
broedgebied voor weidevogels.
Voor de Janssenstichting
boer Koop Kooi die ons alle ruimte bood om het onderzoek op zijn landerijen te
kunnen doen.
Dankzij uitstekende samenwerking met Lieuwe Slager c.s., die de praktische
weidevogelzorg verrichten in een groot gebied langs de Janssenstichting
en Leppedyk te Nij Beets, konden de maïspercelen aan de Janssenstichting
met gebruikmaking van de talrijke veldgegevens aan het project worden
toegevoegd.
Niet in de laatste plaats dank aan de vaste
medewerkers van Menork (Oebele Dijk, Sander Veenstra en Theo Schuurs) en in het
bijzonder (zoon) Wender Bil die vaak van de partij
was.
Jack Schuurs, Willem Bil, januari 2011
___________________________________________________________________