Plaatstrouw, kleed- en geslachtskenmerken van in noord-Nederland overwinte­rende stormmeeu­wen  Larus canus

Vogelringstation Menork

WILLEM BIL & JAN DE JONG

 

Inleiding

Op een aantal (vaste) locaties in Friesland is vanaf het begin van de jaren 80 gedurende de winterperiode (15 november - 15 maart) door vogelringstation Menork onderzoek verricht naar het voorko­men en kleedkenmerken van de stormmeeuw larus canus.

Er bestaat specifieke interesse voor de stormmeeuw, enerzijds omdat de soort een tamelijk gecompliceerd winterkleed draagt en anderzijds omdat de soort hier ‘s winters vertegenwoor­digd is vanuit diverse populaties. Bijkomend voordeel is dat de soort zich vrij goed laat vangen althans in vorstperiodes waardoor er bruikbare informatie kan worden verzameld.

Dit artikel handelt over vier aspecten, te weten leeftijds- en geslachtskenmerken, plaatstrouw en de gemeten reproductie. Voor de studie naar de plaatstrouw is ook gebruik gemaakt van een vaste onderzoeksplek uit de regio, te weten in Surhuisterveen (ringer T. Hiemstra) van welke plek diverse stormmeeuwen werden gevangen en teruggevangen.

Teneinde de herkomst van de door ons onderzochte stormmeeuwen te toetsen aan de bestaande inzichten wordt volstaan met een korte inventa­risatie van terugmeldingen van kolonievo­gels uit het data-bestand van vogelringstation Menork.

 

Methode en locatie

Stormmeeuwen worden in het winterseizoen gevangen met behulp van slag­netten van diverse afmetingen. Bij het net wordt lokaas gestrooid. Bij voorkeur wordt lokaas gebruikt dat niet gemakkelijk door meeuwen te verplaatsen is zodat de dieren gedwongen worden om te blijven zitten. De resultaten van het vangen zijn inherent aan koudeperiodes. In een zachte winter is het aantal gevangen meeuwen te verwaarlozen, in een strenge winter daarentegen werden honderden meeuwen gevangen. In totaal werden er op 5 locaties, te weten Bergum (14%), Damwoude (7%), Lippenhuizen (6%), Molenend (63%) en Ouwsterhau­le vuil­stort­plaats (10%) gedurende de jaren 1980 tot en met 1997, in totaal 4.346 storm­meeuwen (100%) gevangen. Deze onderzoekslocaties liggen, op een onderlinge afstand van maximaal 30 kilometer van elkaar, in midden Friesland. Voor het analyseren van de eerste stroom gegevens van het lopende project, is met name de locatie te Molenend, gelegen tussen Dokkum en Leeuwarden - als  consistente vangplaats - van belang.

 

 

Er werden door Vogelringstation Menork diverse biometrische gegevens genoteerd. In principe werd de maat genomen van de gestrekte vleugel, loopbeen (tarsus) en de snavel in relatie met de schedel. Voorts werd een beschrijving gemaakt van het verenkleed, zoals de kleur van de alula, de zoomleng­tes van tweede en derde slagpen, poot- en iriskleur. Tevens wordt de vleugelformule m.b.t. P2-P4 (van buiten naar binnen genummerd) vermeld.

 

Er werd gewerkt volgens de methode die beschreven staat in de gids van Kevin Baker (BTO-guide 24, Identification Guide to European Non-Passerines, pagina 8-15).

Teneinde geslachten door middel van inwendig onderzoek met zekerheid te kunnen vaststellen heeft Menork dode dieren verzameld welke voor het merendeel langs snelwegen (vers) dood werden gevonden als ver­keersslachtoffer. Voor het analyseren van geslachtgegevens bestemd voor dit artikel zijn gegevens gebruikt van dode dieren afkom­stig uit noord-Nederland en uitsluitend gevonden in de winterperiode.

 

Klik hier voor de beschikbare actuele informatie over het lopende project met Stormmeeuwen.

 

Resultaten

Herkomst overwinterende stormmeeuwen Uit eerder onderzoek is bekend dat hier stormmeeu­wen overwinteren die afkomstig zijn uit noord en oost Europa (Koopman 1989). VRS Menork controleerde in 1980-1997, 35 stormmeeu­wen met buitenlandse ringen welke, hetzij als broedvo­gel, hetzij als nestjong, in een kolonie werden geringd.

Aangezien de kans op het vangen van een reeds geringde vogel afhangt van de ringactiviteiten in de verschillende landen bestaat er onvoldoende inzicht in de herkomst van onze wintervo­gels. Omgekeerd kan echter ook een inventarisatie worden gemaakt van storm­meeuwen die in het winterkwartier zijn geringd en vanuit, of nabij - een broedkolonie zijn terugge­meld. Vogelringstation Menork kreeg van 20 stormmeeuwen een terugmelding uit het buitenland waarvan kan worden aangenomen dat de vogel nabij zijn broedplaats werd gevonden. Na inventarisatie van terugmeldingen kan het beeld, zoals weergegeven in onderstaand figuur, worden gegeven over de herkomst van door vogelringstation Menork onderzochte stormmeeuwen in het winterkwartier.

 

Gegevens van her-

komst 55 stormmeeuwen in

of nabij broedko­lonies geringd

rsp teruggemeld en door VRS

Menork in de winterpe­ri­ode ge-

­controleerd rsp. geringd.

 

 

Ondersoort Larus canus heinei  Tussen de gevangen vogels bevond zich een klein aantal (maximaal 52 exemplaren) welke zeer waarschijn­lijk tot de oostelijke ondersoort larus canus heinei behoort (vleugel > 393 mm, gemiddeld 397, spreiding 394 - 407 mm). Naast de forse maten van vleugel en snavel, zijn stormmeeuwen in de eerste winter te herkennen aan het donker­zwar­te verenkleed en adulte vogels zijn grijzer van kleur (J. de Jong 1986, Kompanje E.J.O. & Post J.N.J. 1990).

 

Leeftijdskenmerken

Eerste winter 1W (1kj/2kj)

Bij 72 gevangen stormmeeuwen in de eerste winter is de breedte van de staartband (breedste punt) gemeten: gemiddeld 42 mm, spreiding 30 - 55 mm.

 

Tweede winter 2W (2kj/3kj)

Er is een behoorlijke verscheidenheid -en mogelijk zelfs overlap met sommige dieren in de derde winter- geconstateerd in kleedstadia bij stormmeeuwen in de tweede winter. Er werden exemplaren gevangen met nog een duidelijk zichtbare staartband en veel bruin in pc (grote slagpendekveren) en alula’s met forse zwarte vlekken maar daar­en­tegen ook individuen die zeer weinig bruin in pc vertoonden en slechts nog kleine zwarte vlekjes in de (een of twee van de) alula's. De lengte van de (vuil)witte zoom in de buitenvlag van de tweede en derde slagpen P2 en P3 is een kenmerk voor stormmeeuwen in de tweede winter, deze is namelijk korter (meest opvallend bij P3) dan bij adulte vogels. De maten zijn genomen van 190 vogels met de navolgende resultaten: zoom P2, spreiding 28-65 mm, gemiddeld 49 mm, P3: spreiding 0-47 mm, gemiddeld 18 mm (1 op de 5 vogels heeft totaal geen wit in de buitenvlag van P3). Bij 6 exemplaren liep de zoom onafgebroken door tot de vleugeltop.

 

Ouder dan tweede winter >2W (na2kj/na3kj)

Van 1.232 adulte stormmeeuwen werd de witte zoom in P2 en P3 gemeten (methode figuur 2), gemiddeld rsp. 60 en 36 mm, spreiding rsp. 39-85 mm en 7-62 mm. Bij 259 exemplaren liep de zoom van P2 onafgebroken door tot aan de top, dit was bij 23 exemplaren het geval bij zowel P2 als ook bij P3.

 

Geslachten  In de winterperiode van 1982 tot en met 1997 werden totaal 94 dode stormmeeuwen verzameld. Op grond van inwendig onderzoek (gegevens J. de Jong, Joure & K.A. van Eerde, Dwingelo) kon met zekerheid het geslacht worden vastgesteld (methode zoals beschreven door J.A. van Franeker, Inst. Taxonomische Zoölogie, afd. Vogels te Amsterdam, Nbr NSO 4: 144-167).

In tabel 1 staan de diverse genomen maten weergegeven, aan de hand waarvan nagenoeg 90 procent van stormmeeuwen in de winter, op geslacht kunnen worden bepaald.

 

Tabel 1  Sexen van stormmeeuwen op basis van biometrische gegevens (bruikbaar in de winterperiode

               Nederland) Spreiding, gemiddelde en standaarddeviatie

Stormmeeuw  larus canus

  Man

  Vrouw

vleugel  

   341 - 393

      375     12

   338 - 381

      360      10

Loopbeen

   48,3 - 57,1

       52,8    2,3

   44,6 - 55,3

       50,2     2,7

snavel

(topje tot bevedering)

   31,0 - 40,9

       35,6   2,0

   28,0 - 36,3

       32,6     2,0

snavel-schedel (snavel-punt tot de schedel)

   46,5 - 56,9

       52,4    2,5

   42,3 - 52,8

       47,8     2,2

snavel + schedel (snavel-

punt en de schedel)

   86,7 - 101,0

       93,5    2,6

   79,5 - 93,4

       86,6     2,9

Snavelhoogte

(achter neusgat)

   10,0 - 12,8

       11,1     0,5

    9,0 - 11,0

       10,1     0,5

 

N.B.: Deze tabel is niet toepasbaar op de ondersoort larus canus heinei. Indien een stormmeeuw opvallend donker/grijzer van kleur is en een vleugellengte heeft van meer dan 380 mm en de snavelhoogte > 11 mm, dient afgezien te worden van toepassing van tabel 2.

 

Indien een stormmeeuw tenminste binnen 4 van de bij één geslacht behorende spreidingsafmetingen valt is het geslacht met voldoende zekerheid vast te stellen.  De gegevens uit de tabel zijn in diverse discriminante versies getest in een formule. De volgende formule bleek bij de gevonden stormmeeuwen zondermeer toepas­baar voor het (voor computergebruikers) automatisch inlezen van het geslacht: (0.3 x vleugel) + tarsus + (2 x snavel) + (2 x snavel-schedel) + (5 x sna­ve­l­hoogte) + (1 x snavel+schedel) = uitkomst: afronden op heel getal, indien uitkomst < 467, geslacht = vrouw, indien > 474, geslacht = man.

 

Vogelringstation Menork noteerde van 1.900 stormmeeuwen, met name gevangen in de winters van 1995/1996 en 1996/1997, alle zes genoemde maten. Met toepassing van de geslachtsformule kan gesteld worden dat er 42 procent mannetjes werden gevangen en 48 procent vrouw­tjes. Exact 10 procent viel in het overlappingsgebied dat er, qua maatvoe­ring van genoemde lichaams­delen, bestaat tussen beide sexen. Verspreid over de leeftijden van de gevangen stormmeeuwen ligt de verhouding zoals kan worden afgeleid uit tabel 2.

 

Tabel 2            Geslachten van 1.900 storm­meeu­wen waarbij onderscheiden 1W, 2W en >2W,

             gevangen in de winterperiode 1995/1996 en 1996/1997 Friesland

leeftijd

  Man

  Vrouw

  Onbekend

 1W

   74 (36%)

   116 (56%)

   17 (8%)

 2W

  101 (58%)

    86 (49%)

   23 (13%)

 >2W

  598 (42%)

   691 (48%)

  144 (10%)

 

 

 

Discussie

Leeftijdskenmerken

Derde winter 3W (3kj/4kj)

De Stormmeeuw is, in tegenstelling tot zijn verwante soort de Zilver­meeuw Larus argentatus, op grond van kleedkenmerken niet op leeftijd te brengen nadat het veren­kleed twee maal volledig heeft geruid! Een enkel exemplaar vertoont weliswaar nog juveniele kenmerken (pootkleur blauw­achtig of vlekken in pc, alula's, donkere iris etc.) maar dergelijke kenmerken kunnen ook in opvolgende levensjaren nog voorkomen. Er werden diverse exemplaren (terug) gevangen variërend van 4 tot 8 jaar oud welke in de alula-veren donkere zwarte vlekken hadden, pc met donkere schachten, strepen of vlekken en/of blauw­grijze poten!

 

Ouder dan tweede winter >2W (na2kj/na3kj)

Er zijn diverse exemplaren die nog wel (vage) juveniele casu quo afwijkende kleedkenmerken kennen, zoals vlekjes in de buitenste alula (veelal a-symetrisch), blauwgrijsachtige poten en/of een donkere iris en soms zelfs donkere schachten, zwarte vlekjes en strepen in rsp. PP en pc (1-5). Deze kenmerken zijn waarschijnlijk het gevolg van hormonale stoornis. Hierdoor zijn individuen in de derde winter niet te onderscheiden van adulte vogels die het juveniele verenkleed nog niet volledig hebben verloren.

 

Plaatstrouw  Tengevolge van het jaarlijks vangen op dezelfde locatie gedurende een reeks van jaren kan inzicht worden verkregen in de plaatstrouw van stormmeeuwen aan het winterkwartier. In de jaren vanaf 1980 werd met een zekere regelmaat van jaar op jaar, in totaal 4.355 stormmeeuwen gevangen

 

In de laatste twee winters (16 en 17) werd 55 procent van het totaal aantal onderzochte stormmeeuwen gevangen zodat de analyse van eigen terugvangsten in opvolgende jaren in feite uitgaat van minder dan de helft van het totale aantal gevangen stormmeeuwen. Natuurlijk zijn de vangkan­sen van eenmaal geringde dieren het grootst in een strenge winter, wanneer er veel indivi­duen kunnen worden gevangen. Omgekeerd geldt ook dat de kans het grootst is dat een geringd exemplaar wordt aangetroffen uit een winter dat er veel exemplaren konden worden geringd. Daarnaast moet rekening worden gehouden met het feit dat eenmaal gevangen dieren bekend zijn met het vangen en zich daardoor wellicht minder snel voor een tweede maal laten vangen. Zeker in hetzelf­de jaar worden eenmaal gevangen dieren nauwelijks weer op dezelfde locatie bemachtigd. Niet tegenstaande deze factoren is er een aantal stormmeeu­wen op dezelfde plek teruggevangen hetgeen wijst op een zekere plaats­trouw aan het winterterritoir. Er werden 63 verschillende exemplaren in opvolgen­de - één tot drie verschillende - winters, opnieuw op dezelfde vangplek terug gevangen (retraps). Voorts is een inventarisatie gemaakt van (40 ex) die stormmeeuwen welke in opvolgende winters op een afstand van minder dan 20 kilometer van de ringplek (veelal vers dood) werden teruggevonden.   Bij de analyse van de beschikbare gegevens van zowel de retraps en de terugmeldingen op < 20 kilometer, is onderscheid gemaakt tussen juveniele en adulte stormmeeuwen. Dit met het oog op een inventarisa­tie van mogelijk onderscheid tussen trekstrategie van beide doelgroepen (vrg. Koopman 1990a).

 

Aantal teruggevonden individuen, onder­scheiden leeftijden 1W, 2W en >2W, in opvolgende winters op of nabij (<20 km) dezelfde plek.

 1

 2

 3

 4

 5

 6

 7

 8

 9

10

11

1w

 6

 2

 4

 1

 1

 

 

 

 

 

 

2w

 6

 4

 

 

 

 

 

 

 

 

  1

>2w

42

 9

 3

 3

  4

 

 2

 3

  9

  7

  4

 

Opvallend is dat, al naar gelang de jaren vorderen, er steeds minder als 1W rsp 2W geringde stormmeeuwen worden teruggevonden, hetgeen mogelijk wijst op een veranderende trekstrategie op latere leeftijd. Er dient bij de interpretatie van deze gegevens een correctie te worden doorgevoerd in verband met het feit dat er gemiddeld circa 73 procent volwassen exemplaren waardoor de kans navenant groter is op het doen van een terugvangst in latere jaren. Desondanks blijft het aanbod van adulte vogels in opvolgende winters, zeker na enkele jaren, aanmerkelijk groter.

 

Van één van de adulte stormmeeuwen waarvan retraps zijn gedaan is de herkomst bekend. Het betreft een storm­meeuw (vrouw) gevangen in 1985, retraps in 1986 en 1987 op de vaste vang­plek te Molenend, 2 jaar daarna (1989) als broedvogel terugge­meld in Polen (greenwich coördi­naat 5104N-2135E, afstand 1075 km) en 3 jaar daarna (1992) weer paraat in Molenend.

 

Verplaatsing binnen het overwinteringsgebied  Koopman (1990a) constateert op basis van een analyse van terugmeldingen van de Nederlandse Ringcentrale verplaatsing van en naar de westkust in strenge winters. Dat beeld wordt bevestigd aan de hand van terugmeldingen van in Molenend geringde storm­meeuwen. Het zojuist genoemde exemplaar uit een broedkolonie van Polen werd in februari 1986 eveneens teruggemeld uit Castricum (NH). Daarnaast werden er nog 3 exemplaren (1W & tweemaal >2W), waarvan één of meer retraps zijn gedaan (dus honkvaste dieren), teruggemeld van de westkust in eenzelfde (strenge) winter.

Dat juveniele stormmeeuwen kennelijk minder hechten aan een vast overwinteringsterritoir blijkt ook uit een analyse van terugmeldingen van stormmeeuwen in eenzelfde winterperiode op meer dan 50 kilometer van de ringplaats. In totaal werden 12 juveniele stormmeeuwen (1,00%) tegen slechts 4 adulte (0,12%) binnen 100 dagen op een afstand van gemiddeld 151 kilometer teruggevonden. De trekbewegingen waren steeds in zuid- of westelijke richting en in een winter met relatief koud weer.

 

reproductie  De leeftijd van gevangen dieren over de jaren 1982-1997 zijn per winter te herleiden en onder te brengen in respectievelijk "eerste winter", "tweede winter" en "ouder dan tweede winter" (1W, 2W, >2W). Uitgaande van een min of meer gelijke toevalstreffer bij het vangen, zou hiermede een trendmatig beeld kunnen worden verkregen van de broedresul­taten in de voorgaande 2 jaar.  Het beeld van de derde winter zou in deze optiek in zekere zin overeen moeten komen met dat van de in het voorgaande jaar geconstateer­de beeld van 2e winter vogels m.a.w. levert een winter relatief veel tweede-winter stormmeeuwen op dan zou dat in de winter daarop relatief veel derde-winter vogels moeten opleveren. In het andere geval zou er sprake moeten zijn van sterfte onder juveniele vogels in de zomerperiode.

Uit de figuur, overigens ten behoeve van de betrouwbaarheid, uitsluitend betrekking hebbende op de goede vangjaren (tenminste 100 stormmeeuwen gevangen), kan worden afgeleid dat de reproductie in de jaren 1983 en 1984 goed moet zijn geweest. De reproductie, daarentegen in 1996, moet matig zijn geweest.

aandeel juveniele versus adulte stormmeeuwen gevangen in de winterperiode van 1983/84 (4), 84/85 (5), 85/86 (6), 86/87 (7), 95/96 (16) en 96/97 (17) in Friesland

 

 

 

 

 

 

 

 

Dankwoord

Ten aanzien van het vele veldwerk is veel dank verschuldigd aan de vaste medewerkers van het Vogelringstation Menork aan het project stormmeeuw. Speciale dank is er voor wijlen Keimpe Visser uit Molenend die slagnetten beschikbaar stelde en voor Jaap de Vries uit Zwaagwesteinde als initiator (en jarenlang ringer) van het vangen en ringen van meeuwen door vogelringstation Menork.  Harry de Boer te Damwoude, die op zijn erf een vanglocatie bemand moet in dit verband ook bij naam worden genoemd. Tevens een dankwoord aan enkele medewerkers van de provincie Friesland, district Dokkum, voor de toestemming en faciliteiten die men moeiteloos verleende voor de prima locatie (provinciaal watersteunpunt) aan het Prinses Margrietkanaal te Burgum en last but nog least aan (vader) Tjerk Bil te Molenend die verreweg de meeste vangsten op zijn naam heeft staan!

 

Dit onderzoek werd mede mogelijk gemaakt dankzij financiele bijdragen van de RABOBANK Gorredijk e.o., Procee-bouw b.v. te Sumar, Van Wijnen-Noord B.V. te Gorredijk; Batavus te Heerenveen, Bional-Pharma te Gorredijk; Mercedes-Benz te Gorredijk en RENDAC te Burgum.

 

LITERATUUR

Baker K.                1993      Identification Guide tot European Non-Passerines, BTO-Guide 24.

Jong J. de             1986      Stormmeeuw tabel onjuist? Op het Vinketouw 48:17-18

Kompanje E.J.O.

& Post J.N.J.   1990             Oostelijke Stormmeeuwen Larus canus heinei in Nederland en west-Europa. Limosa 63: 2-6.

Koopman K.   1988             De trek van de Nederlandse stormmeeuwen Larus ca­nus. Limosa 61: 125-132.

Koopman K.   1989            Herkomst van in Nederland voorkomende buitenlandse st­or­m­me­eu­wen La­rus ca­nu­s. Limosa 62: 191-194.

Koopman K. 1990a            Plaatstrouw van in Nederland overwinterende Stormmeeu­wen Larus canus. Limosa 63: 7-10.

Koopman K. 1990b            Geslachtsverhouding bij Kokmeeuwen Larus ridibundus in Noord-Nederland. Limosa 63: 89 -93.

 

Willem Bil, De Buorren 91 te 8408 HL Lippenhuizen, e-mail w.bil@hetnet.nl

Jan de Jong, E.A. Borgerstraat 66 te 8501 NG Joure, e-mail j.d.jong@wolmail.nl

 

                                                                                              Terug naar onze homepage