Dorpsraad 't Veld -Zijdewind

 

  De historie van onze dorpen

 

 

 

Home

Historie

 

 

AANTEKENBOEKJE ELISABETH VAN DER WOUDE .

(kleindochter van Jan Simonsz Blaeuhulck en Grietje Reiners Guldenstein) 1621-1694

 

Waarom dit dagboek op deze plaats? We kennen uit de vorige verhalen Herman Hartman van der Woude, de sloper van de kerk te Zijdewind. Elisabeth is zijn avontuurlijke dochter en daarom is haar dagboek hier het vermelden waard.

 

Memorije van ít geen bij mijn tijd is voorgevallen, soo in Holland als op ander plaatsen.

 

Anno 1621, de 25 julij oude stijl is mijn vader Harman Hartman van der Woude geboren inít huijs te Munnickelant in Suijt Hollant.

1632, 1-10 is mijn moeder Margaritha Blaeuhulck geboren tot Enchuijsen, daar haar vader was Bewindhebber van de Oostindische Admiraliteits Heer, Equpagemeester en Munsterheer Generaal te water en te lande.

 

1646          is mijn vader geworden Hoofd-Officier en Dijkgraaf van de Niedorper Koggen in Noord- Holland.

 

1656, 19-3 is mijn vader Harman Hartman van der Woude en mijn moeder Margarieta Blaeuhulck te samen in den huwelijkse staat vergadert binnen Nieuwe Niedorp, beijde sonder ouders.

 

1657, 11-1 sijnde saterdagh savons, ben ick geboren tot Nudorp, en de 12 dito gedoopt, en na mijn vaders moeder Elisabeth genoemt.

 

1658, 3-10 is mijn broeder geboren, en na mijn moeders vader Johannes genoemt.

 

1661, .-7    is mijn suster geboren, en na mijn moeders moeder genoemt Margarieta.

 

1662, 21-1 is mijn moeder Christelijck inden Heer gerust, en de 27 dito begraven tot Enchuijseninde Zuijderkerck in een dubbelt graf.

 

1665          In de somer werden de boeren inít Noorder-Quartier op geweer geset, en wiert vader aangenomen voor een van de 4 Hoofd cornels over Noord-Holland. Geschiede de eerste Zee batalje tussen de Hollanders en Engelse, alwaar de Admiraal Opdam wiert doot geschooten.

1666, 12-9 was de brant tot Londen.

 

1667          waren de Hollanders in de ravier van Londen, alwaar Brackel de keten voor de ravier aan stukken zeilde, en namen ons volk het kasteel en des Konings magesijn in, dat groote alterasij in en gelant gaf.

In tíselve jaar, de 30 juli, werd de vrede gesloten tussen de Hollanders en Engeland.

 

1668, 1-5   vertrokken wij van Niedorp, en gingen inde Huijgenwaert wonen op onse Hofstede.

 

1669          hebben de Turcken Candija gewonnen.

 

1672          hebben de Fransen 3 van onse 7 Provincien met veraet in gekregen, nu scheen het dat wij ít alles soude quijt raken.

Dit jaar hebben de Staten de Prince van Oranjen angenomen tot Kapitein-Generaal.

1672, 7-6   geschieden de eerste Zeeslag tegen de Engelse en Franse vlooten.

1672, 3-7,  wiert sijn Hoogheid Stadhouder over Holland, Zeeland en   Westfriesland.

1672, 20-8 zijn in Schravenhaege omgebracht Jan en Cornelis de Wit.

 

1673          wiert mijn vader Schout van Opmeer.

1673, 1-6   wint de Koning van Frankrijk Mastricht.

1673, 7-6   geschieden het bloedich Zeegevecht tussen de Hollandse, Engelse en Franse vlooten, daar de onse een groote vicktorie bevochte.

In dese tijd kwam de Franse en Engelse vloot soo dicht aan de Hollandse kust, dat men het volk wel kon tellen op de schepen, als men op de strand stond.

Mijn vader als Cornel trok op na de Helder met omtrent 1600 a 1800 man om de vijanden te beletten datse niet met plat vaartuigen souden strande.

Wij maakten enige schansen in de duinen, maar onse macht sou te klein geweest zijn ten ware Godt de Heer ons mirakeleuslijk verlost had, want de eb ging 3 getijden sonder ophouden, daar anders de vloet most tussen beijden komen, soo dat het diep altemaal verlopen was, en onmogelijk voor haar om aan land te komen.

1673, 21-8 is de derde victorie bevochten door de Hollanders.

1673, 12-9 heeft de Pruis Naarden weer gewonnen.

1673, 13-11    wint de Pruis Bon.

1673, 23-11    hebben de Fransen Utrecht verlaten.

 

1674, 19-2  is binnen Londe de vrede met Hollant getekent.

1674, 20-3  isser een boer met 150 varkens over ijs gekomen, van Stavoren op Enchuijsen over de Zuijder Zee.

1674, 12-4 ging mijn vader met enige heren over het ijs in de graft om ons huis.

1674, 21-4 is de vrede besloten tussen de Bisschop, Keizer en Staten.

1674, 1-8   sijnde woensdag tegen den avont, is in Holland sulken onweer geweest, bij velen  een orkaan genaamt, dat kerken, toorens, huijsen, schepen en ontallijk veel bomen, ja bijkans hele dorpen heeft om vergeslagen, soo dat hier te lande nooit van diergelijk weer gehoort is.

1674, 15-10    wint sij hooghijt de stat Graeve.

 

1675, 4-8   hebben de Keizerse tegen de Franse een grote victorie bevochten, alwaar Turenne dood bleef.

1675, 4-11 sijnde maandag op een na spring was het water soo hoog met een noordwester wint dat door swaarte van het water de zeedijk bij het zwarte kerkje (tussen Hoorn en Edam) is doorgebroken, en het water dien dag voor een binnendijk (genaamt de Bobeldijk) gekeert wert.

Des anderen daags de storm, noch al continuerende, met donder en bliksem, wies het water noch al aan, soo dat het voor mensen ogen onmogelijk scheen om de Noordijk bij Lambertschaage te behouden, doch de Heer gaf dat het met zeilen daar gewicht aan hing, gekeert wert, de klokke gingen nacht en dag allarm, dat bedroeft was om te horen.

Die dag kwam tot Niedorp de donder inde kerk en stak de toren aan brant, doch kregent haast uit, sonder grote schade.

1675, 17-11   met de nieuwe maan was ít water weer seer hoog, soo dat de meeste binnendijken te licht vielen en mee deur braken, maar Niedorp, de Waart, de Scharmeer en de Beemster hielden stand, soo dat daar de vloet gestuit wiert, aan welke dijken alle daag meer als 3000 boeren werkten, men zette de sluisen bij Nierop open die groot voordeel deden, want als ít laag water in zee was, gingen de sluisen open en loosden ít water van binnen, en als de vloet kwam slotense van self toe.

1675, 3-12 raakten ít gat inde Zeedijk dicht, daar des anderen daags een dank dag over gehouden wert.

1675, 5-12 wast weder opnieuw alarm, want men had de ankers daar de dijk mee gehouden wert, laten af kappen, soo dat alde nieuwe palen aan stukken knapten en weg dreven en het gat wel groter brak als het te voren geweest was.

Hier was goet raet dier.

1675, 7 en 8-12   vaar vader met een sloep of boot van Rustenburg na Hoorn, over alde landen en hoven heen, en daar wert een salm binnen inít land gevangen.

Kort daarna begon het heel hart te vriesen, soo dat de mensen en die haar huijsen inít water stonden grote koude en armoed leden, en heel veel huijsen weg spoelden en die noch bleven staan waren grootelicx beschadicht.

De binnendijk bij Keren is ook doorgebroken en gants Drechter- land liep onder water tot voor Enchuijsen, daar men de poorten toedamde om het water uit de stat te keren.

De ingebroken zeedijk kreeg men omtrent Karstijt weder dicht, daar de Heer voor gedankt zij, want eer het soo ver gebracht was, sag het der slecht uit door de groote schade en ongemakken die de mensen hadden geleden.

Heel veel beesten zijnder verdronken, en de klokken gingen wel 5 a 6 weken nacht en dag allarm, doch men hoort niet datter meer als 3 mensen verdronken sijn daar soo veel landen en dorpen onder water waren.

De dijken in Waterland, om Amsterdam, en in Zeeland waren ook gebroken, en noch op veel meer andere plaatsen.

 

1676, 8-1   heeft Admiraal de Ruyter de Franse vloot voor Missina geslagen.

Omtrent mei begon het land dat onder water was geweest moy weer droog te worden datter zeer desolaat en verdronken uit sach.

1676, 14-7 wasser sulken onweer inde Waart van donder en bliksem, en vielen hagel stenen als groote kieviets eijeren, soo datter geen glasen ongeschont bleven, en al het koren was op het veld ter pletter geslagen en bedorven.

In augustus hebben de heren Staten mijn vader aangenomen voor hoge Raad om te gaan na de vaste kust van Amerijka, aan Kaap de Oranje, of de ravier Wiapoka.

Kort daarna heeft vader de Heren vande Rekenkamer bedankt voor het Baljuw- en Dijkgraafschap van Niedorp, bij hem 30 jaren bedient.

1676, 3-12 zijn wij met onse huishouding opgebroken en uit de Waart na Niedorp vertrokken om voorts onse volgende reis te vervorderen.

 

1676,5-12  gingen wij van Colhorn met een lichter 2 a 3 om scheep te gaan.

Wij waren sterk als volgt; mijn vader, ick, mijn broeder en suster, met 5 meiden, 45 knechts, en voorts 3 paarden, 6 koeien, enige schapen, een partij hoenders en duiven, wel versien van linnen en wollen, tin en koper, alderleij gereetschap en matrialen, tot de landbouw van noden voor 50 man geweer en ook voor ons en al ons volk en beesten voor een heel jaar provisie of levensmiddelen.

1676, 6-12     kwamen wij aan ons schip dat inde Vlieter lag.

Het schip sijnde een Heckboot van omtrent 300 last, voerende 24 a 26 stukken en de St.Lourens achter aan ít was vrij wat over laden en daar waren op omtrent 300 zielen, doch de beesten waren op een ander schip.

1676, 9-12     zeilden wij uit de Vlieter na Texel, daar wij die selven avont noch moste onse stengen schieten om de harde storm wint.

1676, 13-12   ging mijn vader, ick en mijn suster met de schipper aan land aan de Helder. Het vroor zeer hart met een Noortooster wint.

1676, 14-12   begon de ijsgang soo hart aantedringen dat de hele vloot sterk omtrent 50 zeilen, genootsaakt was om het zee gat uit te loopen.
In ít uit loopen kwam de boot om ons te halen, alsoo wij noch aan land waren, en sagen de vloot ít zeil gaan.
Kwamen met grote moeiten aan boord.
Wij hadden geen half uur scheep geweest, noch zijnde binnen de laatste tonnen, raakte het schip De Waeckede Boejen, daar Kapitein Tijloos op was, dwarzee gudt dat ons recht voor de boeg kwam, doch hebbende zijn sloep opzij hangen, stuiten de meeste vaart daar op, of doch de sloep sprong altemaal aan spaanders, en het touwwerk van beide schepen raakten in malkander vast, soo dat Tijloos genootsaakt was sijn anker te laten vallen, ít geen hij dede soo dat wij door dat middel van malkander raakten.
Ons schip was weinig beschadigd also hij aan de grond raakte daar hij met groot perijkel van het ijs wel 3 a 4 dagen bleef sitten.
Doch eindelijk met groote schade los kwam, maar wiert korts daarna op strant geset.
Dien selven nacht zeilde een van onse schepen een stuk uit onse companjen, doch die schade was klein.    .

1676, 15-12   smorgens heel vroeg kwam een schip recht voor onse boeg, dat ons ít heele galjoen weg nam, en de boegspriet hing heel op de sijde, die sij noch met een dommekracht door hulp van het spil weder te recht kregen.
Maar het schip sacher desolaat uit door soo veel rampen.
ís Avonds kregen wij Engelant inít gesicht.

1676, 16-12   wij wat schrikkich sijnde voor ít overzeilen, hielden ons wat ter sijden van de vloot af, en komen wat na bij de Franse kust, rancontreerde ons inde nacht een Franse kaper, wij maakten alles waardig om te slaan, onse konstapel gaf vuur waarop de kaper aanstonts de wijk nam.

1676, 17-12    kwamen wij in de Spaanse zee, de wint als vooren noordoosten, zetten onse koers Z.W.
Ten zuiden met harde wint.

1676, 19-12   scheiden onse convoijers van ons en namen haar keer na Holland, dat grote alterasij maakten onder ons volk de wijl wij niet beter wisten of sij soudet ons geleiden tot in de ravier Wiapoka, maar ít scheen sij ander order hadden als wij wisten.

1676, 21-12    Scheiden de vloot van malkander om ieder sijn reis te vervorderen.
Wij bleven met ons 6 schepen bij een, sijnde ít Wapen van Amsterdam, de St. Lourens, de Burg van Leiden, St. Elisabet, de Stephanus, en het Prinse Wapen. Alle gedestineert na de ravier Wiapoca of Cp de Oranje aan de vaste kust van Americka, daar bleef noch een oostindisvaarder bij ons genaamt de Blaeuhulck.

 

 

1676, 25-12    komende op de hoogte van de 33grd, dwaalden ít Wapen van Amsterdam en de Burg van Leiden van ons, de oostindisvaarder de Blaeuhulck geen goede koers houdende verviel te dicht op de eilanden en alsoo sijn licht uitging, doolde wij van malkander, wij raakten door de donkere nacht en ít onweer tussen Madera en het naastgelegen eiland deur. Hadden een zeer kwaden nacht, vermits heel inde klippen verwart waren en de zee hemels hoog daar tegen brande, maar noch bovent al dit perijkel kwam in de seve nacht een schip heel dicht bij ons dat vrij groot was.
Wij meenden dat het een van onse schepen was, maar hij doende sijn licht in Ĺ kwartier uurs wel 3 maal op en uit maakte, merkten wij dat het een Turk was die sijnde aan andere Turken die daar ongetwijfelt ontrent waren.
Wij deden al ons lichten uit en ontkwamen soo door het donker onweer de handen van dat woedende volk daar de Heer voor gedankt wiert.

1676, 26-12    smorgens waren wij altemaal van malkander verstroijt en konden niet een schip in zee sien.
Tegen de avont kwamen weer van onse schepen bij ons.

1677, 6-1   kregen wij de Soute Eilanden in ít gesicht.
Wij gingen voor IJle de May ten anker leggen alwaar wij onse andere 3 schepen vonden, doch de oostindivaarder sagen wij niet meer. Daar lagen ook 3 Engelse Konings schepen, sij verstonden dat wij de vlaggen mosten voor haar strijken, ít geen bij ons geweigert wiert, daar grote moeite uit ontstont.
Het geschut raakte te boord ende bloetvlaggen op.
Men sou malkander dapper slag gele- vert hebben, Ďten waar de Predikanten wedersijts de paijs gemaakt hadden.
Die volgende nacht spilden 3 van onse schepen van haar anker en dreven weg.

1677, 7-1  wij die 3 schepen missende, lichten onse ankers en zetten ons koers na het eiland St.Jago, alwaar onse order was om 10 dagen stil te leggen.

Wij meenden ook die andere 3 schepen daar te vinden, maar daar komende vonden niemant, doch sij kwamen dien avont bij ons.

1677, 8-1   sijnde vrijdag, is mijn lieve vader Harman Hartman van der Woude Christelijk in de Heer gerust, nadat hij 12 a 14 dagen hadde krank geweest, latende mij, mijn broeder en suster in groote droefheid gaande na een vreemt land, van onse beste vrint berooft, niet wetende wat swarigheit ons noch over ít hooft hing, broer was mee heel krank.

1677, 9-1  ging ick met eenig volk aan land om te versoeken of wij daar wel begraven mochten.
Wij werden daar wel onthaalt van een Priester, zijnde van de Preekheers order, doch tot ons versoek komende kregen wij dat antwoort dat wij daar wel mochten begraven, soo wij rooms Catolijck waren, waarop ick sei wij sijn gereformeerde Christenen, maar sij seiden geen Christenen te kennen dan die rooms Catolijck waren en dien volgende ons versoek mosten afslaan, alsoo het een gewijde plaats was.

Voor aan de Baai daar wij met de schepen in lagen, was een klein eilantje, ít geen wij gingen besien, vonden daar goede gelegenheit, alwaar wij den 10 januarij mijn vader stillekens begroeven sonder dat het de Portogesen wisten.

Wij gingen dagelijks aan land, besagen overal de bossen en plantasien, ít was overal met hoge dorre bergen van blauwe steen, seer heet en droog also het daar in geen 17 a 18 maanden geregent had.

Slechte huisen, doch waren sommige noch wel versien van silver- werk en andere huisraat.

De valeijen waren seer playsant beplant sijnde met kokos bomen, sittroen, orarijen, pome de cinaes, sjasmijn, palmietje en meer andere rare bomen alsmede suikerriet, toeback en catoenbomen.

Daar waren ook paarden, koeien, ezels, bokken, veel apen en meerkatten.

Wij hadden op sekeren tijt haast een groot ongemak gekregen dewijl wij omtrent een mijl boswaard een plantasie gingen besien die dicht vol bomen was, daar stond een groot huis met een gelderij, alwaar wij wat zaten te rusten.

Wij waren omtrent 20 personen, mossjeurs en jonge jufr., nevens enige knechten.

Wij dachten soo vrij te sijn als in Hollant, niet wetende dat de Portugesen op St.Jago een partij schelmen waren.

Terwijl wij daar saten kwam de heer van deze plantasij ons al heen en weer verbij wandelen die ons geweldig aan sag wij sulken stouten gesicht ongewoont trokken onse kappen dicht voor de ogen om niet meer besien te worden.

Een Jonkheer sittende aan mijn sij, stiet mij aan den arm, seggen Juffertje het is op u gemunt.

De anderen dat horende seide vrinde laat ons vertrekken, daar komen 6 a 8 soldaten, sij sullen ons aan een kant helpen.

Een Kapitein die bij ons was, de Portugese taal verstaande, had enige discoerse met de heer.

Hij vroeg wat ick voor een dochter was, de Kapitein antwoorde, het is mijn vrouw, maar hij had naar de bekende weg gevraagt.

Hij gaf de Kapitein een donker gesicht seggende, het is een dochter van die heer die sij hier wouden begraven.

Ik weet wel dat se niet getrout is.

Wij wandelden ondertussen wat in het bos, en siende dat sij ons vervolgde gingen wij na de zeekant.

De Kapitein bevreest sijnde voor ongeval, sprong strackx met enig volk in de boot en roeide na het schip.

Daar kwam een ander boot om ons te halen die wij aan strant stonde te wachten.

Ondertussen kwamen enige negers uit het bos die 2 van onse manlui de hoeden vant hooft lichten.

De een was een Raad van Justitie, en de ander een Doctor.

Voorts raakten de degens uit, en sij met enige knechts boswaard in haar vrouwen stonden met ons op de strant.

Daar ging het op een kermen, de vrouwen om haar mans, en wij uit vrees van weggevoert te worden.

Zodra de boot aan strant was gingen wij daar in, het was daar seer ondiep, soo dat de boot aan de klippen stiet.

De matrosen ons getrou sijnde, sprongen in zee en lichten soo de boot die anders niet sonder prijkel van de negers lag.

Wij bleven leggen wachten een weinig van de strant, ons volk kwam haast weer uit het bos dewijl de swarte haar ontlopen waren.

Zodra die in de boot waren roeiden wij na boort.

Daarkomende vertelden ons avontuur.

Een oud schipper dat horende sei, vrinden u perijkel is veel groter geweest als gij geweten hebt.

1677, 16-1 gingen wij weer an land, kochten enige beesten en namen ons afscheit van de Portugesen sonder haar wel toe te betrouwen.

1677, 17-1,     lichten wij onse ankers en even buiten de baai komende vernamen 3 Franse schepen.

Wij wetende datter 14 oorlogs-schepen op ons uit waren, meenden het die souden sijn, doch sij maar 3 sterk sijnde, dorsten ons niet andoen, en wij sochten haar ook niet, so dat elk sijn weg vervorderde.

Zetten ons koers W.Z.

west aan tot op Ĺ graat aan de Linie Equenactiael.

1677, 1-2   kwamen voor de ravier díAmasonis, alwaar een sterke stroom ging die ons al bij ít land langs sette tot aan de Kaap de Oranje of de ravier Wiapoka.

1677, 6-2   kregen de berg Commariba in ít gesicht waar aan bemerkten dat wij voor de mont van de ravier waren, dorste evenwel, dewijl daar omtrent meer bergen leggen, niet op het onzeker aan.

Een van onse kleinste schepen, dat best bezeilt was, zeilden de ravier op en bevont Wiapoka was schoot lustig, waarop wij aanstonts volgden.

1677, 7-2,  inít begin van de ravier sijnde is mijn suster Margareta van der Woude Christelijk in den Heer ontslapen, volgende kort haren vader nadat sij 12 a 14 dagen hadde krank gelegen.

1677, 8-2   is sij aan de voet van de berg Caribote begraven.

1677, 9-2   gingen enige van onse Opperhoofden aan land, ít geen sij seer vermakelijk vonden, en soekende bekwame plaats om ons ter neder te setten, en daar niet vindende resolveer- den des anderen daags hoger de ravier op te soeken.

Wij lagen voor de berg Caribote ten anker.

1677, 10-2 kwamen enige Indianen met canos aan ons boort die ons vriendelijk bejegende.

De Koning met sijn zoon met vrouw en kinderen kwamen ook aan boort en bleven dien dag en nacht bij ons.

Des anderen daags gingen wij met de Indianen aan land die ons een bekwame plaats aanwesen om ons ter neder te setten.

Het was 5 mijl boven Caribote een plaats die op sich self seer stark was.

Het was een klip aan de hoek van de ravier, en bovenop goede kleigront, doch vol geboomte dat heel jong was.

Sij seiden dat daar een Hollander gewoont had, diens naam Jacob was, maar had al een jaar of 2 doot geweest.

Wij maakten enige tenten voor ons volk en goed omdat niet inde open lucht souden sijn, alsoo het in de regen maanden was begosten de bomen om te hakken, en in brant te steken.

Brochten het goet en beesten aan land, timmerden onse huisen op.

Het land was overal vol geboomte met hele dichte kreupel bossen, vette kleigront, en hier en daar wat moerassich, daar waren veel mieren die hele stukken lands besloegen met haar nesten en veel kwaad deden.

Sommige waren als hier te lande gevonden worden en andere als halve vingers lang.

Maar aldaar de bossen verbrant werden, waren de mieren weg.

Daar waren veel beesten in ít wild als harten, verkens, tijgers, luipaars, baviane, apen, luiaarts, saguwijne, crocodillen, zeekoeien, schilpadden, en ook veel gevogelte als hoenders, kalcoenen, pauwen, papegajen, roode valken, indice ravens, kacketoes, en veel meer andere beesten, en ontallijke voogelen.

Daar wiessen ook seer veel vruchten inít wild als Pattatus, funielje, en ontallijke vruchten mij onbekent.

Daar waren ook vliegende draecken, slangen, miereters, schorpioene, en meer ander ongedierte.

Snachs scheen het hele bos vol sterren.Wij praktiseerden gedurig wat het mocht wesen, bevonden dat ít niet anders waren als spaanse vliegen.

De ravier was ook heel goed, het was soet water met veel vis die heel lekker en goed was.

Aan de kant stonden de hoge bomen die de takken heel inít water hingen.

Overal klom de wilde liguster bij de bomen op die met witte en peerse bloemtjes geschildert waren door de groene bladen.

Het scheen een aarts paradijs te sijn.

Midden in de ravier lagen enige eilantjes vol bomen tot in het water, de oesters hingen aan de takken als het laag water was, want de ravier loopt wel 12, 14 a 15 voet op en af, soo dat men met schuits onder de takken door kan varen als het laag water is, en met hoog water sijnse onder.

Overal waren kleine kreekjes die onder de kreupel bossen door kwamen lopen, ít was water als crastul en so soet dat daar weinig diergelijk te vinden sou sijn, en ít water was soo kout als ijs.

 

Elisabeth gaat terug naar Holland

 

Na 3 a 4 dagen aan land wierde ick heel krank, maar mijn broer was nu weer redelijk gesont, soo dra ick weer wat beter wiert versocht ick de Gouverneur of ick weer na Hollant mocht vertrekken, doch mijn versoek wert niet toegestaan.

2 a 3 dagen daarna ging ick met de boot na het schip, nemende verlof aan mij selver.

Des anderen daags kwam de Gouverneur met de Fiscaal aan boort en brochten de brieven aangaande slants saken.

 Die nacht verloren wij een anker.

1677, 18-3 lichten wij onse ankers en gingen ít zeil na Patria.

De stroom dreef ons al bij de kust langs, en dat met sulken kracht dat wij wel 45 a 50 mijl in ít etmaal avanceerde omtrent Tabago komende, dreven wel 8 a 10 dagen in stilte dat wij achtwaarts noch voorweerts geraakten, kregen N.O.

Wij sochten de west Passaat, doch vonden niet als inde wint te weten noortwest, vervielen heel aan de Cariebis, soo dat wij alle eilanden konde sien, alsoo ít onmogelijk was ít hoekje te boven te komen, moesten wij tussen Garde-loupe en Ladeschade door, ít was een nauwe passage vol klippen die hemels hoog branden, soo dat een mens de hare te berge stondt die ít aansag, doch raakten der met godts hulp evenwel door.

Wij sagen rondom schepen die wij meenden Fransen te sijn, doch wierden van niemant aangedaan.

Komende bij Montsuratte mosten ook binnen door, daar kwam een groot schip op ons af, soo het scheen veerdich om te slaan, de vlag achterop ít schover zeil opgegijt en de poorten open.

Wij sagen ít voor een Frans Konings schip aan, maakten alles slagvardig, doch daar bij komende bevonden het een Engels schip te sijn.

Aan de ander sij van ít eilant komende lei onse schipper met de armen over boort te speculeren inít water en siende de klippen onder het schip, riep hij, ree ree mannen, hier is een vijl.

Daar was goet raat duur, sijnde soo dicht aan de klippen meenden wij het schip kwijt te sullen raken.

Elk vloog om een kant, sij waren daar niet lui, doch het roer was soo dra niet over of het schip draaide als een tol daar van af.

In de Krooszee komende hadden gedurig onweer, sagen duisende van vliegende vissen, en tenijne beuijte doradis dolphinus zeesnoeq en haijen, en seer veel kroos.

Bij Bermuda kwam een mast van een Portugese kraak aan ons schip drijven.

De week voor Paas hadden hard weer, kregen een orkaan van 3 a 4 etmaal, de wint kwam uit alle 4 hoeken tegelijk met sulken kracht dat het schip albemets scheen in een afgront te versinken, als het alweer oprees kond men niet anders sien of hemel en zee kwam aan makander.

Tot 2 a 3 maal toe wert het volk bij malkander geroepen en een gebet tot godt gedaan, en met een het volk vermaant dat sij haar mosten bereiden tot de doot, alsoo alle ogenblik verwacht wert dat het schip sou vergaan.

Doch de heer gaf dat het weer schielijk bedaarde en wiert soo stil dat men naulijckx kond weten waar de wint vandaan kwam.

Maar de zee noch ontstelt sijnde, slingerde het schip soo schrikkelijk dat men gaan noch staan kon, de vis was als dronken in zee.

Zeilde vast voor de kust van Nieu Nederlant en Nova Francia langs tot over de Bank van Terra Nova.

1677, 1, 2 en 3 mei sijnde tussen Terra Nova en Eijrlant kregen goede wint.

Zeilde 2 a 53 mijl in ít etmaal, doch het mooie weer was haast gedaan, vervielen heel aan H lant, meende daar te ankeren, doch hadden maar 1 anker, maar dorsten het niet te wagen.

Wij kregen weer seer hart weer, verloren ons besaans mast.

 Kort daarna raakten het roer onklaar, doch kregen soo ontrent weer goet.

1677, 5 a 26-2 kregen Fuijla inít gesicht en Hitlant.

Wij meenden aan Hitlant te vervarsen, alsoo al 8 dagen rantsoen van water hadden gehad, doch door ít harde weer onmogelijk om enige havens te beseilen.

Wij sagen dagelijks veel walvissen en potskoppen, die seer groot waren.

 Onse mening was om na Moskovien te gaan, maar alree gebrek hebbende, en mast en streng nevens veel zeillasie verloren sijnde, resolveerden wij besuide Hitlant om te zeilen, en terstont ons koers na Hollant te nemen.

1677, 1-6   komende bij Fuijla was het soo Mistig dat wij geen scheepslengte van ons kosten sien en souden op de klippen vervallen hebben ten ware dat het schielijk hadde opgeklaart.

Tegen de avont hoorden wij schieten.

Wij verblijden ons menende dat het van onse komvoijers waren die na de Oost Indische schepen sochten, doch vonden ons bedrogen.

 

Gevangen door kaper Jean Bart

 

1677, 2-6   smorgens ontrent 2 uren, sagen 3 schepen op ons af komen.

Wij geen kans siende om haar te ontlopen maakten alles vaardich om te slaan.

Het volk swoeren malkander getrou te sijn tot ter doot, voorts wert er een gebet gedaan en een boete psalm gesongen en soo de vijant verwacht.

Onse Kapitein de vijand vresende, viel met 6 man in de boot en meende ít schip te verlaten om het gevecht te ontkomen, want wij hadden ontrent 20 weerbare mannen, en daar kwamen 3 kapers op ons af die den minste over de 100 man op hadden.

Kapitein Jan Bart voerende de grootste kaper ziende dat ons Kapitein de vlucht nam, sette sijn koers recht op de boot aan die hij meende onder de kiel deur te jagen.

Onse helt dat merkende nam in haast sijn keer na ít schip.

Wij kaatsten malkander vast wat kogels toe, maar soo dra hij niet scheep of aanstonts selver na de Companjen en de vlag gestreken.

Inít strijken begonden de Fransen te roepen, val val en vielen op ons schip met een houer in de hant, en pistools en enterbijl op de zijd.

Maar siende de vlag gestreken, deden niemant geen leed als haar goet te plunderen.

Ick en mijn meit waren in de cajuit, nevens onse schipper en 2 stuurlui met de 3 Franse Kapiteins, voorts eisten se mijn sleutels van mijn koffers of, die ick gaf.

Sij deelden de buit onder haar drieen, en ick sag het aan, doch voor mij wert goede sorg gedragen.

Hoewel ick het anders verwacht had, soo dat mijn benautheit en vrees niet soo groot was als inít begin.

Jan Bart nam mij op sijn schip, daar ick van alles wel besorgt wert.

Op de kaper gekomen sijnde, vont ick daar een Paap die seide in Noorthollant gewoont te hebben, tot Woggelem, en had mijn vader seer wel gekent.

Hij sei mij ook doe mijn vader de Pape-kerck buiten Niedorp versteurde, dat hij daar mee omtrent had geweest.

Sij deden dagelijks veel moeiten om mij van mijn geloof af te praten, doch godt de heer gaf mij de vrijmoedigheid dat ick mij daar tegen versette.

Sij gaven altemets goede woorden en dan weer dreigementen van mij dit of dat te sullen doen.

Maar ick sei nooit te sullen veranderen, om enige schone belofte of dreigementen.

De Kapitein was een vroom en goetaardig man, en niet soo bitter paaps als de andere, doch dit dagelijks dispuit, soo sei hij mij, dat een ander insicht had als ick wel meende, en dat ick mij maar gerust sou stellen, alsoo ít van de Schipper, Jacob van Acker vandaan kwam die een jong vrijer was, en mij garen als ick verandere wou, tot Duinkerken sou gesien hebben.

Ick smeet een Paternoster weg, en dee verscheide malen de waskaarsen uit, en eindelijk sij geen kans siende om mij te trekken, lieten mij in mijn wesen.

Ik had veel boeken, waar onder veel geestelijke, die sij in een kist sloten, van haar gevende dat die tot Duinkerken souden verbranden.

De kaper leefden lui en lekker.

Wij hadden dagelijks gesoden en gebraden, lagen te kruisen tussen Hitlant en Noorwegen, en kwamen dagelijks bij de Hollantse buisen.

Gedurich was hier in rep en roer, dan sag men voor schepen, dan weer achter, dat ging er dan op af, doch ít waren gedurigh Engelsen, behalven een Oostindevaarder sijnde een kaper met 8 a 10 stukken en redelijk bemant, daar tegen slaags raakten, doch sij geen kans siende, streken de vlag soo dat sonder verlies van volk haar veroverde.

Lichten het beste goet en ít geschut daaraf, toen ging de schipper over, hakte een gat in de kiel en liet dat schone schip sinken.

Sij sette het volk over in een hoeker die daar lei te vissen.

Op Doggersbank sonden die na Oostenden, en alsoo het een Hollantse visser was, gaven sij hem vrij vissen.

1677, 22-6 waren wij voor ít liet van Bergen in Noorwegen, alwaar het sneeu nog op de bergen lag.

Wij tijding krijgende dat het schip waarmee wij uit Wesindien gekomen waren, weer hernomen was met groot verlies van volk, resolveerden Jan Bart de Kapitein die kaper op te soeken, en daar ravensij van te hebben, of selver te blijven, hetgeen mij weinig aanstont, vresende het niet wel sou aflopen.

Dewijl de ander sijnde sijn eigen neef, doch een Oostendenaar, hem ook socht, en sijnde bijna soo groot en wel bevolkt als hij.

 

Elisabeth terug in Niedorp

 

1677, 23-6 smorgens komende op de Welle bij de ravier van Londen, sagen een groot zeil op ons af komen, meende het die was die wij sochten, lieten de Franse vlag achter of wajen, het geschut te boort, de trompette en fiolen gingen, doch bij malkander komende was het een Engels kofferdij man die na Hollant wou.

Als de schipper op de kaper kwam, na scheeps gebruik, versocht Jan Bart of hij ons Hollants volk over wou nemen, ít geen hij deed.

Ick versocht mee te mogen overgaan, ít geen mij gekonsenteert wiert.

Op het Engels schip komende vont ick een seer soet geselschap van Juffers inde cajuit die in Hollant mosten wesen.

Die selven avont kwamen wij noch omtrent 10 uren binnen Tessel, ick huurde een schuitje dat mij aan Aertswout bracht.

1677, 24-6 kwam ick tot Niedorp alleen, daar ick de 3 december voorgaande met vader, suster, en broer, en soo veel volk, en kostelijkheid was vandaan gegaan.

Ieder kan gedenken hoe mijn hart gestelt was, daar kwam alle dag soo veel volk om te spreken, dat het mijn hooft haast eil maakten, en ick haar niet al kond beantwoorden.

Den enen vroeg na haar man, de ander na ouders, de ander na kinders, de ander weer na vrienden, en dan na mijn vader, suster, broer, en de moeilijke reis, dat mij gedurigh nieuwe alterabijes gaf, soo dat ick dikwijls dacht daar is geen deur komen aan.

Ick wenste dick weer in de Westindien te sijn, of elders, dat mij niemant kende.

Doch dat was miermereren, ít geen mij niet toe kwam te doen, alsoo ick groote dankbaarheid aan godt schuldig was, die mij genadelijk verlost had uit de handen van mijn vijanden.

Deze somer was het land in Hollant dat onder water had gelegen, tegen allen mensen gedachten weer soo vol gras als het in lange jaren niet geweest hadt.

 

Hoe het met Johannes in verder gaat.

 

1677, 10-7 smorgens omtrent 3 a 4 uren overvielen de Fransen Wiapoka met verraat.

Mijn broer horende datter geschoten wiert, sprong ten bedde uit, lopende in sijn onderkleren na het fort.

Daar komende hadden het de Fransen al in, daar waren enkele Principalen met een vaartuig uit vissen, mijn broer met noch 6 anderen siende geen kans iets uit te halen, namen de vlucht, boswaart in.

Vonden in het bos noch 5 andere.

1677, 11-7 kwamen sij bij de Indianen die haar grote vrindschap bewesen, gaven haar eten en drinken, en leiden haar boven op de solder te slapen.

Doch alsoo die huisen van groete gemaakt en niet heel sterk sijn, vielen sij snachts met de solder van boven neer, sonder haar te beschadigen.

De Indianen wisten niet wat haar over kwam.

De Indianen hadden enig schiet geweer genomen van de Fransen, ít geen sij aan ons

1677, 15-7 alsoo geen uitkomst sagen van haar ellende, gingen 8 van de Hollanders weer om na het fort en gaven haar over aan de Fransen.

Het was daar alles verdistrueert en verbrant.

Het klein en groot wert vervoert na Cajane.

1677, 16-7 ging mijn broer met een knecht na de kant van de ravier en komende door godt bestiering daar de boot aan kwam zeilen menende na het fort te gaan.

Zij haar siende zijn doen, kwamen aan vragen hoe sij daar inít bos verdoolt kwamen, seiden sij haar dat het fort van de Fransen verovert was, waardoor sij seer verschrikten, en dat sij maar met haar 4 ontkomen waren.

Versochten derhalve dat de andere 2 mochten mee gehaalt en in de boot kwamen worden.

Doch de stierman sei dat hij haar wilde meenemen, maar de andere 2 onmogelijk, niet alsoo de boot soo vol sinde geen zee konde bouwen.

Waar die mensen gebleven sijn weet men niet, sij hebben haar daar gelaten.

1677, 17-7 gingen sij Ďt zeil, namen haar afscheit van Kaap de Oranje of Wiapoka.

1677, 24-7 kwamen se tot Surinama, daar het bijna even eens is als op Wiapoka,

1677, 29-9 ging mijn broer ít zeil van Suriname met een fluit schip na Hollant.

1677, 15-12    kwamen se inde hoofde tussen Calis en Doveren, sagen 10 zeilen, 4 voor en 6 achteruit, hadden zijde wint en liepen onder Duijns ten anker.

 

1677,.?      lichten sij haar ankers en verlieten Engelant.

Johannes ook terug in Holland

 

1677,.?      kwamen de Maas inlopen.

1677, .?     kwam mijn broer tot Niedorp van sijn moeilijke reis en ging sijn woonplaats nemen tot Enchuijsen.

Ik was 19-10-1677 tot Amsterdam gaan wonen in een Franse winkel.

1677, 14-11  is sijn hoogheit de Prins van Oranje in Engelant met sijn nicht getrout, en 1677, 1677, 14-12   met sijn gemalinne in de Haagh ingehaalt.

1678, 12-5 sijn 12 schepen bij Curasou van de Fransen vloot door ongeluk vernielt.

1678, 27-5 heb ick Johannes Pruimer ten doop gehouden in de Oude Kerk, (1682 gestorven, de 12 januari).

1678, 10 en 12-8 is de vrede gesloten met de Koning van Frankrijk en de Staten Generaal.

1678, 17-9 is de vrede gesloten tussen Frankrijk en Spanjen.

1678, 28-9 heb ick een oliphant gesien in het Oost Indisch huis tot Amsterdam.

1678, 5-10 isser door heel Hollant victorij gebrant over de vrede, godt geeft dat die lang mag duren.

 

1679, 20-4 is de vrede gesloten met die van Algiers.

1679, 5-7   Meindert Pruimer ten doop gehouden in de Zuiderkerk.

1679, 31-8 is het huwelijk voltrokken tussen de Koning van Spanjen en Madammeselle díOrlians.

1679, 24-10    heb ick den oversten Wurst tot Amsterdam Koninklijk sien begraven.

1679, 14-11,   is Metje van Gent in den heer ontslapen.

 

1680, 16-1 sijn tot Constantinopelen 5000 huisen afgebrant.

 

1680, 1-2   ben ick tot Enchuijsen komen wonen bij mijn nicht.

1680, 18-2 is het huwelijk gesloten van den Franse Douphijn met de Beyerse Princes.

1680, 8-6   is den donder in een berg geslagen in Ierlant, alwaar sulken water is uit gevloeit dat het land tien mijl inít ronde is onder gelopen.

1680, 24-7 is tot Heusden de kruitoren door de donder aangestoken en is daar door het kasteel en stat verwoest.

1680, 9-10 is de stat Mallega door een aartbevinge deerlijk verwoest.

1680, 26-12    sag men een commeet os star met een staart, welke staart lang was 84 graden, na het seggen van die geen die hem schooten.

1680, 14-12    is de Keiserin van een jonge Prins verlost.

 

1681,         is de Prins van Brandenburg getrout met de Princes Radzeviel.

1681, 4-4   ben ick tot Amsterdam komen wonen in de Nes bij nijn nicht.

1681, 17-4 is het Rotterdams convooij op de kust van Minorca deerlijk vergaan.

In juni is het bestant van 12 jaren tussen den Chaar van Muskovien en den Grooten Turk gesloten.

1681, 17-6     heeft de Koning van Frankrijk een declaratie uit gegeven tegen de Hugenoten.

1681, 12-7 heb ick Anna Pruimer ten doop gehouden in de Nieuwe Kerk.

 

1683, 10-1 heb ick Jacoba Brincman te doop gehouden in de Nieuwe Kerk.

1683, 3-7   is de Koningin van Frankrijk gestorven.

1683, 5-9   is mijn broer Johannes van der Woude getrout met Meijnutje Boelens, tot Enchuijsen.

 

1684, 20-1 is mijn broers vrouw Meijnutje verlost van een jonge dochter, smorgens ten seven uren en den selven avont gedoopt in de Westerkerk, en na mijn moeder Margriet geheten, (de 16 maart gestorven).

1684, 4-3   is mijn broer angenomen om te gaan na Oostindien voor Koopman, en de 14 mei ít zeil gegaan met het schip de Groote Visserij van Enchuijsen.

1684, 23-4 ben ick Elijsabet van der Woude met Adolf Fredrik Bock te samen in den echten staat vergadert en getrout tot Oost-Zaardam.

De heer geef ons daar toe sijn segen amen.

 

1685, 29-1 heeft mijn man Adolf Fredrik Bock het groot burger of Poorters recht gekocht tot Amsterdam.

1685, 26-2 ben ick verlost van een jonge soon die de 27 dito gedoopt is van Domenee Wesselinh, en na mijn mans vader genoemt Henderick Jochun, de heer laat hem in deugden opwassen.

 

1686, 26-6 ben ick verlost van mijn twede soon die de 27 dito gedoopt is, en na mijn vader genoemt Harmen Hartman, de heer laat hem in deugeden opwassen, (ick heb mijn belijdenis gedaan bij dominee Haritius op woensdag den 24 augustus 1678 tot Amsterdam).

 

1688, 24-6 sijnde donderdag, is mijn soon Harmen Hartman inden heer gerust na dat hij 5 weken heel uit geteert was.

 

1685, 28-6 dito in de Oude Luiterse kerk begraven (sarck).

 

1688, 17-10    ben ick verlost van mijn derde kint, sijnde een dochter die de 19 dito, sijnde dinsdag, gedoopt is, en na mijn moeder genoemt Margarete, de heer laat haar in deugde opwasse.

 

1690, 2-11 ben ick van mijn 4 kint verlost, sijnde een dochter, en is de 3 dito, sijnde vrijdag, gedoopt, en na mijn mans moeder genaamt Philidia, de heer laat haar in deugde opwasse.

 

1691, 19-3 is ons dochtertje Philidia in den heer gerust, en de 12 dito in de Oude Luiterse kerk begraven.

 

1692, 9-2   is geboren min 5 de kint, sijnde een soon, en is op sondag de 10 dito gedoopt, en naar mijn vader genaamt Harmen Hartman, de heer laat hem in deugde opwassen.

 

1693, 15-3 is gebore mijn 6 kint, sijnde Palmsondag, sijnde een dochter, en is de 17 dito gedoopt, en geheten Philidia, de heer laat haar in deugde opwassen.

1693, 31-8 is onse soon Hartman in den heer gerust na dat 5 weken heel uitgeteert was.

1693, 4-9   in de oude Luiterse kerk begraven.

 

1694, 1-3   is mijn man Adolf Frederick Bock van de steen gesneden, welke kuur gedaan wiert door de Joodt Benevento de Lijon, die het heel wel gelukt en mijn man haast door godes segen weder tot sijn gesondheit kwam.

1694, 29-8  smorgens heel vroeg, is onse dochter Philidia in den heer gerust na dat 2 weken had siek geweest, ende 2 septemn ind de Oude Luiterse kerk begrave.

1694, 3-9   ben ick verlost van mijn sevende kint, sijnd een soon, en de 5 dito gedoopt, en na mijn broeder genaamt Johannes, de heer laat hem in deugden opwassen.

 

 

 

Afb. rechts: het dagboek van Elisabeth van der woude

 

 

Kaper Jean Bart (1650-1702)

 

 

Het schip waarop Elisabeth vaart, wordt gekaapt door kapers uit Duinkerken onder leiding van kaperkapitein Jean Bart. Hij is een van de beruchtste kaperkapiteins uit die tijd.
De in 1650 geboren Bart begon zijn loopbaan als visser, evenals zijn vader. Toen hij vijftien was trad hij in dienst bij de oorlogsvloot van de Republiek tijdens de Tweede Engelse Oorlog (1665-1667). Hierna keerde hij terug naar Duinkerken waar hij een carriŤre als kaper begon. Een zeer succesvolle carriŤre, want binnen enkele jaren had hij zijn eigen schip. Al spoedig kreeg hij het bevel over een aantal kaperschepen. Hiermee vaart hij van maart 1676 tot maart 1678 over de Noordzee, waar hij op 2 juni 1677 het schip van Elisabeth kaapt.
De kapiteins op de twee andere schepen zijn waarschijnlijk Karel Keyzer en Jan Soutenye, compagnons van Jean Bart.
De Duinkerker kapers hadden van de Franse koning Lodewijk XIV bij het uitbreken van de oorlog tegen de Republiek in 1672 een speciale missie gekregen: Nederlandse schepen veroveren. Meestal namen de kapers de veroverde schepen mee naar Duinkerken. Als een schip door de gevechten te zeer gehavend was, brachten ze het tot zinken, nadat de kostbare lading en alle bruikbare materialen van boord waren gehaald. De bemanning ging mee naar Duinkerken, waar ze met losgeld kon worden vrijgekocht. Een enkele keer werden de opvarenden gewoon overboord gezet.

De kaping van Elisabeths schip verloopt anders. De kapers nemen het schip in gebruik en de opvarenden worden aan boord van de kaperschepen gebracht. Hier blijven ze; ze worden niet naar Duinkerken gevoerd. Waarschijnlijk zou dat Jean Bart teveel tijd kosten en levert het meer op om met kapen in de omgeving door te gaan. Elisabeth heeft het niet slecht aan boord: Ďvoor mij wert goede sorgh gedragení. De kapers proberen haar wel van haar gereformeerde geloof af te krijgen. Waarschijnlijk verkeert Elisabeth in gezelschap van haar dienstmeid. Zij noemt haar slechts ťťn keer, bij de kaping zelf, daarna niet meer. Het schip waarmee Elisabeth uit Guyana is gekomen, inmiddels bemand door de Duinkerkers, wordt al snel ingenomen door de concurrent: kapers uit Oostende. Jean Bart is van plan het schip te heroveren. Elisabeth maakt dit niet meer mee, want na drie weken aan boord laat Bart haar met een Engels koopvaardijschip naar Holland terugkeren. Waarom hij dit doet, wordt uit Elisabeths verhaal niet duidelijk.
Jean Bart kaapt nog een flink aantal jaren door. Zijn naam en faam groeit en hij wordt door Lodewijk XIV in de adelstand verheven. In 1702 sterft hij op 52-jarige leeftijd. Niet in een heldhaftig gevecht op zee, maar thuis in Duinkerken aan een borstonsteking.