Dorpsraad 't Veld -Zijdewind

 
  De historie van onze dorpen
 
  Home

Historie

 

Paepsche afgoderije

 

Een verstoord Vormingsfeest in 1649 in Zijdewind

(Door Arnold Landman en Joop Zutt)

 

In de tweede helft van de zestiende eeuw tekenden de veranderingen in de godsdienstige belevingen in de Nederlanden zich af; begonnen met de zogenaamde “Hagenpreken” en uitmondend in de Beeldenstorm. Het protestantisme kreeg vaste voet aan de grond; versterkt door de vrijheidsoorlog die werd gevoerd tegen Spanje. De Tachtigjarige Oorlog, als een vrijheidsoorlog begonnen, werd later tevens een godsdienstoorlog. Na jarenlange besprekingen werd ten slotte in 1648 de Vrede van Munster gesloten. Maar daarmee was het leed nog niet geleden.

Tijdens de besprekingen, die aan de Vrede van Munster voorafgingen, werd uitgebreid aandacht besteed aan de godsdienstvrijheid. De Spaanse gezant Antoine Brun zou nadrukkelijk toezien op de naleving van de gemaakte afspraken op godsdienstig gebied. Hij had vooral zijn handen vol aan het gebied van Brabant en Holland.
Ook het dorp Zijdewind, ruim twee uur gaans uit Alkmaar en één uur uit Schagen, bezorgde hem het nodige werk. Dat kwam door Jacobus de la Torre, apostolisch-vicaris, pastoor Bavo Cleerbesem en Herman Hartman van der Woude, schout van Niedorp. Zij waren partij in de zaak Zijdewind. Daar kwamen in de zomer van 1649 enige duizenden katholieken samen om het Vormsel toegediend te krijgen. Een godsdienstig gebeuren, dat eindigde in een soort veldslag.

 

Pastoor Cleerbesem

Bavo Costerus, beter bekend onder zijn bijnaam Cleerbesem, was in 1612 benoemd tot missionaris van het Noorderkwartier. Na zijn opleiding tot priester in het Belgische Leuven was dit zijn eerste werkgebied. Het strekte zich uit van Schagen, Oude Niedorp, Nieuwe Niedorp, Winkel en Veenhuizen tot Harenkarspel en Warmenhuizen, de (westelijke) helft van West-Friesland. Het was ploeteren in dit uitgestrekte gebied. Gelukkig kreeg hij van vele kanten hulp.

Zo was er door zijn voorganger, Joost Boudewijsz. Cats (zie afbeelding rechts) al een aantal vrome vrouwen aangesteld om te assisteren bij het geven van godsdienstonderwijs aan kinderen. Ook seinden zij de mensen in wanneer de pastoor kwam om sacramenten toe te dienen of de eucharistie te vieren. Deze vrouwen zouden later de bijnaam “Klopjes” krijgen. Die Klopjes leefden volgens een bepaalde regel in gemeenschap met elkaar. Zo moesten zij onder andere geen andere kleding dragen dan zwaar linnen.

Pastoor Cleerbesem woonde in het veld; niet in het dorp maar in een houten huis midden in de polder, achteraf en verscholen daar was hij veilig. De Klopjes verzorgden hem, ze zorgden voor zijn huisvesting, kleding en voeding.

Diederik van Sonoy, de bekende Watergeus en gouverneur van Noord-Holland, die op het kasteel in Schagen woonde, had in het Noorderkwartier een schrikbewind tegen de katholieken uitgeoefend. Ook zijn opvolgers waren fel gekant tegen het werk van priesters en hun volgelingen. In hun opdracht waren enkele schuilkerken van Cleerbesem verschillende keren gesloten, verzegeld of gesloopt.

Ondanks alle verzet en intimidatie was Cleerbesem niet ontevreden. Zijn arbeid droeg vrucht en hij mocht duizenden mensen tot zijn kerk rekenen. Hij zat echter met één levensgroot probleem. Het Heilig Vormsel, een van de zeven sacramenten, was al jarenlang niet toegediend. Zijn parochianen wilden deze bevestiging van hun godsdienst graag ontvangen. Het toedienen van dit sacrament was evenwel voorbehouden aan de bisschop. In het prille voorjaar van 1649 kreeg pastoor Cleerbesem het bericht dat bisschop Jacobus de la Torre naar Noord-Holland zou komen. In het diepste geheim werden zijn komst en de plechtigheden rond de toediening van dit sacrament voorbereid.

 

Jacobus de Ia Torre

De Nederlanden kenden al geruime tijd geen bisschoppen meer. Nederland was een missiegebied geworden. De katholieke kerk in ons land werd vanuit Rome bestuurd. In de vredesbesprekingen met Spanje was ook nadrukkelijk gesproken over de strijd voor gewetens- en geloofsvrijheid. In oktober 1646 werd een nadere instructie aan de onderhandelaars meegegeven.

 

- Dat niet anders: te verwachten is, dan dat de ware Gereformeerde Religie by tyde van Vrede van alle kanten sal worden ondermijnt, ende dat insonderheiyt de Papisten sullen aengroeyen ende sich komen te stabiliseren, ende daer in van hoger handt werden gesupporteert ende gefavoriseert, ende dat men sich sal sonderen op den gemaeckten Vrede, en daer door de principaelste reden comen te cesseren, waer om de voorgenoemde Paus-ghesinde tot noch toe met meerder omsight zijn te onder gehouden’

 

In diverse opdrachten aan de onderhandelaars kwam dit punt terug. Uiteindelijk was er in het zo tolerante Holland sprake van een regelrechte onderdrukking. In deze gespannen tijd werd Jacobus de la Torre benoemd tot vicaris-coadjutor. Op 19 mei 1647 werd hij in Munster gewijd tot titulair-bisschop met de titel van aartsbisschop van Ephese. De Ia Torre maakte snel carrière.

Jacobus de la Torre, geboren in ‘s Gravenhage uit een oorspronkelijk Vlaamsch geslacht. Hij overleed op 16 september 1661 te Huybergen. Hij werd op 24 augustus: 1640 door Paus Urbanus VIII tot coadjutor benoemd. Vooral met het oog op het toedienen van het  Heilig Vormsel werd de Paus herhaalde keren verzocht hem tot  bisschop te wijden. Dit gebeurde te Munster op 19 mei 1647; daar de muntius van Keulen Fabius Chigi, de latere Paus Alexander VII, werd hij gewijd tot titulair bisschop met de titel van aartsbisschop van Ephese. (foto: Museum Catharijnenconvent, Utrecht)

 

 

 

 

 

 

Als zoon uit een welgestelde Familie beschikte hij over ruime financiéle middelen.

Genoemd is wel eens, dat de achterliggende gedachte bij zijn benoeming zou zijn geweest dat hij met zijn vermogen geen beroep zou behoeven te doen op de financiële hulp uit Rome. In de praktijk werd hij tijdens zijn bewind echter voortdurend geplaagd door geldzorgen.

Den Haag werd zijn standplaats. Een van zijn taken was ook het toedienen van het Heilig Vormsel. In de loop van 1649 zou hij hiertoe een reis maken naar West-Friesland. Hij zag daar echter wel tegenop. Tijdens zijn reis voelde hij op verschillende plaatsen de weerstand tegen het katholieke geloof. Daar waren verschillende maatregelen tegen genomen. Hij kwam plakkaten tegen met teksten over “Paepse Afgoderye, Superstitie” (bijgeloof) ende Hierarchie. Hij was daarom niet gerust op de goede afloop.

 

Herman Hartman van der Woude

De schout van Niedorp, Herman Hartman van der Woude, kon zich er mateloos over opwinden. Ook zijn voorganger, Anthonius van Myerop, was al de nodige keren tegen de Paepse Afgodrye opgetreden. Hij haalde het verslag van zijn voorganger nog eens uit de kast en las daarin de nauwgezette aantekeningen van Myerop. Op 4 juli 1644 was hij naar de Campen gereden tezamen met de schepenen van Niedorp, Henrick Aelbertsz en Jasper Jansz Koeman. Het huis van die vermaledijde Cleerbesem hadden we onderzocht. Bavo Cleerbesem was zelfs zo brutaal geweest een deel van zijn huis tot kerk te verklaren.

 

-Myerop had deseve deuren van buiten met drie enckele middelnagele toegeslagen ende gesloten; ende beneden gecommen synde, hebbe deselven Bavo Cleerbesem belast, d’selver  kerck nyet weder ze ontsluiten; maer die gesloten te houden, ten eynde daerinne geen conventiculen worden gehouden, nochte op andere plaetsen egene kercke toe te stellen ende conventiculen te houden, op peyne als in den placcate’-.

 

Myerop was duidelijk geweest. Ook in den Zijtwindt had hij een kerk gesloten, evenals aan de Wateringskant nabij Lutjewinkel en aan het Oosteinde van Nieuwe Niedorp. Een aantal jaren had Cleerbesem zich betrekkelijk rustig gehouden, maar nu ging hij duidelijk te ver!

Van verschillende kanten had Hartman van der Woude signalen gekregen dat Cleerbesem weer grote plannen had. Hij nam zich voor de bezem eens stevig door de ‘Paepsche  stoutighgeydt’ te halen. Herman Hartman van der Woude wilde, voordat hij eventuele stappen ondernam, echter eerst zorgen voor een goede rugdekking. Hij besloot de regenten Van Niedorp bijeen te roepen.

Pastoor Cleerbesem daarentegen riep zijn kerkmeesters bijeen. Willem Albertsz. en Pieter Cornelis Dissel, twee van zijn vertrouwelingen, woonden in Zijdewind. De pastoor kon tot zijn vreugde melden dat bisschop De la Torre op maandag 23 augustus 1649 het Heilig Vormsel zou komen toedienen. Hij sprak ook zijn ongerustheid uit over de houding van de schout van Nieuwe Niedorp. Bij plakkaten waren dergelijke grote bijeenkomsten immers verboden. Lang werd er over gesproken. Willem en Pieter waren echter van mening dat het niet zo'n vaart zou lopen. Nu de vrede met Spanje een feit was zou de Roomse godsdienst toch weer mogen worden uitgeoefend? Besloten werd de plannen door te zetten. Willem Albertsz. zou de klopjes vragen de katholieke gezinnen langs te gaan en de namen te verzamelen van degenen die het Vormsel zouden ontvangen. Pieter Cornelis Dissel zou de organisatie in en rond de kerk op zich nemen.

Zijdewind was een katholiek dorp. Er werden veel mensen verwacht die onderdak moesten krijgen en gevoed moesten worden. Ook de schout moest in de gaten worden gehouden. Er moest een goed werkend waarschuwingssysteem worden opgezet. Het werden drukke dagen voor deze mensen.

 

Op naar Zijdewind

Vrijdag 20 augustus begaf De la Torre zich per koets, getrokken door twee paarden, op weg naar het verre West-Friesland. Hij vroeg zich af of hij zich nog van wapens zou voorzien. Hij besloot echter daarvan af te zien. Zondag 22 augustus bereikte hij Alkmaar en nam zijn intrek in de herberg “Het Grauwe Paertshooft“ op de Dijk. De volgende dag vertrok hij met Theunis Pietersz. op weg naar Zijdewind. Op de hoek met de Schermer sloot pastoor H. Benschop van Oudorp zich met een grote groep parochianen bij hem aan. Ook uit Alkmaar volgde een flink aantal mensen. Via de Huygendijk kwam hij in Heerhugowaard. Halverwege de Middelweg wachtten pastoor Jacobus Merius uit de Zuidermeer en pastoor Petrus Mathias Praeterus. Ook zij hadden veel parochianen meegebracht. De Middelweg volgend kwamen zij bij het Niedorper Verlaat. Ook hier voegden weer veel mensen zich bij de stoet. Bisschop De la Torre was niet gerust. Zoveel mensen zou wel eens teveel van het goede kunnen zijn.

 

 

De zogenaamde 'koeienkerk' van Droog in Zijdewind. Toen het gebouw op 15 november 1919 de functie van lagere school verloor werd de kerk in 1920 aan Jan Droog in Zijdewind verkocht‘ Droog hield er zijn koeien in en zo kwam deze voormalige kerk aan haar ‘bijnaam’. De kerk werd begin van de jaren zeventig gesloopt. Het vervallen gebouw stond in de weg. Op de plek waar de kerk stond ligt nu de verbindingsweg van Zijdewind naar de provinciale weg Verlaat Schagen en gaat  vervolgens over in de Hartweg te 't Veld.

 

 

Schout Herman Hartman van der Woude had zijn mensen op 23 augustus bij elkaar. Hendrick Klaesz. Schoenmaker en Cornelis Dircksz. Kistemaker, burgemeesteren tot Niedorp, Klaas Klaesz. Houtkooper, Arien Pietersz. Moerbeeck en Klaes ]acobsz., Schepenen der Stede Niedorp. De andere Regenten waren van huis, dus absent. In korte trekken schetste hij wat hem bekend was van de plannen van pastoor Cleerbesem. Hij sprak over de vele geruchten dat er een Paepsche Bisschop naar Zijdewind zou komen en dat er al van alle kanten wagens met volk derwaarts reden om het Vormsel, zoals ze dat noemden, te ontvangen. Hij wees het College erop dat deze ergerlijke komst van een bisschop, nu een vrede met de koning van Spanje was gesloten, absoluut verboden en niet te tolereren was. Zouden ze dit accepteren dan zou dat in de toekomst kwalijke gevolgen hebben. Besloten werd op te treden.

 

De confrontatie

Vicaris De la Torre naderde de Weel. Hier stonden al veel wagens langs de weg. Het dorp Zijdewind zag zwart van de mensen. Zij zwaaiden naar hem en riepen hem een enthousiast welkom toe. Eindelijk kon hij pastoor Cleerbesem in het gedrang ontwaren. Na een kort welkom besloten beiden dat de plechtigheid zo snel mogelijk moest beginnen. De schuilkerk, gebouwd naast een Westfriese stolpboerderij, bood voor deze massa mensen onvoldoende ruimte. In groepen van tweehonderd mensen zou het Vormsel worden toegediend. Pieter Dissel en zijn mensen stonden op wacht.

Herman Hartman van der Woude vertrok onderhaast met zijn Rakkers om elf uur uit Niedorp. Rond het middaguur waren zij bij de Weel.

 

-' Tot dien eynde in alderyl, met een rijdende wagen, komende op den aenvangh van de Sijtwind door de Weel, hebben terstond gesien dat veele personen uytwaert aen tot het preeckhuys toe op de  wacht  stonden, die met wimpels van neusdoecken, malkanderen adverteerden van onse komst’-.

 

Het waarschuwingssysteem van Pieter Dissel werkte. Bisschop De la Torre en pastoor Cleerbesem beëindigden onmiddellijk de plechtigheden. De schuilkerk werd ontruimd en gebruikte materialen werden weggeborgen. De komst van de schout deed de gesprekken verstommen. De spanning was te snijden.

De schout reed met zijn rakkers door naar de schuilkerk in Zijdewind. Hij zag daar een grote menigte - in zijn verslag spreekt hij van ‘drie duysend in ’t getal’- die hem zwijgend doch bovenal dreigend stond op te wachten. Het erf, de boomgaard, maar ook de erven in de omgeving, stonden vol mannen, vrouwen, kinderen, paarden en wagens. De schout kon niet meer terug. Onder grote spanning maakte hij de voordeur open en ging de schuilkerk binnen. Via de zuiddeur drong ook het volk naar binnen. Onmiddellijk onderzocht hij het preeck-huys, galderijen en celletjes: om de bisschop, die vergezeld zou moeten zijn van twaalf ofwel twintig priesters, te zoeken. Hij kon ze niet vinden. Wel vond hij het altaar en verschillende bijbehorende benodigdheden De druk van het volk werd groter.

Hartman van der Woude besloot de deuren te sluiten en de luiken voor de ramen te doen. Pieter Dissel had zijn werk goed gedaan. De la Torre en zijn gezelschap konden ontsnappen via de achtergelegen ringsloot. De paarden stonden aan de overkant klaar. Via polder De Slootgaard reed men spoorslags naar de Weel en vervolgens via de Middelweg in Heerhugowaard naar de Jagersplaats. Bij deze schuilkerk kon men van de schrik bekomen en de schout van Niedorp had het nakijken.

De la Torre had zijn kostbare bisschopsstaf achter moeten laten. De spionnen van de schout deden echter ook hun werk. De schout arresteerde Willem Albertsz. en Pieter Dissel als twee van de voornaamste papisten. Zij werden als gijzelaars vastgehouden in de schuilkerk. Hen werd onmiddellijk gevraagd wie de dienst had geleid.

Eerst onkenden zij iets te weten. Tenslotte antwoordden zij dat zij de persoon niet kenden, maar dat ze wel gehoord hadden dat hij wat meer was dan hun priester. Willem Alberrsz. verklaarde dat hij verstaan had dat de man uit Frankrijk afkomstig zou zijn. De mannen van de schout hadden ondertussen al het materiaal van het bedehuis verzameld: beelden, het altaar en overige ornamenten.

De mensen buiten het gebouw schreeuwden en joelden dat ze dit van de schout niet zouden pikken. Wanneer hij de inventaris zou meenemen zou men het  recht in eigen hand nemen. Herman Hartman van der Woude koos eieren voor zijn geld. Als alternatief werd alles geinventariseerd. Speciaal werd omschreven ‘eenen staf met een breet lofwreck  aen het eynde, schijnende den Bisschops, ofte Suffragaens scepter, met Gouden knoopen’.

 

Deze vondst van de bisschopsstaf was voor de schout voldoende om beide mannen te arresteren. Door de gemeentebode werden scherpelijek de verplichtingen van beide arrestanten ingeprent. De inboedel mocht niet worden verduisterd, vervoerd of vervreemd. Ze zouden een zware boete krijgen opgelegd voor soortgelijke bijeenkomsten of vergaderingen. Deze voorwaarden zouden eveneens gelden voor al de aanwezigen. Voor zover namen bekend waren werden deze genoteerd. Voor de beslaglegging op de goederen en het verbod om godsdienstige bijeenkomsten te organiseren werden beide Zijdewinders persoonlijk aansprakelijk gesteld. Zij moesten daartoe de inventarisatie mede ondertekenen. De schout probeerde opnieuw de naam en de verblijfplaats van bisschop De la Torre aan hen te ontfutselen.

 

De vlam in de pan

Plotseling liep de zaak echter uit de hand. Tijdens de verhoren, die nog in redelijke rust verliepen, begon de menigte op te dringen. Luiken werden opengetrokken, een raam ging aan diggelen. De schout kreeg de nodige dreigementen en scheldwoorden naar zijn hoofd geslingerd. De Niedorpers werden beledigd. Er werd zelfs gedreigd hen te vermoorden. De rakkers van de schout voelden zich in het nauw gedreven. Zij moesten met ‘bloote degens, geladen pistoolen ende roers’ de menigte op afstand houden. Ze trokken zich terug in de schuilkerk. Opnieuw drong de menigte op. Door de zuiddeur en later de voordeur drong het volk naar binnen, terwijl ze riepen dat ze niks met de schout te maken wilden hebben. “Slechts met puer ghewelt houwen ende steecken, door den Oflicier en Dienaer doen retireren".  
Met moeite kregen ze de mensen weer naar buiten. Maar de menigte bleef terugkomen. Er werd van alle kanten met hout en stenen naar de gerechtsdienaren gesmeten. Een derde aanval volgde. Met palen en stokken werd de darsdeur opengebeukt. Opnieuw moest de schout met zijn rakkers een scherpe charge uitvoeren. En opnieuw wist men de aanvallers terug te drijven.

 

‘Al het welck noch niet genoegh zijnde, is het volck hoe langer hoe booser wordende, hoe wel by ons alle Discretie wierde belooft‘, echter op de deuren ende vensteren aangevallen, soeckende groote dreygementen, ende gruwelijcke  scheldwoorden, daer teghen in te komen, brengende stocken en palen rontsomme aen het huys, delvende steenen uyt de straet, soo van ons  yemant van buyten, door een venster wierde berechr, houdende het huys rontsomme wel twee uuren langh  beset, sodattet niet mogelijck was voor ons daer uyt te komen’

 

De woedende menigte schreeuwde dat de regenten van Niedorp zelf de oorzaak waren van dit geweld en dat zij niets over de Zijdewinders te zeggen hadden. Herman Hartman van der Woude kon hen niets anders toeroepen dan dat hij alles op last deed van de Staten van Holland en West-Friesland en het gerechtshof. Hij zou hen wel weten te vinden zodra ze weer bij zinnen waren. Het volk had hier echter geen boodschap aan. Het vroeg niet naar de staten of het hof. Het had immers geen vrijheid herkregen door de pas getekende Vrede van Munster. (Hiermee kwam duidelijk het verschil van inzicht in het effekt van het vredesverdrag naar voren. In de voorbesprekingen met pastoor Cleerbesem en Willem Albertsz en Pieter Dissel was er ook al sprake van een verschil in inzicht). De menigte dreigde dan ook dat het optreden van de schout de Koning van Spanje ter ore zou komen.

De schout en zijn mannen voelden zich vreselijk in het nauw gedreven. Ze moesten tenslotte hun inventarisatie inleveren, Willem Albertsz. en Pieter Dissel vrijlaten en beloven dat niemand van hen zou worden vervolgd.
Ende, wanneer wy maer in eenige poincten weygerachtigh waren, was den roep terstont onder het volck, t’sa laet ons aenvallen, zijnde door niemant te verspreeecken’.
 

Lang hield Hartman van der Woude stand. Maar toen uiteindelijk de zaak opnieuw uit de hand dreigde te lopen gaf hij toe. De inventarislijst en de akte van borgtocht werden voor de ogen van het volk verscheurd. Met handslag van Cornelis Jansz. Venniker, afkomstig uit Winkel en lid van het kerkbestuur, werd plechtig beloofd dat er geen letter meer op papier zou komen en dat ze niets van de inventaris zouden afvoeren.
Uiteindelijk wisten ze te ontsnappen, daarbij Willem Albertsz. en Pieter Dissel - onder schot -  als gijzelaars met zich meevoerend.

In het verslag dat de schout van dit oproer maakte vermelde hij ook dat was gedreigd hen allen te verbranden.
Zijn voerman was bedreigd met de woorden:
 ‘Dou schelm, waerom hebt stouse hier gebracht, dou machtse den Officier doot brenghen tot Nieudorp maer niet levendigh’.

 

De nasleep

De schout Hartman van der Woude en zijn rakkers vertrokken met de staart tussen de benen uit Zijdewind. De schout had onder dwang toezeggingen moeten doen. Hij was zeker niet van plan deze na te komen. Bij thuiskomst maakte hij onmiddellijk een verslag op van dit voor hem zo stuitend verlopen gebeuren.

Direkt hierna riep hij de burgemeesters, Henrick Klaesz. Schoenmaker en Cornelis Dircksz. Kistemaker, bijeen. De mannen konden er kort over zijn. De roomsen waren te ver gegaan. Tot aan de hoogste instanties zouden ze dit aanhangig maken en ze zouden alle overtredingen van de plakkaten aan de orde stellen bij de Staten van Holland en West-Friesland. Uiteindelijk vonden zij het recht aan hun zijde.

Her proces tegen de Zijdewinders werd meerdere keren voor het Hof gevoerd. In oktober 1650 werd er in laatste instantie vonnis gewezen.

Pastoor Cleerbesem was al eerder voor eeuwig verbannen uit Holland en West-Friesland. Hij vertrok naar Amsterdam. Hij moest nog wel een boete van f1.400,- betalen. Ook de twee kerkmeesters, Willem Albertsz. en Pieter Cornelis Dissel, alsmede enkele pastoors uit de buurt die daar met hun vormelingen waren geweest werden zwaar beboet.

 

Albertsz en Dissel betaalden elk f 1.200,-. Ook Theunis Pietersz, die de bisschop had vervoerd moest dit bedrag betalen. Cornelis Jansz. Venneker moest f 600.- neertellen en de priesters Jacobus Marius, Petrus Praeterus en Franciscus van der Brugge elk f 200.-. Ook de mensen in Zijdewind dienden een boete te voldoen. Er ontstond in het dorp bij veel mensen een bittere armoede en velen van hen vervielen tot de bedelstaf.

 

De Hervormde Kerk te zijdewind  van de hand van de bekende Alkmaarse tekenaar Cornelis Pronk. De kerk is vanuit het zuidwesten getekend en er zijn enkele mensen bijgezet .In 1652 werd met de bouw van deze kerk begonnen. Op 24 januari  1652 verzochten ‘Burgemeesteren en Schepenen der Stede Niedorp 'aan de heren Gecommitteerde Raden om toestemming en subsidie voor de bouw van een 'kercke  of capelle aan de Zijdwint

 

 

 

Uiteindelijk kwam Hartman van der Woude dus als overwinnaar uit de strijd te voorschijn. De schuilkerk in Zijdewind werd gesloopt. Om het nieuwe geloof tot wasdom te kunnen brengen werd in 1652 begonnen met de bouw van een hervormde kerk. De meeste mensen in Zijdewind bleven echter trouw aan de katholieke kerk.

Het banvonnis tegen pastoor Bavo Cleerbesem werd op 27 april 1650 opgeheven, doch hij keerde niet terug naar ‘t Veld. Hij overleed, op zeer hoge leeftijd, te Amsterdam op 15 november 1661 en werd op 17 november ten grave gedragen.

 

Afb. rechts: Bavo Cleerbezem op zijn doodsbed.

 

Ook voor Jacobus de la Torre had dit Vormingsfeest een vervelende nasleep. In zijn verslagen van deze gebeurtenis werd de kwestie Zijdewind echter gebagatelliseerd. Er was geen sprake geweest van gewapend verzet. Ook was hij onkundig gebleven van de zo'n massale opkomst.

De la Torre aasde op een bisschopszetel in de Nederlanden. In het vonnis van 1650 was ook hij uit Holland en West-Friesland verbannen en zijn goederen werden verbeurd verklaard. Hierdoor kon hij deze ambitie niet in vervulling laten gaan. Mede daarom wendde hij zich tot ambassadeur Antoine Brun om hulp. Deze moest zich eerst in deze Zijdewindse zaak verdiepen. Brun kwam echter tot de conclusie dat het voor De la Torre niet mogelijk zou zijn de zo begeerde bisschopszetel in de Nederlanden te gaan bezetten.

 

Heerhugowaard/Waarland, januari 1995

 

Geraadpleegde bronnen: Regionaal Archief te Alkmaar archief Verenigde Noord-Hollands Dagbladen te Alkmaar Rijksarchief Noord-Holland te Haarlem Archiefdienst Westfriese Gemeenten te Hoorn Geraadpleegde literatuur: “Geschiedenis van de Heilige Dionysisch, 125 jaar parochie in Heerhugowaard“ door Arnold Landman, 1992 “Historie van de Niedorpen en Winkel", door Aad Wit, 1982 — “Iets verteld over Zijdewind en ‘t Veld”, door G. van Wijk, 1979