Dorpsraad 't Veld -Zijdewind

 
  De historie van onze dorpen
 
  Home

Historie

 

Van Panhuis tot Torenhuis

 Een terugblik op een buitengewoon perceel in De Kampen

 

Deel 1 Het geheim van het panhuis

 

De torenwurf

Er wordt wel eens beweerd dat er een soort kasteeltje zou hebben gestaan in de Kampen, ergens aan de vroegere Nieuwe- of Noordersloot, daar waar nu de Valbrugweg loopt. En dat de laatste restanten bij de grote verkaveling in het jaar 1970 rigoureus en met weinig achting voor het verleden zouden zijn ondergeschoffeld en aan de vergetelheid prijsgegeven.

Het zou dan gaan om een deel van de voormalige slotgracht en de daarbinnen gelegen overblijfselen van funderingen, putten, kelders of wat dies meer zij. Archeologen zijn er niet bij geroepen. Men vond het kennelijk niet de moeite waard.

Laten we eens kijken of we middels de archieven en wat oud kaartmateriaal wat meer zicht kunnen krijgen op deze plek die volgens oude bewoners van ‘t Veld en De Kampen nog heel lang de ‘Torenwurf’ werd genoemd. Zo’n veldnaam is op zichzelf al intrigerend en vraagt om nader onderzoek.

 

Hiernaast een kadasterkaartje uit de grote Atlas van de gemeente Nieuwe Niedorp van 1819. Ten westen van de Nieuwe Sloot zijn twee overblijfselen van de zogenaamde slotgracht nog opvallend aanwezig met op het ‘binnenterrein’ een rechthoekig bouwwerk en op het aangrenzende ‘buitenterrein’ een wat kleiner rechthoekig bouwsel.

Van belangrijke in- of uitspringende delen blijkt geen sprake. Die waren op deze kadasterkaart anders zeker aangegeven.

Door vergelijking van kaarten uit verschillende perioden zijn de maten van de toenmalige gebouwen en terreinen nog vrij nauwkeurig na te rekenen. Dat is iets waarmee we alvast kunnen beginnen. Het zal ons allicht iets zeggen.

 

De mythe gemeten

De maten van het grootste gebouw blijken ongeveer 18 bij 14½  meter en van het kleinste ongeveer 16 bij 13 meter. (Ter vergelijking: het piepkleine middeleeuwse kasteeltje de Middelburg aan de Munnikenweg bij Oudorp mat al 20 bij 20). De breedte van de z.g. gracht is ca. 10 meter en aan de zuidelijke kant zelfs 12 tot 13 meter. Het terrein binnen de grachten beslaat zo’n 90 bij 40 meter. Als we veronderstellen dat het noordelijke deel van de gracht is gedempt, eertijds misschien 80 bij 40.

De ‘uitsparing’ die de lange smalle strook land van zo’n 14 meter breed in de gracht maakt wekt de suggestie dat dit in later tijd is gebeurd en dat het buitenterrein oorspronkelijk een noordelijker begrenzing had en wel zo ongeveer in het verlengde van die van het binnenterrein (zie de stippellijn). De min of meer evenwijdige maar krom lopende lijnen die links op het buitenterrein aansluiten vormen een dijkje. Dat dijkje zou eertijds een toegang via het buitenterrein mogelijk hebben kunnen maken. Iets om in natte tijden zowel droge voeten als draaiende wielen te houden.

De oppervlakte van het buitenterrein zou dan zo’n 48 bij 84 meter zijn oftewel ruim 4.000 vierkante meter.

 

Een buitengewoon dijkje

Het kronkelige dijkje van zo’n 400 meter was vermoedelijk een tamelijk gaaf restant van een middeleeuwse dijk tegen dreigende overstromingen van het hoger gelegen land. Dat hoge land maakte deel uit van de brede kreekrug van het vroegere ‘Gat van Bergen’ ten zuiden van Barsingerhorn. Het lag in de hoek tussen de Noordersloot en de westelijke arm van de Ringsloot die hier met zijn opvallende kronkels indertijd wel een veenriviertje geweest moet zijn.

Bij hoog water stond waarschijnlijk het hele laag liggende stuk ten westen van de Noordersloot onder water. Dat vormde een directe bedreiging voor zowel de bewoonde plaatsen als alle cultuurgrond op het hogere land. Vooral in de buurt van een uitstromende beek die bij hoog water ook nog eens de onaangename neiging vertoonde een soort trechtermond te vormen. Vandaar dus zo’n beschermend dijkje.

 

 

We zijn in ons polderland gewend geraakt aan dijken die het laag liggende land tegen het instromend water behoeden, water dat we juist met de nodige moeite hebben uitgemalen. Maar hier gaat het nog om bescherming van het relatief hoge land. Daar draaide het om voor ca. 1500. Daar waren onze Middeleeuwse dijken in eerste instantie voor bedoeld. Van echt polderland was nog geen sprake. Ons dijkje stamde waarschijnlijk uit de tijd dat de ‘zijdewind’, tussen de Langereis en Valkoog, nog niet was aangelegd. Het lijkt alsof het gewoon aansloot bij de westelijke kade van de Noordersloot. Maar vermoedelijk was deze kade tot aan de zeer oude woonkern Oosterkampen, oorspronkelijk niet anders dan een logische voortzetting van het dijkje. Het lag n.l. ook hier vrijwel precies op de grens tussen het relatief hoge en lage land en had daar dus dezelfde functie. De Noordersloot lijkt er naderhand mooi langs gegraven. (De scheidingslijn tussen relatief hoog en laag ligt hier op zo’n 1 meter onder N.A.P. )

 

Misschien zou men zelfs mogen veronderstellen dat een groot deel van de Westerweg in principe ook bij deze oude hoogwaterkering hoorde. Maar hoe het ook zij, het bovengenoemde resterende dijkje had natuurlijk zeker gespaard behoren te blijven. Al was het maar om dat nogal eentonige, vlakke en kale landschap tussen de Valbrugweg en de Doorbraakweg ten minste iets interessants te laten houden.

 

Brouwen in het buitengebied

Als we er nu een kaart bijhalen uit 1611, getekend door onze bekende landmeter Gerrit Dircksz. Langendijk, zien we dat dijkje nog om het z.g. binnenterrein slingeren tot aan de Nieuwe Sloot met daartussen de naam T Panhuijs. En panhuis staat voor twee wel zeer verschillende betekenissen: ten eerste een bierbrouwerij en ten tweede een huis gedekt met pannen. In beide gevallen in die tijd en in deze omgeving vast iets bijzonders.

Maar waar ging het hier om?

Is het mogelijk, dat hier ergens aan het begin van de 17° eeuw tussen de dorpen een brouwerij gevestigd was, of is dat uitermate onwaarschijnlijk?

 

Laten we eerst eens kijken naar een stuk geschiedenis van het bier brouwen in het algemeen. Daar is tamelijk veel over bekend omdat bier eeuwenlang een waardige vervanger voor ons onbetrouwbare drinkwater is geweest. En ook omdat zowel de gemeenten als het gewest dat als een zeer belangrijke inkomstenbron beschouwden.

Bier, wijn, zout, zeep en laken werden voorheen ‘de vijf speciën’ genoemd waaruit door middel van accijnzen verreweg het grootste deel van de z.g. gemene middelen werd opgebracht. En van die vijf speciën leverde het bier vaak de helft van alle inkomsten op. Geen wonder dus, dat men er alles aan deed om fraude te voorkomen. Zoals al in mijn vorige artikel over ‘Burenruzies in de gouden Eeuw’ naar voren is gebracht beschouwden de steden alle mogelijke neringen tot hun bijzondere rechten en duldden ze geen concurrentie uit het omliggende land.

 

In 1531 had Karel V in zijn ‘order op de buitennering’ al laten vastleggen dat er geen nieuwe brouwerijen op het platteland mochten worden gevestigd. Hoe verleidelijk dat ook mocht zijn. Immers de kosten waren daar veel geringer. Men had daar, in tegenstelling tot de brouwerij en aan de steeds vuiler wordende stadsgrachten, mooi schoon water voor het opscheppen. Het hoefde dus niet met speciale waterschepen te worden aangevoerd. De bouwgrond was er altijd stukken goedkoper en de plaatselijke belastingen stelden ook veel minder voor. En dan denken we speciaal aan de imposten op granen en turf. De strenge controle van de belastingambtenaren was daar bovendien ook nog makkelijker te ontduiken.

 

Ondanks dat de brouwers door de bank genomen tot de gezeten en meer vermogende burgers hoorden hadden zij het vaak moeilijk. De concurrentie was zwaar, zowel van de buitenlandse bieren als bijv. het geliefde Hamburgse- of Engelse bier, als van gerenommeerde binnenlandse, zoals het Delftse-, Goudse- of Haarlemmer bier. In de 16de eeuw nam het aantal brouwerijen zienderogen af. De spoeling werd te dun. Sommige rekten hun bestaan nog wat op door veel meer uit dezelfde hoeveelheid mout te halen dan verantwoord was. De kwaliteit ging dan zo achteruit dat men in feite de eigen ondergang bespoedigde. Een aantal fuseerde waardoor de productiekosten wat lager werden. Andere verzonnen allerlei trucs om zich drijvende te houden. En dat kon soms lang aan.

 

Heel lang zelfs. (Een eeuw later werd nog wel eens Alkmaars bier in Haarlemmer vaten gestopt om de klant bij de neus te nemen). Het is eigenlijk geen wonder dat er van alles gebeurde wat wettelijk verboden was.

Een brouwerij aan de Noorder- of Nieuwe Sloot zou behoorlijk helder water bij de hand hebben. Het ongezien wegvaren van bierschuiten met wat extra vaatjes zou daar goed mogelijk zijn. De noodzakelijke brandstof, tot in de 16de eeuw uitsluitend turf, kon via Kolhorn in weinig tijd worden aangevoerd.

Afd. rechts: Een deel van de kaart van Langendijk uit 1611.

 

Behalve T Panhuijs is het dijkje afgebeeld tot bijna aan de Westerkampermolen. Voor de bepolderingen was de situatie natuurlijk anders. Het meertje ‘Den Ouden Dijck’ is hier opgenomen in het boezemwater en dankt zeer waarschijnlijk zijn naam aan een noordelijker onderdeel van ons dijkje.

 

De benodigde granen zouden vlakbij op de akkers kunnen groeien, al moesten die nog wel gemalen worden. Bleef alleen nog de hop over die waarschijnlijk van ver moest worden aangevoerd. De meeste hop kwam uit het Noord-Brabantse waar ook nog veel huisbrouwerijtjes aanwezig waren die alleen voor de eigen familie heetten te produceren. We noemen de omgeving van Heusden. Het ligt nogal voor de hand dat enkele dorpsbrouwerijen in de buurt van Waalwijk die ondanks alle protesten toch lang zijn blijven bestaan, hun hop ook daar vandaan haalden.

Maar het is mogelijk dat men aan de Noordersloot de voorkeur zou geven aan hop uit Drenthe (bijv. Peize ) of Groningen (Westerwolde). Ook hier kon Kolhorn dan mooi als invoerhaven dienen.

 

Een brouwer

Laten we nu eens in de archieven speuren of we de eigenaars kunnen terugvinden die T Panhuijs in bezit hadden.

Een van de eersten die we in de oude rechterlijke archieven tegenkomen is Cornelis Jansz. van Enchuysen, die in het jaar 1589 een vordering heeft lopen op jonkheer Floris Tserclaes voor zo’n 800 karolus guldens en mee mag bieden op diens land in de buurt van het Panhuijs.
Hij is zeker niet de enige schuldeiser en daarom is het land door het gerecht geconfisqueerd. Het betreffende perceel ligt precies in de hoek tussen de Molensloot en de bannegrens van Oude- en Nieuwe Niedorp in De Kampen.

Het gaat aanvankelijk om 14 geers (die bij latere meting eigenlijk 17 geerzen blijken te zijn). Dat is omgerekend zo’n 4,8 ha groot. (zie kaartje). Cornelis Jansz. krijgt het perceel in handen maar talmt wat met de afrekening. Pieter Bor, rentmeester van ene jonkheer Gijsbert van Schagen, protesteert. Er zijn enkele akten die op deze zaak betrekking hebben.

Terwijl Cornelis hierin wordt genoemd Comelis Jansz. ‘tot Enchuysen’ dan wel ‘van Enchuysen’, komt zijn broer ter sprake als Aeriaen Jansz. Brouwer. Dit is natuurlijk verrassend. De broer zal gezien zijn (bij)naam in die tijd zeer waarschijnlijk zelf een bierbrouwer zijn. En bierbrouwers komen meestal uit brouwersfamilies!

 

In 1590 komen we Cornelis Jansz. in verschillende akten tegen, o.a. omdat hij hypotheek wil nemen op voornoemd land dat hier nog eens foutief aangeduid wordt als 14 geers in Jan Pilgerims saedt.

Met die laatste eigenaardige term bedoelt men dan de nabestaanden van Jan Pelgrim die gezien zijn naam overigens uitstekend in deze velden past.

Want deze omgeving wordt niet alleen aangeduid met De Campen of zelfs Westerweg, maar ook wel met ‘t Cloister. Dat Cloister duidt waarschijnlijk op het feit, dat hier zogenaamde Klopjes Wonen, leke-zusters die volgens een bepaald reglement leven en de katholieke eredienst, ondanks de heersende en weinig tolerante hervormde opvattingen, enigszins mogelijk maken.

 

Intussen komen we in de akten Cornelis Jansz. als poorter(rechtmatig inwoner) van Enchuysen tegen en zelfs als burgemeester. Er kan dus geen sprake van zijn dat hij hier in Nierop woont.

Op 28 mei 1590 lijkt alles rond de zogenaamde veertien geerzen eindelijk in kannen en kruiken. Een en ander heeft dan meer dan een jaar genomen.

In 1596, komen we Comelis echter weer tegen als hij alsnog hypotheek neemt op die geerzen aan de banscheiding. Maar nu, tot onze verrassing, ook als brouwer! Jammer genoeg niet van Niedorp - dan waren we er helemaal uit geweest - maar als ‘brouwer tot Enchuysen’. Ook daar zal echter zo’n kleine 20 jaar later een eind aan komen.

 

Albert Pietersz. van Twisch

In 1615 is Hillegondt Centis, als weduwe van Cornelis Jansz. Brouwer van Enchuysen, met haar zwagers bezig om ‘het huis’ te verkopen, plus 10 geers naast en achter het huis plus nog 15 geers daar weer achter. Dat laatste perceel ligt over de Molensloot, in het noorden grenzend aan de Bonckermolen oftewel de Oosterkamper-molen en in het oosten aan de Nieuwe Sloot. Het huis staat gezien de term ‘achter’ kennelijk met zijn voorkant naar het noorden en het lijkt er op, dat we het met de aansluitende tien geerzen niet op ons ‘binnen- of buitenterrein’ moeten zoeken, maar een ietsje zuidelijker in kavel nr. 213 (zie kruisje) en kavel nr. 214.

De 10 geerzen, zo’n 2,85 ha, moet men zich voorstellen als beginnend bij de stippellijn en eindigend bij de Molensloot. De 15 geers, zo’n 4,28 ha, liggen aan de andere kant van de Molensloot. Zo ongeveer de kavels 223 en 224. Zowel de 10 geers als de 15 geers grenzen aan de Noordersloot.

De koper is Albert Pietersz. van Twisch uit de Campen. Twisch is de oude naam voor Twisk en dat betekent gewoon ‘tussen’. Wellicht omdat Twisk ‘tussen’ Abbekerk en Opperdoes gelegen is. Maar dit terzijde.

 

De koopakte werd bezegeld door de Schout van de Niedorpercogge, Rijckert van Vollenhove. Een jaar later zou deze adellijke officier in de Nederlands Hervormde kerk begraven worden. Dat zal een bijzonder slim (en later beroemd) zesjarige jongetje, Dirck Rembrantsz., wel niet zijn ontgaan. De indrukwekkende loodzware grafsteen, mooi versierd met helm en meermin, ligt nu al weer jaren naast de toren, in weer en wind. Vergeef me de uitweidingen, maar wat dwarsverbanden verlevendigen de zaak.

 

Mr. Gosewinus Egxken

In 1649 wordt door de erfgenamen van Cornelis Jansz. een ander stuk verkocht van 12 geerzen, grenzend aan de Nieuwe Sloot. Met inbegrip van een ‘hofstede’ met een kooltuintje begrensd door Pieter Huijsmans noord en Huijsmansdijck noordwest. Kijk eens aan, het toenmalige resterende dijkje heeft warempel een naam gekregen.

Als we de 12 geerzen omrekenen komen we op 3,42 ha (3 geerzen is een morgen en dat staat hier voor 0,856 ha). Het lijkt er op dat we hier te maken hebben met de voornoemde ‘binnen en buitenterreinen’ van het zogenaamde kasteeltje annex een stuk westelijker gelegen land.

Hofstede betekent meestal niet meer dan een huiserf of wel een erf waarop eertijds een gebouw stond. Aan een boerderij hoeft niet direct gedacht te worden. Verder worden verkocht 2 perceeltjes groetland (grasland) van ca. 10 geerzen westelijk van het voorgaande en nog 16 geerzen daaromtrent met de Molensloot als zuidgrens.

Dit laatste stuk klopt vrijwel precies met de totale oppervlakte van de twee percelen genummerd 211 en 216.
(16 Geerzen maken ca. 4.56 ha en de oppervlakte van 211 en 216 samen is op de kaart gemeten 4,53 ha. Dat verschil is uiteraard te verwaarlozen).

 

De nieuwe eigenaar komt ook weer uit Enkhuizen en heet Gosewinus Egxken.

Een nogal merkwaardige naam die wellicht ontstaan is uit het Duitse Eckstein dat hoeksteen betekent. In de buurt van Antwerpen komen variaties op deze naam voor. Wellicht komt de familie daar vandaan.

 

Een gerede twijfel

Het oude panhuis blijkt inmiddels verdwenen. Gesloopt.

Maar wat hebben we daar nu uiteindelijk onder te verstaan?

Gezien het feit, dat Comelis Jansz. voortdurend wordt gekenschetst als poorter van Enkhuizen ligt het eigenlijk voor de hand hem maar niet als illegale brouwer in De Kampen te beschouwen. Het lijkt ook een beetje vreemd dat iemand die tot de gezeten burgerij van Enkhuizen behoort, zich schuldig zou maken aan activiteiten op het platteland die geheel tegen de belangen van de steden indruisen.

 

Maar in ‘t verleden?

Heel misschien zou het hier toch om een oude brouwerij kunnen gaan, uit het begin van de 16de eeuw. Uit de tijd dat de Nieuwe- of Noordersloot pas is gegraven. ‘Het huis’ zou dan de woning van de eigenaar geweest kunnen zijn op zo’n steenworp afstand, met het gezicht op de brouwerij.

Gezien de maten van de ‘achter’ liggende geerzen ligt het in elk geval buiten het Huijsmansdijckje en dus buiten het hoge land. Het is mogelijk, dat we op het z.g. ‘binnenterrein’ met een brouwerij te maken hebben van voor 1531, die alleen om die reden wettelijk mocht blijven bestaan, ondanks de ergernis van de steden.
Een kleine brouwerij, die aan het eind van de 16de eeuw vast niet meer in werking was. En met nadruk klein, omdat er anders te veel personeelsleden zouden moeten worden gehuisvest en omdat er anders te grote moeilijkheden zouden zijn ontstaan met zowel de steden als de belastinginners en controleurs.


Maar twijfel bekruipt me. Af en toe neig ik er toe om toch maar de voorkeur te geven aan een of ander herenhuis dat mogelijk als buitenhuis in gebruik was. Een herenhuis met pannen. Misschien door de brouwers zelf voor de grap T Panhuijs genoemd. Het wat slordige schematische schetsje, wat Langendijk naast T Panhuijs tekende, zegt ons nauwelijks iets, maar suggereert nou ook niet bepaald een uitzonderlijk bouwwerk. Hoe dan ook: er is hier geen absolute zekerheid te geven. Wellicht komt dat nog eens. En zo niet, dan zal het voor altijd een mysterie blijven.

In elk geval is nu wel duidelijk geworden dat zowel het panhuis als het zogenaamde ‘kasteelterrein’ tot de bezittingen van Comelis Jansz. Brouwer behoorde. Dat staat vast.

 

Bezittingen in ’t veld

Meester Gosewinus Exken koopt voornoemde percelen in december 1649 (ruim een jaar na de vrede met Spanje), en de akte wordt dit keer bezegeld door Herman Hertman van der Woude, de roemruchte schout of officier van de Niedorpercogge die we al vaker zijn tegengekomen. O.a. bij de uitgave van het dagboek van zijn dochter.

In 1653 schaft Gosewinus Egxcen (de naam wordt nogal eens verschillend gespeld) behalve landerijen ten noorden van de Moerbeek nog een huis, erf en boomgaard aan in de Oostermoerbeek, gelegen ‘een weinig beoosten de weeg in ‘t velt’ met diverse landerijen die daar omheen liggen. Hier wordt in elk geval ‘Veldhuizen’ mee bedoeld, een naam die nog niet zo lang geleden op allerlei

kaarten stond aangegeven.

 

 

Rechts van de Moerbekerweg ligt aan het eind van een toegangspad, op zo’n 150 meter, nog altijd een vrij grote boerderij in het land. Een boerderij die zijn oude naam met ere mag dragen. Zowel de uitdrukking ‘de wech in ‘t velt’ als Veldhuizen zeggen trouwens iets over de oorspronkelijke betekenis van de plaatsnaam ‘t Veld. We moeten hier helemaal niet denken aan een wildernis of nauwelijks in cultuur gebrachte gronden, zoals wel eens verondersteld wordt, maar simpelweg aan een woonplek ‘tussen de landerijen’.

 

Een lustslot?

In 1658 weet Mr. Goswinus Egxken een altijd durende servituijt of een vrije overwech van reede en de gangh te verkrijgen. In onze huidige taal gewoon het recht van overpad. En wel vanaf de Beijtse brug over de Noordersloot naar zijn nieuwe huis, erf en boomgaard tegen zevenendertig stuivers en acht penningen voor ‘ijder roede velts’. Een roede was ongeveer 3,75 meter. Daar waren allerlei landeigenaars bij betrokken. Onder hen Albert Pietersz. Twisscher, die we met een iets anders luidende naam al zijn tegengekomen en die we hier eigenlijk ook logischerwijze verwachten.

Het nieuwe huis van Goswinus loog er waarschijnlijk niet om zoals in de volgende aflevering zal blijken! Maar of we nu direct aan een soort lustslot moeten denken?

We zullen zien.

 

Jan Keuken en Annet Klomp-Keuken