Dorpsraad 't Veld -Zijdewind

 
  De historie van onze dorpen
 
  Home

Historie

 

Zijdewinders: een bijzonder, eigenzinnig volkje!

 

Ook Antonius Verstappen, pastoor van de Martinusparochie van 1862 tot 1870, begreep dat de Zijdewinders heel bijzonder waren.
In oktober 1674 kreeg hij van een collega uit Zaandam de volgende brief.

Zaandam 6 okt.1874

Amice!

Ik heb op dit ogenblik in proef een zeer merkwaardig stuk voor de „bijdragen”, dat ik onlangs toevallig in handen gekregen heb. Het betreft het toedienen ven het H. Vormsel in een preekhuís te Zijdewind in het jaar 1649. De Zijdewinders hebben bij die gelegenheid de geusenjustitie duchtig afgeranseld en verjaagd.

Weet gij mij ook daarvan iets mede te delen? Houden ze nog zoo van vechten? En zijn die Zijdewinders nog rooms? Gij zult mij zeer verplichten als ik hierop zoo spoedig mogelijk een klein antwoord mag hebben, Tot wederdienst bereid.

 

 T.T. Jozef

 

(Amice: waarde vriend) (in proef: in onderzoek)

('T`.T,: tolus tuus = geheel de uwe)

 

Pastoor Verstappen schreef enkele dagen later het volgende antwoord.

 

't Veld 9 okt. 1874

Amice.

 

In antwoord op uw schrijven is dienende dat ik in de archieven alleen gevonden heb dat in 1650 de toenmalige pastoor Bavo Costerus Cleerbesem beboet is voor f1.400 en gebannen, terwijl Willem Alberts en Pieter Com. Dissel gevangen werden genomen. Is dat misschien gebeurd omdat zij van de Zijdewinders ransel hebben gehad? Ik zou haast denken van ja... Het schijnt dat pastoor Cleerbesem toch na zijn verbanning niet meer is teruggekeerd, want in 1650 is hem Jodocus Verkampen opgevolgd.

Wat nu de Zijdewinders aan betreft, deze zijn nog rooms door merg en been. Het gehucht is, uitgenomen twee gezinnen geheel katholiek en staan nog bekend als echte graanpikkers en vechters, dat ze dan trouwens van tijd tot tijd nog onderhouden: dat voorvaderlijk bloed schijnt ze nog te bezielen.

Kom eens overwippen en breng de stukken mee, misschien kan ik meer zeggen dan schrijven, want van de Zijdewinders vind ik nog meer opgetekend, doch dat is in 1659 gebeurd.

 

 T.T, A. Verstappen pastoor.

(dienen: van nut zijn)

(graanpikkers: Iiefhebbers van een glaasje sterke drank)

 

Pastoor Verstappen heeft het in zijn brief over twee gebeurtenissen.

Aan het eind van zijn brief verwijst hij naar een gebeurtenis in 1659 waar niet veel van bekend is.

 

De derde pastoor van 't Veld en omstreken was Mr. Johannes van Houten, baccalaureus in de godgeleerdheid. Baccalaureaat was in die tijd een academische graad. Op 18 september 1659 werd een door hem geleide godsdienstoefening gewelddadig verstoord. Over de wijze waarop dat gebeurde, is tot op heden nog niet veel gevonden. In een verslag van het bisdom Haarlem staat het volgende te lezen:

"Na gehoord te hebben het verslag van de heer van Houten over de onrust veroorzaakt door die van Hoorn te Obdam en Zijdewind, is er besloten dat de heer van Houten zolang in naburige plaatsen zal werken om te zien of de storm bedaart.”

In een verslag van een synode, een protestantse kerkvergadering, te Hoorn staat deze gebeurtenis ook vermeld.

"Stoutígheyt der papisten op de Zuijdwint. Op art. 41 rakende de stoutichheden der paapsen, op de Suíjdwint brengen de E.E. Broederen van Alkmaar in dat het aldaar nog blijft in de vurige staat, ja dat het niet dan slimmer wort.

De E. Classis van Alkmaar blijft belast hierover een wakend oog te houden, doch gemerkt dat de heren Gecommitteerden in dese stat vergadert sijn, sal men haar Ed. Mogende nu terstont over dit stuck begroeten en redres versoecken 't welk doen sullen D. D. Deputatie Synode conjunctim cum Deputatis Classis Alkmarianae ende D. Correspondent van Uijttrecht. "

 

(E.E. Broederen: leden van een protestantse gezindte, gemeente) (slimmer: erger, gevaarlijker) (Classis: onderdeel van een provincie in de protestantse kerkindeling) (redres: herstel of vergoeding) (D.D. Deputati Synode: afgevaardigden naar een protestantse kerkvergadering) (conjunctim: samen) (com: met) (Deputatis: afgevaardigde) (Classis Alkmarianae: van Alkmaar) (ende D.Correspondent: berichtgever- van Uijttrecht)

 

Over deze pastoor schreef het bisdom nog het volgende.

 

"Winkel, Nieuwe Niedorp, Oude Niedorp. Zijdewind en verschillende omliggende buurten hebben een pastoor n.l. Johannes van Houten, baccalaureus in de theologie, dus goed onderlegd in de theologie, ijverig in zijn werk, vooral bij het geven van catechismus en ziekenbezoek. Het geven van catechismus heeft hij echter vanwege de vervolging voor enige tijd moeten onderbreken. Hij is middelmatig in de omgang en welsprekendheid, vandaar dat hij aan de scheurmakers die daar niet weinig zijn, tamelijk wel voldoet. De plaats is uitgestrekt en moeilijk te bedienen. Zij heeft ongeveer 800 communicanten, voor het merendeel goed onderlegt, anderen echter achtelijk en onbeschaafd.

Zij wonen samen met vele ketters, vandaar dat zij niet weinig te lijden hebben. Zij behoren allen onder de Baljuw, door wie zij reeds jaren lang tamelijk onderdrukt worden.

De zorg voor openbare zaken en voor de armen, berust bij enkelen van de gemeente, maar de pastoor wordt er voldoende in gekend. Het huis is gebouwd ten gebruike van de pastoor buiten bezwaar van de gemeente. Daarbij is op dezelfde voorwaarden een plaats voor bijeenkomsten en een andere voor verdere gemeentezaken.

De pastoor krijgt een stipendium van ongeveer f250 en nog iets van elders buiten weten van zijn onderhorigen."

(Baljuw: rechterlijke ambtenaar.)

 

Het is pastoor J. van Houten met zijn dienstmaagd Neel Claes nimmer gelukt een andere standplaats te vinden, terwijl hij vanwege zijn zwakke gezondheid verschillende keren gevraagd had om overgeplaatst te worden. Waarschijnlijk door het leed van de vervolgingen stierf hij veel te vroeg op 3 oktober 1661.

In het eerste deel van de brief van pastoor Verstappen heeft hij het over een vormfeest op 24 augustus 1649 dat in het nieuw gebouwde preekhuis te Zijdewind zou worden gehouden en gruwelijk uit de hand liep. Zelfs het bouwen van een nieuw preekhuis was in die tijd zeer gewaagd.

Dat Sijdtwindt en ten oosten daarvan de Camperpolders nogal afgelegen lagen, blijkt uit een deel van een kaart uit 1730. Desondanks wisten de Zijdewinders van de gebeurtenissen in de omgeving. Het was hen duidelijk dat de oorlog tussen Spanje en De Nederlanden ook een godsdienstoorlog was: Spaanse katholieken tegen Nederlandse protestanten.

 

Zij beseften terdege dat er veel mis was onder de katholieken, zelfs onder de katholieke Ieiders. Zo was hen bekend dat de pastoor van Nijerop (toen was Nieuwe Niedorp nog katholiek), Pieter Ruych, in de jaren 1526 tot 1537 deken in Hoorn was.

Zijn plaatsvervanger Reynerus Dirks moest de ontvangen gelden afdragen aan de deken. Omdat hij vond dat er te weinig geld binnen kwam, strafte hij de gehele parochie met het verbod aan priesters om missen op te dragen. Opmerkelijk was ook, dat hij van kraamvrouwen die hun kerkgang deden, een roggebrood en boter eiste.

Ook onder de opvolgers waren er wantoestanden. Zo was Johannes Graeff, deken van Hoorn van 1553 tot 1556, getrouwd en had 2 kinderen.

Door al deze misstanden werden de katholieken steeds minder volgzaam. Bovendien kwamen er daardoor steeds meer aanhangers van Luther, Calvijn en Zwingli.

Toch bleven de Zijdewinders gewoon katholiek.

In de 16de eeuw waren er groepjes wederdopers (doopsgezinden) in Barsingerhorn, Winkel en Oude- en Nieuwe Niedorp. Zij waren kwaad vanwege het wangedrag van de geestelijken. De slechte economische situatie vooral op het platteland zorgde in de omliggende plaatsen voor een gestage groei van het aantal wederdopers. In Zijdewind kregen de wederdopers echter geen kans!

 

Vanaf het midden van de zestiende eeuw ontwikkelde het calvinisme zich heel snel. Enkele pastoors trachtten nog stand te houden, maar vaak werden ze gevangen genomen. Dat overkwam ook pastoor Pieter Dirksz. van Nieuwe Niedorp. Deze pastoor kon er niet meer tegen en vertrok uit Nieuwe Niedorp.

In 1572 kwam hij weer terug als gereformeerd predikant. Katholieken werden steeds meer vervolgd en gebrandschat, d.w.z. dat zij een schatting moesten betalen anders werden hun bezittingen in brand gestoken.

 

 Diderick Sonoy .

Diderick Sonoy met hulp van enkele geuzencompagnieën hield hof op zijn dwangslot te Schagen en vervolgde de katholieken te vuur en te zwaard.

Sonoy had overal zijn spionnen en wee degenen die het waagden om “paepse stoutigheden" uit te halen.

Hem of haar wachtten maanden of zelfs jaren kerkerstraf of zelfs de dood. Zo is van Sonoy bekend dat hij de geuzen-Bloedraad oprichtte. Wetboeken hanteerde hij nauwelijks. Vrijwel zonder vorm van proces verwees hij zijn slachtoffers naar het schavot. Om bekentenissen af te dwingen gebruikte hij gruwelijke middelen.

 

 

 

 

Wil de gevangene niet bekennen? Geef hem maar de emmer!

Beulsknechten zetten dan een emmer vol hongerige ratten omgekeerd op de naakte buik van de gevangene en verhitten de emmer. De bijna verschroeide dieren zochten al knagend een uitweg door de buik van de schreeuwende gevangene.

 

De Ooster- en Westerkamperpolder Iagen afgelegen en waren moeilijk bereikbaar. De bevolking in dit gebied woonde zeer verspreid en moest alle dagen keihard werken om het hoofd boven water te houden. Zij kwamen aan de kost door wat bouwerij, visserij en veehouderij.

In dit gebied woonden de Clopjes vrij veilig en konden daardoor de Zijdewinders helpen bij de geheime diensten.

De in armoe Ievende priesters ontvingen een hongerIoontje en probeerden zich in Ieven te houden door het uitoefenen van wat handwerk. Zo werd aan het eind van de zestiende eeuw de pastoor van Dirkshorn hoogleraar in Kopenhagen. Pastoor Peter Bronkhorst van Warmenhuizen is uiteindelijk toch in handen van Sonoy gevallen, toen hij bezig was schansen oftewel versterkingen op te werpen. Jan Capiot was niet alleen pastoor te Zuid-Scharwoude maar ook onderwijzer.

Ook hij werd jarenlang opgesloten in de kerkers van Sonoy in Schagen.
Later werd hij uitgeleverd aan de hebzuchtige dobbelaar Jochem Nieuwenhuis, provoost (opziener van orde en tucht in een legerplaats) in Alkmaar. Daar werd de pastoor kleermaker! Omdat de provoost op een kwade dag woedend was, werd de pastoor zonder meer opgehangen.

 

Decennia lang was het uitoefenen van de katholieke godsdienst in de buurt van Schagen onmogelijk. Men had grote angst voor het verklikkersysteem van Sonoy.

Hij wist telkens weer wanneer er ergens een viering was. Werd je door hem gepakt, dan belandde je in de kelders van Sonoy.

 

Ondanks deze wreedheden van Sonoy bleven de Zijdewinders, zoals we Later zullen zien, katholiek.

 

Niet overal in De Nederlanden vervolgden men de kathoIieken zo fel. Zo was men in Amsterdam heel wat verdraagzamer. Duizenden katholieken konden onbedreigd naar hun schuilkerken gaan. In de “Ons Iieve Heer op Solder" woonden zij op een gegeven moment de mis bij. De pastoors daar kregen de vrijheid om hun werk te doen.

Vooral de Ieiders, i.c. de gedeputeerden, wensten zich te houden aan de besluiten van de synode van Dordt (1618 / 1619).

Treedt toch krachtig op tegen de paapse afgoderij, tegen de talrijke Jezuïten, priesters, papen en monniken die bij duizenden als sprinkhanen het land aflopen."

Sonoy deed dat in Schagen en omstreken, maar de Zijdewinders kreeg hij er niet onder!

 

Cats en Cleerbesem

Op 21 september 1608 kreeg Joost Boudewijnz. Cats opdracht om zich in het geheim als missionaris te vestigen in Schagen, in het hol van de Ieeuw! Niemand mocht weten dat hij priester was. Zijn kleding onderscheidde zich weinig van de armen.

Het gebied waarin hij moest werken was zeer groot: Schagen, Oude en Nieuwe Niedorp, Winkel, Veenhuizen, Kalverdijk, Tuitjenhorn, Warmenhuizen en Zijdewind.

Hij stelde vrome vrouwen aan om hem bij zijn werkzaamheden te helpen. Deze Clopjes waarschuwden via bepaalde klopsignalen de katholieken als Cats ergens in het geheim een viering wilde houden. Over de activiteiten van Cats in dit gebied, is weinig bekend, maar wel over zijn opvolger Bavo Costerus oftewel pastoor Cleerbesem. Hij bouwde een klein houten huisje in de nabijheid van de Clopjes. Een kamertje richtte hij in als kapel. Menigmaal is hij overvallen door baljuw (rechterlijke ambtenaar), schout (hoofd van de politie) en schepenen (bestuurder of rechter). Kerkmeester Jan Hendriks meldde dat pastoor Cleerbesem vaak in de gevangenis zucht, zodat het “volkien verslapte".

De Clopjes uit het “cloister" maakten melding van de vele aanhoudingen en van het sluiten van geheime preekhuizen in de Campen en in Zijdewind.

 

 

Het zo beruchte Sonoy-gevang krijgt in 2002 een ietwat sympathiekere bestemming.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 De officier van de Niedorpercogge (Van Meyerop) en twee schepenen (Hendrik Aelbers en Jasper Janz. Koeman) troffen in Zijdewind, in het door verklikkers aangewezen geheime preekhuis, alleen een dienstmeisje aan. Het was een van de Clopjes die alles in gereedheid bracht had voor een viering. Alle deuren van het huis werden “vernageld".

Pastoor Cleerbesem werd bij Kalverdijk zo ernstig mishandeld dat hij daar niet meer heen durfde.

 

Eindelijk, op 15 mei 1648 kwam een einde aan al deze ellende. zo dachten de Zijdewinders. In het verdrag van Münster erkende Spanje de onafhankelijkheid van de zeven Verenigde Nederlanden. Na tachtig jaar oorlog was de belangrijkste bepaling van het verdrag dat de godsdienst in het openbaar zodanig mocht worden uitgeoefend “dat het in alle zeedigheid en sonder eenig schandaal te geven, geschiedt".

 

Niet voor niets werd pastoor Bavo Costerus “de paep baef' genoemd. Samen met vele Zijdewinders is men vlak na het vredesverdrag begonnen met de bouw van een echt “Rooms Preekhuis". Waarschijnlijk heeft de bouw ongeveer een jaar geduurd, want de vrede werd in mei 1648 getekend en in augustus 1649 was het gebouw klaar voor een groot vormfeest.

 

Hoe zag het preekhuis er uit?

Uit verschillende publicaties weten we dat het naar omstandigheden een bijzonder fraai houten kerkje was.

Het was 56 voet lang en 46 voet breed. In die tijd werden Amsterdamse (0.284 m.) en Rijnlandse (0.304 m) voeten gebruikt, dus de lengte was 15,90 of 17,02 m en de breedte 13,06 of 13,98 m. De voordeur was aan de zuidkant. Ook waren er deuren aan de oosten noordkant. Aan de westkant was er geen deur, dus daar zal het altaar zijn geweest. Er waren luiken om voor de ramen te doen. In de kerk was een altaar, een biechtkamer en een galderij (voorportaal), zodat er voor zitplaatsen ongeveer 13 bij 7 meter overbleef. Onder het altaar was een “onderkiste".

 

“Opdat Sonoy aan geld quame, had hij eenige dagen na Hoorns overgaan tot 's Princen zijde, 17 of 18 soldaten in de Noordhollandsche dorpen gezonden, brandschattende de huisluiden en stelde elk dorp, uit naem van den Prins, op contributie, elk na de groote en menigte der inwoonderen van dien, met bedreiginge, dat in gevalle de gezette en bij hem geordonneerde tijd verstreken was zonder betalinge, men hen te vuur en te zwaert vervolgen zoude. De boeren en huisluiden meer gewoon zijnde het gelust hunner beesten dan de wapenkreet van Mars, hebben goedwillig en zonder eenigen tegenstand te doen, de hun opgelegde contributie en schatting betaelt.“

 

(brandschatten: een gedwongen belasting opleggen onder bedreiging van brand en plundering)

(geordonneerde: voorgeschreven)

(Mars: oorlogsgod)

 

Hiervoor is aan de hand van vele voorbeelden geprobeerd u een indruk te geven over een roerige tijd in West-Friesland: de zestiende en de zeventiende eeuw.

In die tijd was er niet alleen een oorlog tussen de Spanjaarden en de Nederlanders, maar het was ook een godsdienstoorlog: Spaanse katholieken tegenover Nederlandse protestanten.

Uit de geschiedenisboeken kennen we allemaal de hertog van Alva, Fernando Alvarez de Toledo. Deze Spaanse veldheer werd op een gegeven moment landvoogd in de Nederlanden en richtte de Raad van Beroerten (opstanden) op om de opstandelingen, zoals de graaf van Egmont, te straffen.

Hij werd door zijn wrede daden de “IJzeren Hertog" genoemd.

In Zijdewind heeft men echter weinig van deze heerser gemerkt. Aan de andere kant was men hier wel doodsbang voor Didrik Sonoy die door prins Willem van Oranje benoemd was tot stadhouder van West-Friesland

In de instructie die door de prins was vastgesteld, stond als eerste punt vermeld:

dat Sonoy sijn beste sal doen om allen ende ijegeIijken de ingesetenen der steden Enkhuizen, Medemblik, Hoorn ende andere steden en vlekken in Westfriesland gelegen te verlossen van de slavernye ende tyrannye om die wederom te brengen ende te restitueren tot heure oude Vrijheden, Rechten, Herkomen ende Privilegien."

(restitueren: teruggeven) (Herkomen: oude gebruiken) (Privilegien: voorrechten)

Ondanks deze mooie woorden vervolgde Sonoy vanuit zijn dwangslot in Schagen de katholieken te vuur en te zwaard .

Het is opmerkelijk dat direct na het verdrag van Münster op 15 mei 1648 maar op twee plaatsen in de Nederlanden een kerk werd gebouwd.

Dat was in Zevenhoven in Zuid-Holland en in het katholieke Zijdewind.

Tijdens de bouw van het fraaie preekhuis kreeg pastoor Cleerbesem te horen dat vicaris-coadjutor (plaatsvervanger en helper) Jacobus de la Torre, titulair bisschop van Efese, in augustus 1649 langs zou komen om het vormsel toe te dienen .

(titulair: de titel voerend zonder de functie te bekleden)

 

De vicaris woonde waarschijnlijk in Den Haag en moest voor deze reis per koets dagen uittrekken .

Bekend is dat hij heeft overnacht in de herberg “Het Grauwe Paertshooff' in Alkmaar. Pastoor Cleerbesem had Theunis Pietersz. gestuurd om de vicaris de weg te wijzen. Onderweg naar Zijdewind werd de groep steeds groter. Parochianen uit Oudorp onder Ieiding van pastoor Henricus Benschop gingen ook mee. Via de Huijgendijk ging het over de Middenweg naar het centrum van Heerhugowaard. Pastoor Jacobus Merius uit de Zuidermeer en een aantal volgelingen stonden daar de vicaris op te wachten. Via het Verlaat ging het richting Zijdewind.

Omdat pastoor Cleerbesem besefte dat het om een “paapse stoutigheid“ ging, had hij enkele veiligheidsmaatregelen getroffen. Men was ondanks het vredesverdrag toch nog bang van Sonoy en diens helpers .

 

Herman van der Woude (de spelbreker)

Ondertussen vergaderde schout Herman van der Woude (officier van de Niedorpercogge) met Hendrick Schoenmaker (burgemeester van Oude Niedorp) met Cornelis Kistemaker (burgemeester van Nieuwe Niedorp), Klaes Houtkoper, Arie Moerbeek en Klaas Jacobs (schepenen van oude Niedorp) over het gerucht dat er een paapse bisschop naar Zijdewind onderweg was.

Zij dachten dat door de activiteiten in Zijdewind het bisschopsambt in de praktijk weer hersteld werd .

Men vond dat te ver gaan, want dat was niet in het vredesverdrag van Münster geregeld. De komst van een bisschop kon men toch niet tolereren. De paarden werden bij het raadhuis van Nieuwe Niedorp aangespannen en men reed via Verlaat richting De Weel om het euvel met wortel en tak uit te roeien.

 

Zodra ze daar waren aangekomen, zagen zij tot aan Zijdewind een aantal mensen die op enige afstand van elkaar stonden. Die wuifden met “wimpels van neusdoecken" naar elkaar, zodat het bericht over de komst van de officier en zijn mannen in korte tijd bij het preekhuis was. Daar aangekomen zagen zij een menigte van wel 3.000 mannen, vrouwen en kinderen. De boomgaard en de erven van de naastgelegen huizen stonden vol met paarden en wagens. De voorpoort was gesloten en het stoutmoedige volk stond met schoppen en rieken klaar.

De schout Iiet de poort openmaken en ging door de voordeur de kerk binnen.

Toen de gezagsdragers in Zijdewind gearriveerd waren, vonden zij niet zoals zij gehoopt hadden, de bisschop verscholen in de onderkíste van de autrar (altaar), maar hij was reeds gevlooghen zodat hij niet in de flagrantie betrapt werd."

(in flagrantie: op heterdaad)

De vicaris en de 20 andere pastoors werden niet gevonden. Daar hadden de zakdoekzwaaiers voor gezorgd! Pastoor Cleerbesem had inderdaad het vormfeest zorgvuldig voorbereid. De vicaris en de pastoors waren over, de achter de kerk gelegen, ringsloot gebracht. Daar stonden paarden klaar om hen over de kade van de Slootgaardpolder naar De Weel te brengen. Verder gingen ze over de Groenedijk van de onlangs drooggemaakte polder Heerhugowaard (1629) naar een schuilkerk aan de Huijgendijk in Heerhugowaard.

 

Wel vonden de schout en zijn mannen enkele kostbaarheden die men door het overhaaste vertrek had moeten achterlaten. Ondertussen waren velen de kerk via de zuiddeur naar binnen gegaan en riepen dat de Niedorpers niet het recht hadden om hun plechtigheid te verstoren. Zij beriepen zich op het vredesverdrag met Spanje. De schout gaf de opdracht om de mensen de kerk uit te zetten en om de twee belangrijkste helpers van pastoor Cleerbesem te arresteren. Willem Alberts en Pieter Dissel werden in hechtenis genomen totdat zij verteld zouden hebben waar de bisschop verbleef .

De menigte schreeuwde en joelde toen duidelijk werd dat de Schout de inventaris in beslag wilde nemen. Hij werd blijkbaar bang en heeft toen maar een beschrijving ervan gemaakt. Hierin stond de volgende beschrijving van de bisschopsstaf:

eenen staf met een breet Iofwerck aen het eynde, schrjnende de Bisschops, ofte Suffragaens Scepter, met Gouden knoapen."

(lofwerck: bladervormige versiering) (suffragaanbisschop: bisschop van een gebied dat tot een door een aartsbisschop bestuurde kerkprovincie behoort)

 

De vondst van de staf was voor de schout het bewijs dat er een echte bisschop was geweest. Hij bleef de gearresteerde mannen ondervragen om achter de verblijfplaats van de bisschop te komen. Het verzamelde volk begon zich steeds meer te roeren. Er werd gescholden en men dreigde hem te vermoorden.

 Ramen werden kapot gemaakt. Men gooide met stenen en beukte de deur open. Verschillende keren moesten de gezagsdragers het volk uit de kerk zetten.

 “Al het welcke noch niet genoegh zijnde, is het volck, hoe Langer hoe booser wordende, hoewel by ons alle discretie wierde belooft, echter op de deuren ende vensteren aangevallen, soeckende met groote dreygementen ende gruwelijcke soheltwoorden, daer teghens ín te komen, brengende stocken en palen rontsomme aen het huis, delvende steenen uyt de straet, soo ons van yemant van buyten, door een venster wierde berecht, houdende het huys rontsomrne wel twee uuren Iangh besef, so dattet niet mogelijck was voor ons daer uyt te komen".

De schout en zijn mannen waren zo bang geworden dat zij de inventarislijst verscheurden. Zij beloofden dat er niets op papier zou worden gezet. Zo konden zij uiteindelijk toch uit Zijdewind ontsnappen.

Thuisgekomen heeft hij echter toch een uitgebreid verslag van deze gebeurtenis gemaakt. Gelukkig maar, anders hadden we dit verhaal niet zo uitgebreid kunnen beschrijven. Zijn verslag heeft er echter ook voor gezorgd dat de straffen voor de eigenzinnige Zijdewinders lang niet mals waren. Pastoor Cleerbesem kreeg een boete van f1.400 en werd voor eeuwig uit West-Friesland verbannen.

 

Hij ging zeer teleurgesteld terug naar zijn geboorteplaats Amsterdam en overleed in 1661.

 

Afb. links: Pastoor Cleerbesem op zijn sterfbed.

 

Na zijn dood werd hij geëerd als:

“uitgediend eerste kampvechter van Christus" .

 (uitdienen: tot het einde dienen)

 

 

Voerman Peters die bij de ontsnapping van de bisschop en de pastoors had geholpen, werd beboet met f1.200, net als de kerkmeesters Willem Alberts en Pieter Dissel. Pastoor Merius uit de Zuidermeer, pastoor Praeterus uit Hoogwoud en pastoor Franciscus van der Brugge uit Egmond moesten f200 betalen. De Zijdewinders kregen een boete van f6.900 .

Waarschijnlijk hebben ze daardoor jarenlang krom moeten liggen om het bedrag bij elkaar te brengen .

 

Schout Herman van der Woude kon blijkbaar in deze omgeving geen goed meer doen en vertrok met zijn gezin naar West-indië. Op de reis daar naar toe overleed hij .

 

 

Bij afb: verslag/brief van officier van der Woude aan zijn regering 4 1/2 jaar na de gebeurtenissen te Zijdewind

 

Op 12 oktober 1649 gingen om 7 uur 's morgens de heren van de Gecommltteerde Raden met 20 soldaten uit Alkmaar, met 10 soldaten uit Hoorn en 25 timmerlieden naar Zijdewind. Het preekhuis en de boerderij werden radicaal afgebroken.  Het hout werd zodanig stukgemaakt dat het niet meer gebruikt kon worden.

Toch bleef Zijdewind een katholieke enclave in de protestantse omgeving.

Oudere en hulpbehoevende Cloppen mochten echter blijven. Uit een kleine kerkruimte werden 2 grote beelden, kelken en ornamenten (sieraden) meegenomen en in een schuit naar Hoorn gebracht.

 

Tijdens een vergadering van een synode (een landelijke of provinciale kerkvergadering) te Alkmaar werd verslag gedaan van de toestand in dat paapse Zijdewind: het paapse preekhuis was gesloopt en met de grond gelijkgemaakt. Bovendien waren alle ornamenten (sieraden), kledingen en gewaden in beslag genomen.

Er werd verondersteld dat de verbannen pastoor Cleerbesem met nog een priester ergens in de Campen aanwezig was om de afgodendiensten daar vrijelijk uit te oefenen. Ook de Cloppen, de zusters bevonden zich daar en zelfs in grotere getallen na hun verbanning uit Zijdewind.

Bovendien waren er geruchten dat de papen plannen koesterden om hun gesloopte preekhuis weer te herbouwen. Dit laatste deed de synode besluiten bij de Hoog Mogendheden en de Gecommitteerde Raden aan te dringen om krachtdadiger op te treden tegen dat roomse gedoe en tevens te vragen om op de plaats van het gesloopte paapse preekhuis een kerk te mogen bouwen voor de gereformeerde religie. Verder moest worden toegezien dat papen die publieke functies bekleedden, direct zouden worden afgezet.

 

Over de bisschop werd in de synode het volgende gezegd.

Jacobus de Ia Torre die in de buurte van Zijdewind tussen Alkmaar en Schagen aan onze Iandslieden had bediend en is hij in 't zelfde jaar 1649 in het verrichten van den Goddelijken dienst gestoort geweest. Als hij het ontvlucht was, is hij daarop ingedaagd en nadat men zijnen gemachtigden niet hadden willen horen spreken, is hij door de Staten van Noord-Holland die te Hoorn vergadert waren, voor eeuwig en altijd uit de Ianden gebannen en zijn erfgoed verbeurd verklaart. Ja, de kerk daar hij vergadering gehouden had, is naderhand ook afgebroken

(ingedaagd: voor de rechtbank geroepen)

Het gezag en ook de gereformeerde predikanten waren toch nog altijd bevreesd voor de katholieke Zijdewinders en men hoopte dat de bouw van een gereformeerde kerk in Zijdewind een eind zou maken aan de “dagelijcks aangroeijende stoutichheid der pausgesinden".

Daarom werd in 1652 een gereformeerde kerk gebouwd, die we in de vorige eeuw de koeienkerk noemden. Al na 48 jaar na de bouw werd gevraagd of de kerk mocht worden gesloopt. In Zijdewind en Blockhuijsen waren maar 25 Iidmaten te vinden.

 

De plaats van het preekhuis

Een vraag die overblijft is : Wat was de plaats van het fraaie preekhuis dat gebouwd werd in 1648 en 1649, en al op 12 oktober 1649 radicaal werd afgebroken.

Was de fundering van dit preekhuis van  steen geweest, dan zouden we wellicht ooit de plaats ervan kunnen achterhalen. Maar helaas.

 

Over de plaats van het preekhuis zijn een aantal zaken bekend. Het gebouw lag in een boomgaard bij de woning van Claes Aelberts. Het lag niet buiten het dorp want men heeft het over nabijgelegen woningen. Er was een voorpoort die gesloten kon worden. Het terrein was 9 snees groot (ongeveer 2000 vierkante meter) en werd ten oosten begrensd door de woning van Willem Albert en ten westen door het huis van Sijmon Lammert.

Er was in ieder geval ruimte voor ongeveer 3.000 personen met vele paarden en wagens. Deze stonden langs de weg, op het erf en in de boomgaard van de omliggende huizen en ook bij de kerk zelf.
Voor de mogelijke locatie  zijn er een aantal opties die hier worden besproken.

 

Een bestaand gebouw?

In de tachtiger jaren heeft de heer J. I. Lutjeharms, adviseur van Rijksmonumentenzorg, een causerie gehouden over de kapelkerk te Zijdewind. Deze expert veronderstelde dat deze kerk op een plaats stond waar zich sinds de eerste predikingen door Willibrord en Bonifacius in de achtste eeuw een centrum van christelijk geloofsleven heeft bevonden. Overal werden bedehuizen gesticht, zo ook in Zijdewind. Dit, volgens de heer Lutjeharms, uit ongeveer 1300 daterende bouwwerk vormde in 1649 nog het centrum van katholieke geloofsleven in het uitgestrekte gebied.

De heer Lutjeharms veronderstelde dus dat het preekhuis al eeuwen bestond tijdens de gebeurtenissen in 1649. Hij maakte hier echter een fout door te stellen dat de katholieken in dit gebied het er niet bij Iieten zitten. Aangemoedigd door koster Pieter Meijnertsz., die tevens de taak van hulpprediker waarnam en werd bijgestaan door Jac. Jansz. en Corn. Lambertsz., allen van Blokhuizen, besloot men om een nieuwe kerk te bouwen. Volgens de expert van monumentenzorg legde de koster in 1652 de eerste steen.

 

Het is echter waarschijnlijker dat juist niet-katholieken toestemming kregen om een nieuwe protestantse kerk, later de koeienkerk, te bouwen in die katholieke enclave.

 

Op bovenstaande foto van het Nieckelandt ten noorden van Zijdewind met Iinks tussen de bomen de boerderij van de familie Kruijer .Op deze plek moet reeds in 1611 bebouwing (meerdere huizen) zijn geweest. Uiterst rechts de boerderij' van Poland, daarnaast de stolpen van de familie Wit. Er wordt gesuggereerd dat in deze omgeving het preekhuís zou hebben gestaan.

 

 

Ten noorden van Zijdewind?

Afb: Links: Deel van een kaart uit 1811 door Gerrit Dirksz. Langedijk getekend met in de cirkel het Nieckelandt

 

 

 

 

 

 

 

 

Oud-burgemeester van Harenkarspel, de heer W. Wesselink, beweert in de Schager Courant van 7 augustus 1999 dat het preekhuis ten noorden van Zijdewind heeft gestaan. Het moet volgens hem in de buurt van de boerderij van de heer S. Wit (Provincialeweg 5) zijn geweest, in het Nieckelandt, waar het watertje de Nieckeboe kronkelt. Vroeger was dat volgens hem een vaarweg van wel 6 meter breed. Het preekhuis had ook een aanlegsteiger in de vorm van een stenen kademuur, Verder zegt hij dat er een forse fundering in de grond is gevonden, die veel groter is dan de boerderij uit ongeveer 1900. In deze buurtschap was er in ieder geval ruimte genoeg voor al die wagens, paarden en de drieduizend mensen.

Ook door de vondst van een reispiëta van 5 cm. hoog is de heer Wesselink ervan overtuigd dat daar 350 jaar geleden het preekhuis heeft gestaan .

 

Toch is het na zoveel ellende, martelingen, folteringen en verbanningen niet Iogisch dat de eigenzinnige Zijdewinders, nu het eindelijk vanwege het vredesverdrag mocht, hun kerk buiten de bebouwde kom van het dorp bouwden en zeker niet aan de noordkant van het dorp.

Omdat de gehate heer Sonoy altijd vanuit Schagen, dus vanuit het noorden, Zijdewind binnentrok, Iigt het voor de hand om het gebouw juist in het zuiden van Zijdewind te plaatsen, maar daar was veel minder ruimte.

 

Er wordt beweerd dat de gevonden fundering op het land van de familie Wit veel groter was dan een oude boerderij. Het preekhuis had een oppervlakte van ongeveer 224 m2 (14 bij 16 meter), terwijl een gewone boerderij een oppervlakte heeft van bijvoorbeeld 256 m2. Als de gevonden fundering veel groter is, dan kan dat dus nooit van het preekhuis zijn geweest.

 

En als het preekhuis aan dat brede water had gelegen, zoals de heer Wesselink beweert, dan zouden vicaris Jacobus de Ia Torre en ongeveer 20 pastoors wel in een bootje zijn gevlucht. Zij vluchtten echter met paard en wagen over de groene dijk van de pas drooggemaakte Heerhugowaard.

De vondst van een reispiëta zegt natuurlijk niets over de plaats van het preekhuis. Reizigers hadden het overal kunnen verliezen.

Uit het bovenstaande zouden we in eerste instantie kunnen concluderen dat het preekhuis niet op deze plek zal hebben gestaan. Op een oude kaart is echter duidelijk te zien dat er 350 jaar geleden in die omgeving zeker 8 huizen stonden. Het was dus een echte buurtschap en er was genoeg ruimte om er een preekhuis te bouwen en om 3.000 mensen te ontvangen.

 

Op de plaats van de koeienkerk?

Zuster Mariaphila heeft 35 jaar geleden ook deze geschiedenis in de Heraut beschreven. Zij en de heer F, Jong Sr. gingen ervan uit dat het preekhuis op de plek stond waar later de zogenaamde koeienkerk kwam, waar nu de rotonde Iigt. Ook de al eerder genoemde adviseur van monumentenzorg, de heer J.L. Lutjeharms, was deze mening toegedaan.

 

Om aan de “dagelijcks aangroeijende stoutichheid der pausgesinden" paal en perk te stellen, werd door de kerkraden verzocht een gereformeerde kerk (de Iatere “koeienkerk") te mogen bouwen.

Dat is in 1652 inderdaad gebeurd maar niet op de plaats van het voormalige preekhuis. Dit weten we zeker, want 5 jaar na het bouwen van de nieuwe kerk werd op Iast van de Gecommitteerde Raden de hofstede waarop het roomsgezinde preekhuis te Zijdewind had gestaan voor f 352,- verkocht aan Jan Pietersz. Meijndens en zijn broer.

 

We komen dus tot de slotsom dat het preekhuis niet op deze plek zal hebben gestaan.

 

Op het erf van de heer C. Raatgers?

De heer Th. Stadegaard veronderstelde in zijn onderzoek “0ntstaan en geschiedenis van 't Veld" dat het preekhuis op het terrein van de heer Cees Raatgers (Havenstraat 37) werd gebouwd. Ook pastor Vertelman gaat in een ingezonden stuk d.d. 9 augustus 1999 ervan uit dat het preekhuis meer centraal in het dorp moet hebben gestaan.

 

Toch is het om twee redenen niet waarschijnlijk. Op het kaartje uit ongeveer 1870 is duidelijk te zien dat er tussen de woningen Havenstraat 35 (nu de woning van de familie Bakker) en Havenstraat 49 (mevrouw A. Keelman) te weinig ruimte was om alle paarden, wagens en 3.000 mensen te herbergen. Bovendien zijn er, voor zover wij weten, geen restanten van bijvoorbeeld een fundering gevonden.

Op de uitvergrote foto hierboven zien we echter duidelijk dat er bij de ringsloot toch iets moet hebben gestaan.

 

Op dit kaartje uit ongeveer 1870 is duidelijk te zien dat ertussen de woningen Havenstraat 35 (nu de woníng van de familie Bakker) en Havenstraat 49 (mevrouw A. Keelman) te weinig ruimte was om alle paarden, wagens en 3.000 mensen te herbergen.

 

Op het erf van de familie Bruin?

Het was ons al bekend dat de heer Th. Bruin, Havenstraat 11, op zijn erf een aantal munten had gevonden. Dhr. Bruin is in 1949 op deze plek komen wonen. Daarvoor hadden Trijn Gildemeyer, die het armengeld ophaalde, Cor Post en Gert Jansen er gewoond.

In 1952 werd het huidige huis door Piet Scholten gebouwd. De metselaar was toen Gerard Boekel. In gesprek met dhr. Bruin is er gesproken over de verbrande bakkerij van Arien Ruiter en over “Rondom Wind", gebouwd door kastelein Wim Ligthart, die van tante Nel.

We hebben het gehad over de Klavers die op zijn erf putten hadden gevonden. Er is toen wel in de putten gegraven, maar lang niet diep genoeg.

De grootste put was van gele stenen en had een diameter van 3 meter. Helaas ligt nu de betonvloer van de garage op deze put. Ook vanwege de vondst van veel munten was dhr. Bruin  ervan overtuigd dat op zijn erf en dat van “Rondom Wind" het preekhuis had gestaan.

 

De vraag wat de locatie van het preekhuis was, blijft dus nog

even een mysterie.