Dorpsraad 't Veld -Zijdewind

 
  De historie van onze dorpen
 
 

 

Home

 

Historie

 

 

De sloper van de Zijdewindse kerk

 

 

Wie was Herman Hartman van der Woude, de sloper van de Zijdewindse kerk in 1649

 

In een eerdere uitgave van “ 't ls mooi weest” hebben we geschreven over de bouw van een katholieke kerk in Zijdewind. Direct na het verdrag van Münster op 15 mei 1648 is pastoor Cleerbesem met hulp van parochianen ermee begonnen. Al snel daarna kreeg hij te horen dat Jacobus del a Torre, titulair bisschop van Efese, op 23 augustus 1649 langs zou komen om het vormsel toe te dienen.

Een week eerder had hij het zelfde ook al in Zevenhoven in Zuid-Holland gedaan. Deze plechtigheid aldaar verliep ongestoord.

 

Dat het vormen in Zijdewind niet zo rustig verliep, lag voornamelijk aan de “hoofdofficier van de Nieuwdorper Cogge" Herman Hartman van der Woude.

Toen hij ontdekte wat er in zijn gezagsgebied stond te gebeuren, wilde hij de van kracht zijnde verordeningen toepassen.

Schout Herman van der Woude, hoofd van de politieWapen Niedorper Kogge en dijkgraaf, Hendrick Schoenmaker, burgemeester van Oude Niedorp, Cornelis Kistemaker, burgemeester van Nieuwe Niedorp en een aantalschepenen zijn op hun paarden gesprongen om de bisschop tegen te houden.

 

Toen de enthousiaste wetsdienaren ter plaatse kwamen, vonden ze de bisschop niet omdat hij door middel van “neusdoecken“was gewaarschuwd en op

tijd was gevlucht. De Niedorpse schout en zijn helpers waren niet bepaald vriendelijk door de aanwezigen ontvangen. Zij mochten blij zijn dat zij niet meer hadden opgelopen dan een paar slagen en stompen.

Tijdens hun aftocht riep het volk tegen hen: “Alle officieren laten 't toe, ghy alleen maeckt ons het spul, ghy zijt een geweldenaer, een vredebreucker, beloven u het sal komen ter ooren van den Koninck van Spangien."

Wie was deze “vredebreker", deze schout uit Nieuwe Niedorp? Hoe kwam het dat deze officier zo fanatiek in Zijdewind het vormselfeest wilde tegen houden?

 

Tijdens het onderzoek naar het verhaal over de Zijdewindse kerk van 1648/1649 hebben onder meer deze vragen mij geïntrigeerd. Mijn belangstelling voor deze man Herman Hartman van der Woude werd aangewakkerd toen ik ontdekte dat hij en zijn kinderen van plan waren geweest om in Zuid-Amerika een kolonie te beginnen.

Dank zij internet en de bibliotheek heb ik de volgende gegevens over deze interessante man verzameld.

 

Herman werd op 25 juli 1621 in het Munnikenland geboren. Dit land van monniken ligt ten zuiden van de Waal tussen slot Loevestein en Brakel. In dit gebied vinden we nu nog namen van straten die verwijzen naar het bezit van de monniken: de Munnikenlandse Kaveling, het gedeelte van de monniken, en de Munnikenlandse Waalkade.

 

“Een deel van de kaart tussen Slot Loevestein en Brakel, waar Herman is geboren”

 

Is de antipathie, die Herman tegen katholieken had, hier ontstaan? Het gezin bewoonde daar een hofstede, een grote boerderij. Zowel zijn vader als zijn grootvader waren schout, waren dus dijkgraaf en hoofdofficier van de politie. Omdat een oudere broer het ambt van zijn vader over nam, besloten Herman en zijn broer Adriaen hun geluk in Noord-Holland te zoeken.

Adriaen schopte het tot notaris.

Herman, nog maar 25 jaar oud werd in 1646 hoofdofficier en dijkgraaf van de Niedorperkogge.

Hij was de hoogste rechterlijke ambtenaar en dus verantwoordelijk voor de rechtspraak in Nieuwe Niedorp, Oude Niedorp en Winkel. Ook was hij belast met de zorg voor het onderhoud aan de dijken en voor het op de juiste hoogte houden van het waterpeil.

 

De mensen die hun verhaal voor de gecommitteerden moesten vertellen, waren op een bewaard gebleven lijstje vermeld. Dat waren:

1. Mr. Baef, priester op de Sijdwind,

2. Fate Berger tot Schagen,

3. Jan Pietersz., soon van PieterJansz., wever op de Sijdwind,

4. Lambert Sijmonsz., soon van Sijmon Lambertz., mede aldaer,

5. Cornelis Gerritsz. Mantges soon oock aldaer,

6. Claes Nun, de wildboer op d'Hoochtwouder  paden,

7. Maerten Claesz., swager van schout Ducx,

 

De taken in zijn werkgebied voerde hij zeer nauwgezet uit.

Hij dacht dat door de activiteiten in Zijdewind het bisschopsambt in de praktijk weer hersteld werd en dat vond hij te ver gaan want in het vredesverdrag van Münster was dat niet geregeld.

De komst van een bisschop kon hij niet tolereren en daarom ging hij op 23 augustus 1649 meteen aantal helpers naar Zijdewind om de bisschop tegen te houden. Deze gebeurtenis hebben we al in nr. 4 van “ 't ls mooi weest” uitgebreid beschreven.

Zijn “bezoek“ aan Zijdewind zou nog veel vervelende gevolgen voor de inwoners, maar ook voor Herman, hebben.

Omdat schout Herman van der Woude een verslag van het gebeuren in Zijdewind had opgestuurd, moesten op 3 september “'s morgens ten acht uyren" elf mensen voor de “Heren Gecommitteerden" verschijnen om een en ander uit te leggen.

 

In de Republiek van de Verenigde Nederlanden werden de colleges van raadsheren in Holland en Zeeland de Gecommitteerde Raden genoemd. Zij voerden tot 1795 het dagelijks bestuur over het gewest. In Friesland, Groningen, Overijssel, Utrecht, Drenthe en Gelderland werd dit college aangeduid als Gedeputeerde Staten.

 

De Gecommitteerde Raden waren belast met het uitvoerend gezag, het dagelijks bestuur, het beheer van de financiën en het toezicht op de verdeling van de troepen over de gewesten. Zij spraken ook recht in belastingzaken.

 

Holland kende twee Gecommitteerde Raden, namelijk die van het Zuiderkwartier en die van West-Friesland en het Noorderkwartier. Deze verdeling was een overblijfsel uit de eerste jaren van de opstand, toen het noorden van het gewest Holland van de rest was afgesneden en behoefte had aan een eigen bestuurscollege.

Beide hadden hun eigen gezags- en rechtsgebied, respectievelijk benoorden en bezuiden het IJ.

 

Het eerstgenoemde college vergaderde te Hoorn en telde zeven leden, afgevaardigd door de steden Alkmaar, Hoorn, Enkhuizen, Medemblik, Edam, Monnikendam en Purmerend.

 

Het tweede college was op het Haagse Binnenhof gevestigd en bestond sinds 1616 uit tien leden: een vertegenwoordiger uit de ridderschap, afgevaardigden van de acht grote steden van het Zuiderkwartier (Dordrecht, Haarlem, Delft, Leiden, Amsterdam, Gouda, Rotterdam en Gorinchem) en tenslotte een tiende lid, beurtelings voor tweejaar benoemd door Schiedam, Schoonhoven of Den Briel.

 

De belangrijkste dienaar van de Staten van Holland was de raadspensionaris. Hij had een raadgevende stem en bijzonder veel invloed. Van beide Hollandse colleges waren de Gecommitteerde Raden van het Zuiderkwartier duidelijk de belangrijkste. Zij traden in feite op als het dagelijks bestuur van het gewest, riepen de leden van de Staten van Holland ter vergadering, stelden de agenda van de Statenvergadering op en bemoeiden zich met het straffen van Zijdewind.

 

Precies een week later schreven de gecommitteerden van het Noorderkwartier een brief naar de heren gedeputeerden te Hoorn. Zij werden opgeroepen, gedagvaard, om voor het Noorderkwartier in Den Haag te verschijnen. Den Haag moest op deze manier in kennis worden gesteld van de maatregelen die door Hoorn waren genomen betreffende een “genoegzaam ongehoord" voorval in dit kwartier.

Op zijn verzoek was al overeengekomen dat de officier van Niedorp een vooronderzoek zou doen naar enige van de belangrijkste belhamels en dat hij zijn alledaagse taken even zou laten liggen.

 

Men vermoedt dat er in de tussentijd al het nodige tussen Hoorn en Den Haag was gesmoesd. Aan collega’s in Den Haag werd verzocht om zich voorlopig niet met de zaak te bemoeien. Dit ongehoord voorval van deze “pauselijcke vergaderinghe" in Zijdewind was voor de bestuurders aan de Zuiderzee een prestige kwestie tegenover de “Edel Groot Mogende vergadering van de Heeren Staten van Hollandt ende West-Frieslandt woonende op het BinnenHoff in Den Haag” die diep in het zuiden zetelde maar per slot van rekening wel de dienst uitmaakte over Holland en West-Friesland.

 

Sommige historici denken dat naast dit eergevoel de hoge heren in Hoorn verwachtten dat de hoge boetes niet geringe inkomsten zouden zijn.

In de vergadering van Holland werd het voorval voor de eerste keer aan de orde gesteld door twee raadsheren van het Hof, een instelling voor rechtspraak zoals het gerechtshof.

De heren Crommon en Francquen vertelden op 22 september1649 dat het Hof van mening was dat het gebeuren in Zijdewind veel ernstiger was dan de vorige gevallen en achtte het gewenst dit aan de Heren Staten mee te delen voor de rust in het land en het voorkomen van verdere ongemakken.

De rechterlijke macht was opgrond van de van krachtzijnde wetten zelf bevoegd om de schuldigen te vervolgen, maar probeerde dat af te schuiven.

 

Sommige geschiedkundigen denken dat dit een sabotagemanoeuvre was van de fiscaal Moons, een openbaar eiser in zaken die de schatkist betreffen. Hij was immers de man die de daders zou moeten vervolgen maar hij wist dat de verwijzing van deze zaak naar de “Heren Staten” een strijd over de bevoegdheden zou ontketenen tussen de gecommitteerden van het Noorderkwartier.

Wilde hij soms de nodige tijd ter afkoeling winnen?

Dankzij de bovengenoemde heren besloten de “Edel Grootmogenden" de heren gecommitteerden in Hoorn te vragen enige personen naar het Binnenhof af te vaardigen om nader verslag uit te brengen.

 

Een paar dagen later werd het verzoek in Hoorn ontvangen. De afwezigen, waaronder secretaris Dirk van Foreest die over de stukken ging, werden door bodes ontboden. Er werd daarna besloten om de gevraagde afvaardiging terstond naar Den Haag te latenvertrekken.

De deputatie, die bestond uit jonkheer Thomas van Egmond van der Nieuwburg en secretaris Foreest, was op 27 september in Den Haag aangekomen. Ze werden pas drie dagen later gehoord na uitgebreide discussies waarschijnlijk over soortgelijke ongerechtigheden in de provincie.

Na de lange uitleg van de heren Egmond en Foreest werd besloten dat de gecommitteerden te Hoorn zonder verdrag werden gemachtigd een proces te beginnen tegen bisschop Jacobus de la Torre en ook tegen allen die bij de zaakwaren betrokken.

Fiscaal Moons kreeg de opdracht om naar Hoorn te gaan om de officier Herman Hartman van der Woude, als deskundige bij te staan.

Van deze beslissingen werd op 8 oktober een afschrift naar het Hof gezonden.

 

De vergadering in de ridderzaal

De heren uit Hoorn waren dus gevolmachtigd om tegen Zijdewind op te treden. Op maandag 10 oktober gingen zij met een troepenmacht van dertig soldaten naar het ”Noord-Hollandse Rome" om er het aansloot gevende bedehuis met de grond gelijk te maken. Dat het slopen degelijk gebeurde, slaat in een rapport te lezen dat we een beetje ingekort maar wel in begrijpelijk Nederlands hieronder vermelden.

De heren gecommitteerden waren op de Enkhuizers na compleet en hadden

 's nachts in Nieuwe Niedorp gelogeerd.

Op maandagmorgen omstreeks 5 uur zijn 2 kagen uit Alkmaar aangekomen met 30 soldaten, 20 uit Alkmaar en 10 uit Hoorn. Een kaag is een binnenvaartuig met een platte bodem, met zwaarden en een mast. Er kwamen er 4 of 5 te paard en ook ongeveer 25 timmerlieden met allerlei timmergereedschap.

 

De heren die in Nieuwe Niedorp hadden gelogeerd, hadden op al deze mensen gewacht. Om 7 uur 's morgens zijn zij ter plaatse aangekomen alwaar de onlusten zijn voorgevallen, omdat er bevel was gegeven om het huisraad uit het huis te nemen en bovendien het voorhuis met de kerk helemaal aan stukken te smijten. Claes Aelberts van wie het huis was, smeekte om het niet te doen. Toch werd de kerk omvergeworpen en al het hout werd zo beschadigd dat het nergens meervoor gebruikt kon worden.

De heren zelf hebben met hun wandelstokken de glazen ingeslagen en de ruiten die heel naar beneden waren gevallen, werden met hun voeten stukgemaakt.

 

Aan Claes Aelberts die verzocht of hij het hout ten voordele van de armen mocht gebruiken, werd geantwoord dat er binnen 14 dagen een besluit zou worden genomen. De schoorsteenmuren werden zo geruïneerd dat nauwelijks de ene steen op de andere is gebleven.

Omstreeks twee uur in de middag was alles met de grond gelijk gemaakt. De versieringen, die daar waren gevonden, samen met de schilderijen, de beelden, het altaarkleed en de preekstoel werden aan boord gebracht om dat naar Hoorn te brengen.

Daarna vertrokken de meeste soldaten. Vier heren, vier of zeven soldaten en schout Herman Hartman van der Woude zijn naar het huis van Mr. Bavo, pastoor Cleerbesem, gelopen. Daar werd gezegd dat hij niet thuis was.

Zij hebben daar alles bekeken: een klein kapelletje, de schilderijen,de beelden, de versieringen en de tinnen kelk.

Al deze zaken werden beschreven en ook de personen die daar woonden: de knecht van Mr. Bavens (Bavo) en twee maagden. De ene maagd werd uitgezet en er werd gezegd dat de andere samen met Bavo mocht blijven.

Ook andere huizen werden bekeken. ln totaal werden 30 klopjes uit vier huizen gezet. In nog een ander huis zaten er zeven. Een werd er uitgezet, de anderen mochten vanwege hun ouderdom en hun ziektes blijven.

 

Omstreeks vier uur zijn de heren te voet naar Nieuwe Niedorp teruggekeerd.

De volgende dag is schout Herman van der Woude met zijn dienaar en met vijf of zes dienaren uit Alkmaar naar het huis van priester Bavo gegaan. Zij hebben uit het kapelletje een schilderij, twee grote beelden en een tinnen kelk gehaald.

Deze zaken waren de vorige dag al beschreven. De beelden werden naar een Hoornse boot gedragen. Er werd geen inboedel beschadigd. Men nam alleen twee planken uit het huis om het schilderij te vervoeren.

 

Claes Aelberts verscheen volgens opdracht op 15oktober voor de heren en verzocht opnieuw om het hout te mogen gebruiken ten voordele van de armen. Hij kreeg weer als antwoord dat het besluit over 14 dagen zou worden genomen. Hij werd vriendelijk te woord gestaan maar er werd geweldig op de bisschop gescholden en ook op de grote toeloop van duizenden mensen.

 

Claes Aelberts ontkende dat er zoveel mensen waren.

De kerk was immers niet langer dan 56 voet (ongeveer 17 meter) en niet breder dan 44 voet (ongeveer 13 meter). De galerij was niet breder dan tien voet (drie meter) en 44 voet lang, maar daar moest men nog de lengte van het altaar, van de voetbank, van het hek en van de biechtkamer aftrekken. De heren zeiden dat er veel volk buiten de kerk was geweest.

 

Het was verrassend dat de gesloopte kerk niet het enige paapse bedehuis in Zijdewind was. In de woning van pastoor Bavo Costerus Cleerbesem vonden de heren uit Hoorn dus nog een kerkje. Dit tweede exemplaar in een gehucht met maar een handjevol huizen zal waarschijnlijk al langer hebben bestaan. Dat betekent dat de grote kerk bij of aan het huis van Claes Aelberts pas na de vrede van Münster is gebouwd en niet alleen voor de Zijdewinders was bedoeld.

 

Even opmerkelijk was de vondst van vijf huizen met in totaal wel 37 klopjes. Tegenwoordig zouden we dit een klooster noemen. Het is bekend dat Zijdewind in die jaren groter was dan tegenwoordig. Het liep van Venhuizen tot de Blockhuyzen en het dorp was dichter bebouwd.

 

Een klopje of een geestelijk dochter, was een veelal ongehuwde, katholieke vrouw, die in de tijd van de schuilkerken (na de reformatie) langs de deuren ging om leden van de kerk uit te nodigen voor een mis op een geheime plaats in een schuilkerk.

Veel priesters schakelden de hulp van deze vrouwen in bij de opbouw van hun statief of parochies. Klopjes waren dikwijls betrokken bij het geloofsonderricht aan katholieke kinderen en ook verleenden zij hulp en begeleiding aan zieken en stervenden.

Klopjes brachten daarnaast veel geld in voor de kerk. Zij schonken vaak kostbare voorwerpen of maakten kerkelijke gewaden voor de statie of parochie.

 

Vijf afgevaardigden van de Hollandse synode (kerkvergadering) verschijnen op 3 december 1649 in de vergadering van de Edel Groot Mogend en (de heren van de Staten van Hollanden West-Friesland, die op het binnenhof vergaderen) in Den Haag. Zij hebben veel klachten over een rechterlijke ambtenaar in Den Bosch. Tijdens de debatten vroeg men zich af of het verstandig zou zijn om in de provincie Holland alle kerken en kapellen van de pausgezinden met de grond gelijk te maken en de gehele paapse geestelijkheid af te zeilen.

 

De vergadering besloot om fiscaal Moons te ontbieden.

Deze zou dan moeten meedelen wat hij had gedaan betreffende het geval Zijdewind, maar ook betreffende de gevallen in het Zuiderkwartier. Hier werd het vormfeest in Zevenhoven bedoeld.

Fiscaal Moons deelde in een rapport van 7 december 1649 mee dat hij en Herman Hartman van der Woude een proces waren begonnen tegen de bisschop. Omdat deze op 18 november niet voor de rechtbank was verschenen, was er een tweede dagvaarding uitgegaan.

Op diezelfde dag zou een ambtenaar van het Openbaar Ministerie vier priesters ondervragen. Ook tegen hen was men bezig met de voorbereiding van een proces. Tijdens de discussie over dit rapport wilden enkele leden de zaak Zijdewind overdragen aan het Hof. Toch besloot men dat het geval Zijdewind door Hoorn zou worden afgehandeld.

 

Op 21 februari 1650 had Hoorn de vonnissen vastgesteld. De gelovigen moesten een boete van 60.000 gulden betalen. Pastoor Cleerbesem kreeg een boete van1.400 gulden en werd uit Holland verbannen. Bisschop De la Torre verwachtte dat ook hij zou worden verbannen. Ondertussen had zijn zus een onderhoud met fiscaal Moons. Deze deelde mee dat het geval Zijdewind hem speet en hij vertelde dat de Staten van Holland opdracht hadden gegeven voor een nader onderzoek.

 

Een maand later deelde fiscaal Moons mee dat de bisschop eigenlijk niets “criminosum“ had gedaan en dus eigenlijk ook geen crimineel vonnis verdiende.

Dirk van Foreest (zie foto hieronder) kreeg dit van Moons te horen terwijl hij juist naar Moons was gegaan om aan te dringen op een spoedige vervolging.

Van Foreest was het er niet mee eens en nam geen genoegen met de passieve houding van Moons. Als die geen vervolging wilde, dan moesten de gecommitteerden te Hoorn dit maar opdragen aan schout Herman Hartman van der Woude.

Inmiddels was de verbannen pastoor Cleerbesem met medeweten van de gecommitteerden in Hoorn weer teruggekeerd. Men had schout Herman van der Woude aan het verstand weten te brengen dat de boete van 60.000 gulden, die de plaatselijke katholieken moesten opbrengen, alleen maar bij elkaar te krijgen was als de pastoor dit zou regelen.

Ook in die tijd werd er door de verschillende personen met hun eigen meningen flink gelobbyd.

Sommigen vroegen aan prins Willem II om de bisschop juist niet te verbannen.

 

Schout Herman van der Woude deelt op 7 juli 1650 de advocaat van de bisschop mee dat hij aan de gecommitteerde raden in Hoorn had voorgesteld om de bisschop te verbannen en zijn goederen verbeurd te verklaren. Dit voorstel was bij de gecommitteerden echter niet bekend. Ook de schout had een advocaat en de gecommitteerden kregen te horen dat Herman zijn mond zou houden als hij een geschenk zou krijgen. Er werd gedacht aan een nieuw paard of een nieuw pak.

 

De onderhandelingen met schout Herman van der Woude vlotten niet erg. Herman had een juridisch adviseur die zo mogelijk nog inhaliger was dan hijzelf. Bovendien had men het proces tegen de bisschop gekoppeld aan een proces tegen een boer die schout Van der Woude met een dorsvlegel had bedreigd.

Omdat deze onvindbaar was, kon men niet met het proces tegen de bisschop beginnen. Het was de bedoeling om die boer door prins Willem dan maar gratie te verlenen. Helaas overleed de prins op 6 november.

 

In Hoorn werd er eind november 1650 nog altijd gekibbeld over de genoegdoening voor schout Herman Hartman van der Woude. Ondertussen waren predikanten voor de derde maal bij de gecommitteerden in Hoorn geweest om aan te dringen op een veroordeling van de bisschop. Een van de predikanten had daar geroepen: “Wie zal ons eindelijk eens van die duivels verlossen?"

 

Ook in het begin van hel nieuwe jaar was men in Hoorn nog geen steek verder gekomen. Vandaar dat de bisschop van plan was om in het voorjaar clandestien een reis naar de missiestaties te ondernemen.

Schout Herman Hartman van der Woude kreeg op 19 februari 1651 eindelijk zijn zin. De bisschop werd uit Holland en uit West-Friesland verbannen en al zijn bezittingen werden verbeurd verklaard.

 

Hoe verder met Herman van der Woude

Hiervoor heeft u kennis kunnen maken met het indrukwekkende leven van Herman van der Woude, een man die een duidelijk stempel heeft gedrukt op de geschiedenis van de Niedorpen en wijde omgeving.

 

Om u een duidelijk beeld te geven van de persoon vindt u hieronder de stamboom van de familie Van der Woude.

Herman Hartman van der Woude: geb. in 1621, overl. 8-1-1677

huwde 19-3-1656 met

Margarita Blaeuhulck:  geb. 1-10-1632, overl. 21-1-1662

Kinderen uit dit huwelijk

1. Margarieta:  geb. juli 1661, overl. 7-2-1677

2. Johannes:    geb. 3-10-1658, overl. voor 1698

     huwde  5-9-1683 met Meijnutje Boelens

3. Elisabeth:  geb. 11-1-1657, overl. december 1698

     huwde 23-4-1684 met Adolf Frederick Bock

Kinderen van Elisabeth en Adolf

1.     Henderick Jochem: geb. 26-2-1685

2.     Harmen Hartman: geb. 26-6-1686, overl. 24-6-1688

3.     Margareta: geb. 17-10-1688, overl. jan. 1716

4.     Philida: geb. 2-11-1690, overl. 9-3-1691

5.     Harmen Hartman, geb. 9-2-1692, overl. 31-8-1693

6.     Philida: geb. 15-3-1693, overl. 29-8-1694

7.     Johannes: geb. 3-9-1694

Dankzij de gebeurtenis in Zijdewind werd Herman bijzonder gewaardeerd in Nieuwe Niedorp. Op 30 augustus 1653 sloten kerkmeesters van de gereformeerde kerk in Nieuwe Niedorp een contract met Francois en Pierre Hemony, de beroemde klok- en geschutgieters uit Zutphen, voor het leveren van een nieuwe klok “om de buijten ingesetenen te beter contentement, tevredenheid, te geven".

 

 

Afb. links: De klok met daarop de naam van Herman.

Na de oorlog werd de klok uit het IJsselmeer gevist en weer in de kerktoren van Nieuwe Niedorp opgehangen.  

 

De klok moest een middellijn van 1,38 meter krijgen en 3.400 pond gaan wegen. Verder werd er afgesproken dat als eerste de naam van Herman op de klok zou worden vermeld. Daarna volgden de namen van twee burgemeesters, van de klokkengieters, de kerkmeesters en de secretaris.

 

Op de klok staat het volgende te lezen: ME FEC, dit is een afkorting van me fecit en dat betekent hebben mij gemaakt.

Deze klok werd in de Tweede Wereldoorlog door de Duitsers geconfisqueerd, verbeurd verklaard. De schipper die de vracht aan klokken naar Duitsland vervoerde, was niet bepaald pro-Duits en heeft de boordkranen halverwege het IJsselmeer opengezet.

Hij wist zo te voorkomen dat de Noord-Hollandse kerkklokken werden omgesmolten ten behoeve van hun wapen industrie. Na de oorlog is het binnenschip gelicht en werd genoemde klok weer in de toren van de Fenixkerk opgehangen.

 

Afb. links: op 13 mei 1654 schreef Herman Hartman van der Woude  deze brief  aan de regering in Den Haag, 5 jaar na de gebeurtenissen in Zijdewind

 

Klik op afbeelding voor een vergroting!

 

Op 19 maart 1656 trouwde Herman, bijna 35 jaar oud, met Margarita Biaeuhulck.

Zij was op 1 oktober 1632 in Enkhuizen geboren. Haar vader was stadsbestuurder, bewindhebber bij de Verenigde Oost-Indische Compagnie, admiraliteitsheer (bestuurder bij de oorlogsmarine), ecipasimeester (=equipagemeester, beheerder van de scheepsuitrusting) en munsterheer generaal te water en te lande (verantwoordelijk voor de inspectie en de monstering van het scheeps- en krijgsvolk).

 

Op een gegeven moment werd haar vader door de kerkenraad toegesproken over “die geruchte van sijn dienstmaecht, als dat dieselve van hem soude bevrucht wesen."

Het stadsbestuur ontnam hem tijdelijk al zijn openbare ambten. Op zaterdagavond 11 januari 1657 werd dochter Elisabeth geboren.

Men vernoemde haar naar de moeder van vader Herman. Een jaar later op 3 oktober werd zoon Johannes geboren. Die was vernoemd naar de vader van zijn moeder. In juli 1661 werd Margarieta geboren, vernoemd naar de moeder van haar moeder.

 

De vrouw van Herman overleed op 29-jarige leeftijd op 21 januari 1662. Ondanks het feit dat ze in Nieuwe Niedorp woonde, werd zij 6 dagen later in de Zuiderkerk te Enkhuizen begraven. Elisabeth was net 5 jaar geworden, Johannes was drie jaar en Margarieta nog maar 5 maanden oud. Herman hertrouwde niet. Hij kon de opvoeding van zijn kinderen overlaten aan dienstmeisjes, want er was geen armoede.

Tijdens de Tweede Engelse Oorlog, van 1665 tot 30 juli 1667, werd Herman aangenomen als kolonel over Noord-Holland. De boeren in zijn gebied werden met geweren bewapend. In diezelfde lijd besloot Michiel de Ruyter om naar de monding van de Theems te zeilen. De ijzeren ketting die over de rivier was gespannen, werd kapot gevaren. Engelse schepen en marine magazijnen werden buitgemaakt.

 

 

 

Na deze oorlog verhuisde Herman met zijn drie kinderen naar een hofstede aan de Middenweg in Heerhugowaard. Het was een grote boerderij met een gracht eromheen en met wel zes stookplaatsen.

Daar woonde hij met zijn drie kinderen gedurende vierjaren in alle rust tot het rampjaar 1672. De Republiek raakte in oorlog met Frankrijk, Engeland, het bisdom Keulen en het bisdom Munster.

 

Frankrijk veroverde in juni Utrecht, Gelderland en Overijssel. In diezelfde maand was er de eerste zeeslag tegen de Engelsen en de Fransen. Ook in de Nederlanden zelf heerste er grote onrust. Zo werden op 20 augustus de broers Johan en Cornelis de Witt door een opgehitste massa in Den Haag vermoord.

 

Ten tijde van de Derde Engelse Oorlog, van 1672 tot 19 februari 1674, trok Herman met 1700 bewapende mensen naar Den Helder om een mogelijke landing van Engelse en Franse troepen te verhinderen.

Daar was hij getuige van een “dubbele ebbe“. Het was een wonder dat het laagwater 12 uur aanhield, waardoor de vijandelijke troepen niet aan land konden worden gezet.

In een ander boek werd geschreven: “de ebb gingh 3 getijen sonder op te houden. Godt de heer had ons mirakeleuslijck verlost“.

 

Extreme weersomstandigheden

In 1673 werd Herman ook aangesteld als schout van Opmeer en was daarom belast met de zorg voor onderhoud aan de dijken en voor de hoogte van het waterpeil. In de volgende twee jaren kreeg hij te maken met zeer extreem weer, zoals uit de volgende voorbeelden blijkt.

 

Een boer liep op 20 maart 1674 met 150 varkens van Stavoren naar Enkhuizen over het ijs dat op het IJsselmeer lag.

Herman liep op 12 april van dat zelfde jaar met enige heren over het ijs dat op de gracht rond zijn huis lag. Deze periode wordt de kleine ijstijd genoemd.

 

Tegen de avond van woensdag 1 augustus 1674 tijdens een hevig onweer ontstond er een windhoos, waardoor veel kerken, torens, huizen, schepen en bomen omvergeslagen werden. Sommigen noemden het een orkaan.

Ook de Dom in Utrecht stort gedeeltelijk in.

 

\

 

Op maandag 4 november 1675 stond er een harde noordwestenwind. De zeedijk bij Etersheim, een plaatsje tussen Hoorn en Edam, was doorgebroken. Het water kwam die dag tot aan de Bobeldijk die het water nog een dag kon keren.

De volgende dag met nog meer storm en onweer kwam het water tot aan de Noorddijk bij Lambertschaag. Op deze dag raakte de toren van de kerk in Nieuwe Niedorp door het hevige onweer in brand. De schade viel gelukkig mee.

 

Op donderdag 6 januari 2005 stond er in het Noordhollands  Dagblad een artikel over deze dijkdoorbraak met de kop: “Koeien de kerk in voor vloedgolf uit Zuiderzee". In dit artikel werd vermeld dat de West-Friese Omringdijk in het begin van november van het jaar 1675 bij Scharwoude doorbrak. Een “vervaerlijcken stormwindt" uit het noordwesten had een gat van 118 meter breed en 10 meter diep in de dijk geslagen. Het toen nog zoute water van de Zuiderzee kwam daardoor tot aan de Langereisdijk tussen Nieuwe Niedorp en Hoogwoud.

 

Ook de zomerdijk bij Wognum was bezweken. De bevolking probeerde te redden wat er te redden viel. Koeien werden hoger gelegen kerken ingedreven of werden naar het hoger gelegen Zandwerven gebracht.

Er waren 3.000 mensen bezig om de dijken bij Niedorp, de Schermer en de Beemster te versterken. Op 29 november had men het gat dicht weten te krijgen maar op sinterklaasavond brak de dijk op dezelfde plaats weer door.

 

Een paar dagen later voer Herman met een boot van Rustenburg naar Hoorn over het ondergelopen land. Hier en daar werd erop het land zalm gevangen! Kort na zijn boottocht begon het heel hard te vriezen, waardoor veel huizen die in het water stonden, werden beschadigd. Nog meer dijken begaven het door de werking van het ijs. Zo liep heel  Drechterland onderwater. Er stond 25.000 ha. land onderwater. Inwoners van Enkhuizen hadden de poorten afgedamd, zodat zij droge voeten hielden. Ook waren dijken in Waterland, Amsterdam en in Zeeland doorgebroken. In diezelfde tijd versloeg Admiraal De Ruyter de Franse vloot bij Messina, een plaats in het noordoosten op Sicilië.

Pas op 21 januari 1676 slaagde men erin alle dijken weer te dichten en in mei was het meeste land mede door het mooie weer en met hulp van molens behoorlijk gedroogd.

Ook in de zomer van 1676 was het weer van de kook.

Op 14 juli brak er een hevig onweer los met hagelstenen zo groot als kievitseieren. “Geen glasen bleven ongeschent" en het koren op het veld was platgeslagen en bedorven.

 

Een kolonie aan de Oyapoc rivier

Herman was een van de initiatiefnemers die de Staten van Holland, het bestuur van de provincie Holland, toestemming vroegen om aan de Oyapoc, een grensrivier tussen Frans Guyana en Brazilië, een kolonie te stichten.

Het gebied daar zou zeer geschikt zijn voor de teelt van suiker en tabak, waarmee grote winsten behaald konden worden. In augustus 1676 benoemden de Staten van Holland en West-Friesland Herman tot lid van de Hoge Raad. Dat noemde men in die tijd het bestuur van de te stichten kolonie.

Zijn benoeming leverde hem 1.200 gulden per jaar op.

 

Na 30 jaar trouwe dienst bedankte Herman in september daarom de heren van de rekenkamer voor het baljuw- en dijkgraafschap van Nieuwe Niedorp en begon de voorbereidingen voor de verre reis naar Zuid-Amerika.

 

Begin december vertrok het gezin Van der Woude uit Heerhugowaard naar Nieuwe Niedorp om op sinterklaasdag vanuit Kolhorn te vertrekken met een lichter, een plat schip met weinig diepgang. Aan boord gingen Herman en zijn drie kinderen met een leeftijd van 19,18 en 15 jaar. Verder namen ze mee: 5 meiden, 45 knechten, 3 paarden, 6 koeien, enkele schapen, hoenders en duiven, kleding, lakens, dekens, tin, koper, 50 geweren en provisie voor een heel jaar.

 

Met een kaag maakte de familie Van der Woude de oversteek van Kolhorn naar de Vlieter bij Texel. Daar lag een koopvaardij schip voor de grote oceaanreis.

De volgende dag kwamen ze aan bij de Sint Lourens, die in de Vlieter lag. De vaargeul ten noorden van Wieringen werd de Vlieter genoemd.

 

De Sint Lourens was een koopvaardijschip met ruime verblijven voor de opvarenden. Dit schip had een laadvermogen van 300 last, dat is 600 ton, en had 24 kanonnen aan boord. Omdat het vanwege storm gevaarlijk werd om in de Vlieter te blijven, zeilde men op 9 december naar Texel. Daar verzamelden zich vele boten om gezamenlijk verder te varen. Op 13 december gaan Herman, zijn twee dochters en de schipper voor de laatste keer in Den Helder aan land. Het vroor zeer hard met een stevige wind vanuit het noordoosten en er was zoveel ijsgang dat de gehele vloot de volgende dag moest uilvaren. Met moeite wisten Herman en zijn dochters aan boord te komen. Volgens sommigen bestond de vloot uit wel 75 schepen, inclusief drie oorlogsschepen. Deze zouden tot Noord-Spanje bij de vloot blijven en vandaar zouden 6 boten naar Guyana varen.

 

Aan boord van die 6 schepen waren: de gouverneur en de president van de Hoge Raad (het bestuur van de kolonie), leden van dat bestuur, zoals Herman Hartman van der Woude, de secretaris, personen van de Raad van Justitie, een fiscaal, een predikant, een dokter, een chirurgijn, een schoolmeester, een voorganger, soldaten, dienstboden en vrouwen. In totaal waren dat ongeveer 350 zielen.

 

Al in het begin van de reis had men te maken met problemen. Door een botsing met een ander schip werd het galjoen, de uitbouw aan de voorkant, en de boegspriet beschadigd. Dat gebeurde toen men bij Engeland voer.

Bij de Franse kust wist men Franse kapers met kanonvuur weg te jagen. Op 19 december gingen de begeleidende oorlogsschepen terug en twee dagen later verlieten zes schepen de vloot om hun eigen weg in te slaan richting Guyana.

In de buurt van Madeira kwamen ze op eerste kerstdag een Afrikaans kaperschip tegen. Omdat alle lichten werden uitgedaan en omdat het een donkere nacht was, wisten ze te ontsnappen.

 

Nadat men precies een maand had gevaren, liet men de ankers zakken bij het Kaapverdische eiland Raio.Daar lagen ook drie schepen van de Engelse marine.

Die eisten dat de Nederlandse boten de vlaggen moesten strijken. Dat werd geweigerd. integendeel. De Nederlanders hezen de bloedvlaggen, rode vlaggen als teken om aan te vallen. Gelukkig wisten wederzijdse predikanten vrede te stichten. Om verdere ruzies te vermijden, voeren de Nederlandse schepen de volgende dag naar het Kaapverdische eiland Säo Tiago om er 10 dagen te blijven voor de overtocht naar Zuid-Amerika.

Kaapverdië, een verzameling van tien grote en vijf kleine eilanden, was in 1460 door de Portugees Diogo Gomes ontdekt. In een eeuw tijd had men de gehele bevolking gekerstend.

 

Overlijden van Herman van der Woude

Dan wordt Herman Hartman van der Woude tijdens zijn reis ziek en na twee weken ziek te zijn geweest overlijd hij op 8 januari 1677.

De volgende dag ging dochter Elisabeth met enkele anderen aan land om te vragen of haar vader daar begraven mocht worden. Ze werden daar onthaald door een priester van de orde der Dominicanen. Het werd ze toegestaan om vader daar begraven als ze roomskatholiek waren.

Elisabeth zei dat ze gereformeerde christenen waren en ze kreeg als antwoord dat ze alleen rooms-katholieke christenen kenden. Het verzoek werd afgewezen omdat het kerkhof een gewijde plaats was. Voor de baai lag echter een klein eilandje. Ze bekeken dat en vonden het een goede plek om vader daar te begraven.

Op 10 januari 1677 werd Herman Hartman van der Woude stilletjes begraven zonder dat de Portugezen het wisten.

 

Dochter Elisabeth vervolgt de reis

Hier zou eigenlijk ons verhaal over de schout moeten eindigen maar wij kunnen ons voorstellen dat u als lezer graag wil weten hoe het met Elisabeth en haar broer en zuster in het verre Guyana zou aflopen.

Vandaar dat wij hieronder in sneltreinvaart haar verdere levensloop beschrijven.

Een week na de begrafenis van Herman werden de ankers gelicht om naar Guyana te varen. Zij kwamen in begin februari aan bij de rivier Oyapoc waar de kolonie zou worden gesticht. Een dag na hun aankomst overleed de 15-jarige Margarieta aan waarschijnlijk dezelfde besmettelijke ziekte waaraan vader Herman ook was overleden. Bij aankomst waren er al 60 van de 350 mensen overleden.

 

Enkele dagen later werd Elisabeth ook ernstig ziek terwijl haar broer zich weer een beetje beter begon te voelen. Elisabeth verzocht de gouverneur of ze weer terug naar Holland mocht en dat werd haar toegestaan. Met dezelfde schepen die haar naar Zuid-Amerika brachten, begon Elisabeth op 18 maart 1677 haar tocht naar huis. Haar broer Johannes blijft achter op de kolonie.
Om te kunnen profiteren van gunstige stromingen en een gunstige wind was de vaarroute naar huis veel noordelijker. In de buurt van de Bermuda-eilanden hadden ze veel last van een orkaan en was er grote schade aan de masten en de zeilen.

 

Gekaapt door kaper Jean Bart.

 

Begin juni bij het Shetlandeiland Foula ten noorden van Schotland werden Elisabeth en de anderen gekaapt door de beruchte kaper Jean Bart.

 

Afb. links: de kaperkapitein Jean Bart. Hij is een van de beruchtste kaperkapiteins uit die tijd.
De in 1650 geboren Bart begon zijn loopbaan als visser, evenals zijn vader. Toen hij vijftien was trad hij in dienst bij de oorlogsvloot van de Republiek tijdens de Tweede Engelse Oorlog (1665-1667). Hierna keerde hij terug naar Duinkerken waar hij een carrière als kaper begon. Een zeer succesvolle carrière, want binnen enkele jaren had hij zijn eigen schip. Al spoedig kreeg hij het bevel over een aantal kaperschepen. Hiermee vaart hij van maart 1676 tot maart 1678 over de Noordzee, waar hij op 2 juni 1677 het schip van Elisabeth kaapt.

 

 

Zo moest ze met een dienstmeid drie weken op zijn schip vertoeven.

Onverwachts liet Bart haar na drie weken met een Engels koopvaardijschip naar Holland terugkeren. Bij Texel aangekomen huurde zij een bootje dat haar naar Aartswoud bracht.

De volgende dag op 24 juni kwam Elisabeth in Nieuwe Niedorp aan.

Er waren veel mensen op de been om haar te vragen naar familieleden die als kolonist waren meegegaan. Blijkbaar waren veel mensen uit Nieuwe Niedorp en omstreken als kolonist meegegaan.

 

Zij woonde de eerste tijd bij haar oom Adriaen van der Woude die notaris was geworden, was getrouwd en drie kinderen had. Adriaen was voor het gezin van Herman een vertrouwenspersoon, zaakwaarnemer, borg en erfgenaam. Herman had van zijn broer geld geleend voor de investeringen in Guyana. Omdat Herman veel te vroeg overleed en veel kosten had gemaakt, werd hij bankroet verklaard. Zijn landerijen, huizen en inboedel werden verkocht om de schuldeisers te kunnen betalen Zijn rijkdom was verdwenen.

 

Fransen namen op 10 juli 1677 de kolonie in en Johannes wist te ontvluchten. Zes dagen later kon hij meevaren naar Suriname en eind september kon hij met een koopvaardijschip mee richting Holland.

 

Elisabeth vertrok in oktober naar Amsterdam en kwam te wonen in een winkel waar stoffen en kant werden verkocht. Vanaf 1680 verbleef Elisabeth bij haar nicht in Enkhuizen en ruim een jaar later woonde zij weer in Amsterdam bij een andere nicht.

 

Johannes trouwde op 5 september 1683 met Meijnutje Boelens. Al spoedig kregen zij een dochter maar die overleed na twee maanden. Johannes was waarschijnlijk zo bedroefd dat hij kort na de dood van zijn dochter naar Oost-Indië vertrok. Daar was hij voor 1698 overleden want in dat jaar hertrouwde zijn vrouw.

 

Een jaar later op 23 april 1684 trouwde Elisabeth met wijnkoper Adolf Frederick Bock. Bekend is dat haar man het volgende jaar het groot burger- of poortersrecht tot Amsterdam had gekocht. Nu kon hij in aanmerking komen voor overheidsfuncties of voor het lidmaatschap van een gilde.

Elisabeth en Adolf kregen in totaal zeven kinderen. Vier van de zeven haalden hun tweede verjaardag niet.

 

Slot

De meeste gegevens voor dit verhaal komen uit een memorieboekje dat Elisabeth tot 1694  heeft bijgehouden. Bekend is ook dat zij in december 1698 op 41-jarige leeftijd overleed en haar man Adolf op 29 januari 1700. Zo eindigt ons verhaal over een reislustige familie en een man die zeer hard in Zijdewind had opgetreden.