Dorpsraad 't Veld -Zijdewind

 
   De historie van onze dorpen
 
 

Terug

Historie

 

 

Terug naar het Panhuys en Oosterkampen

 

door Jan Keuken en Annet Klomp-Keuken

 

Een illegaal geurtje

Een paar jaar geleden is er al behoorlijk wat aandacht geschonken aan ‘t Panhuys in de Kampen.

Deze intrigerende naam was te lezen op een kaart uit 1611 getekend door Gerrit Dircksz Langendijk, een landmeter uit onze naaste omgeving. Dat zal men zich waarschijnlijk wel herinneren. ‘t Was de vraag of er sprake zou zijn van een brouwerij dan wel simpelweg van een met pannen gedekt huis. Beide mogelijkheden leken reëel.

 

In ons blad van mei 2003 werd de knoop uiteindelijk doorgehakt. Op grond van nieuwe gegevens werd er min of meer definitief besloten tot een bierbrouwerij. Een plattelandsbrouwerij met een onmiskenbaar illegaal geurtje.

In het algemeen werd zo’n buitenbrouwerij van bovenaf verboden wegens het verlies aan stedelijke bierimpost, indertijd een van de allerbelangrijkste belastingen. Voor Cornelis Jansz, burgemeester der stadt Enchuijsen, golden kennelijk andere regels.

Het hemd was ook toentertijd nader dan de rok.

Hij kwam uit een brouwersfamilie en was zelf ook brouwer. In de akten van het Niedorper Oud Recht zien we die toevoeging herhaald. Aanvankelijk was er nog enige reserve t.a.v. zijn praktische werkzaamheden. We dachten eerder aan de plaats van herkomst, Enkhuizen, maar langzamerhand won de overtuiging veld, dat hij (ook) hier een werkende brouwerij bestierd moet hebben.

 

Een merkwaardige schadeloosstelling

Op ongeveer diezelfde plek verrees later, zoals men zich wellicht zal herinneren, een aanzienlijk buitenverblijf, met zelfs een gedeeltelijke ringgracht. We kunnen wel aannemen dat zoiets in de directe omgeving veel indruk gemaakt zal hebben. In enkele opeenvolgende artikelen is over dat buitenverblijf uiteraard al een en ander verteld. Er zijn persoonsnamen genoemd die wat betreft hun familieverband, nog wat nader konden worden toegelicht.

Maar bij sommige personen was er door de beperkte informatie nog helemaal niets te melden.

Omdat het vaak niet de eersten de besten waren, maar leden van, wat je noemt, invloedrijke families die jarenlang hun stempel hebben gezet op onze regionale of zelfs nationale geschiedenis, wil ik ze, voor zover mogelijk, wat meer voor het voetlicht halen. Al is het maar zijdelings.

 

Als eerstgevonden eigenaar van land in de naaste omgeving van ‘t Panhuys kwamen we een jonkheer Floris Tserclaes tegen die in verband met een schuld van ca. 230 carolus guldens aan Cornelis Jansz van Enchuysen, en meerdere schuldeisers, een stuk land van z.g. 14 geers moest opgeven.

‘t Werd geconfisqueerd. Dat is inmiddels al weer ruim vier eeuwen geleden en had plaats in een van de meest ingrijpende perioden van onze nationale geschiedenis: 1568-1648. De 80-jarige oorlog, zoals de ouderen onder ons nog op school geleerd hebben. Tegenwoordig heet dat wat minder heftig: De Opstand.

Om terug te keren naar Floris Tserclaes: we weten inmiddels wat meer over de reden van de confiscatie. De jonkheer was in 1585 borg voor ene Mr. Ghijsbert van Hogendorp, eertijds raad in de Hoge Raad van Holland.

Deze Hogendorp had geld geleend en tot onderpand zijn woning en boomgaard in Hoorn gesteld. Dat onderpand had hij echter op een gegeven ogenblik toch aan Vincent Pietersz verkocht zonder de rente op zijn lening betaald te hebben. Het blijkt dat dit ook problemen kon gaan opleveren voor Vincent Pietersz en zijn schoonzoon Cornelis Jansz van Enchuysen.

Om die“schadeloos” te houden heeft Floris Tserclaes de genoemde 14 geers in onderpand gegeven. Hij zou zelf in 1587 voor betaling van het verschuldigde bedrag zorg dragen. Maar de beloofde betaling bleef kennelijk uit, vandaar de confiscatie. Het is ons overigens nog volstrekt onduidelijk waarom Floris zich genoodzaakt voelde hier als borg op te treden.

 

Comelis Jansz van Enchuysen nam de 14 geers over maar talmde uiteindelijk nog met de eindafrekening. Daar was de curator, de rentmeester van jonkheer Gijsbert van Schagen, een zekere Pieter Bor, weer weinig gelukkig mee. Ook Gijsbert had vorderingen. Hoe deze relaties precies in elkaar zitten blijft tamelijk raadselachtig.

 

Wenssel Tserclaes en Zuidelijk Nederland

In elk geval zijn er nogal wat nieuwe gegevens boven water gekomen. ‘t Blijkt dat tamelijk veel land in de Oosterkamper polder in bezit was van de familie Tserclaes. Er worden hier, naast vader Charles, vier broers genoemd, namelijk Floris, Wenssel, Arent en Arnold.

Daarvan spelen de eerste drie namen in het archief van het Oud Recht een hoofdrol bij allerlei transacties, al is het maar als eigenaar van een belendend perceel. Om met Wenssel te beginnen: die zet op 18 mei 1583 zo’n 35 morgen, dat is ca. 30,7 ha groetlants (weiland) in onderpand. En wel in Jan Pelgrims saedt. (Dit gebied is dus eertijds in bezit geweest van de nazaten van Jan Pelgrim.)

De 35 morgen worden begrensd door Claes Louris ten oosten, de cruyssloot ten zuiden, de banscheijding met Oude Niedorp ten westen en de oude cade ten noorden.
Dit perceel kan op de kaart vrijwel precies worden aangewezen. Het loopt vanaf de banscheiding tot bijna aan de Nieuwesloot. Alleen de allerlaatste strook, zo’n 10 geersen, is van Claes Louris. Het onderpand hee
ft betrekking op een ‘somma van 200 Karolus guldens van lijfrentenhoudende op eenen ijberich en margarieta als wesende dochters van enen joncheer fiederick vanderburch eertijds gueverneur van Dendermonde '.

 

 

Zo’n zakelijke relatie met een Belgische oud-gouverneur suggereert een stevige band met de Zuidelijke Nederlanden. De naam Tserclaes betekent zoveel als Van der Klaas maar doet bepaald zuidelijk aan. Zo kennen we bijvoorbeeld ook een zekere Tseraerts, die als vriend van Oranje vanuit Vlaanderen Vlissingen binnenviel.
Het aardigste is trouwens om even iets over een mevrouw Tserclaes uit Den Haag te vertellen. Deze rooms-katholieke dame, mogelijk familie van Charles en zijn vier zonen, werd indertijd “koppelaarster der vrede” genoemd, omdat ze met aantrekkelijke voorstellen het 12-jarig bestand tussen1609 en 1621 trachtte te verlengen. Maar dat viel niet bepaald in goede aarde bij Prins Maurits. Deze ijzervreter had al veel moeite met deze pauze in de 80-jarige oorlog, laat staan met een verlenging.

 

Eigenaardig

Zowel Wenssel als Floris komen we ten noorden van de Kruis- of Molensloot tegen, maar Floris verreweg het meest. Het lijkt erop, dat ze af en toe samenwerken of tenminste dezelfde belangen behartigen. Dat blijkt al uit het feit dat Wenssel de 35 morgen in onderpand neemt met inbegrip van de bovenvermelde 14 geers waarmee zijn broer Floris in 1585 borg gaat staan. In 1586 staat Floris er bovendien nóg eens borg mee, voor Lambrecht Aeriaen. Het meest eigenaardige is vervolgens de verkoop aan Arent van Duijvenvoorde in 1587. Om de een of andere reden kan dat toch niet echt zijn doorgegaan, want anders kon de 14 geers in 1589 niet meer geconsqueerd worden; dat spreekt.

 

Leven en dood van een brouwer

Op de brouwersfamilie van Cornelis zijn we al enigszins ingegaan (infoblad nr. 37), maar we kunnen er nog wel wat aan toevoegen, of misschien recht trekken. Het is onbekend hoe lang Cornelis van zijn bijzondere nering in de Kampen heeft kunnen profiteren. Er zijn geen aanwijzingen voor een begin. De brouwerij wordt bij transacties van percelen in de directe omgeving zelfs voortdurend verzwegen. Alsof dat met opzet gebeurde.

 

Zonder de kaart van Langendijk waren we waarschijnlijk nooit op dit discutabele bedrijf gekomen. Omstreeks 1613 of wat eerder sterft Cornelis want in 1613 spreekt men over zijn erfgenamen. Zijn vrouw, Hilgondt Centis, oftewel voluit Hilgondt Vincentesdr. overleeft hem verre. Pas in 1647 komen drie kinderen als universele erfgenamen aan bod: Aef, Hilgondt en Maritgen Cornelis. Geassisteerd door Pieter Lammertsz uit de Campen verkoopt men aan Arijaen Cornelis Campen: 'een leech hofsteetge (een onbebouwd woonerf)  met 3 percelen landts gen. Stoockes landt. Het huijs van Pieter huijsmans ten oosten, Pieter Lammertsz ten westen'. Verder 'weijdtlandt, de molentocht ten zuijden, de banscheijdingh van Nijewe ende Oude Niedorp ten westen '.

 

Over dit laatste stuk hebben we het al gehad, want dat is het perceel dat Floris Tserclaes in 1589 moest opgeven. Bij elkaar zou het om zo’n 38 geersen gaan.

 

Van een hoffsteetgen met kooltuijntgen tot Stoockeslandt

Eind 1649 komen we echter Mr. Goswinus Exken tegen als koper.

We lezen over een perceel van ontr. 12 geersen, daerinne begrepen een hoffsteetgen met een kooltuijntgen in de Oostercampen ontr. de nijeuwe sloot. Het huijs van pieter huijsmans ten noorden en huijsmans dijck ten noordwesten.

Item 2 perceeltges groetlandr (grasland) tsamen van ontr. 10 geersen bewesten het naestvoorgaende. Item een perceel groetland van ontr. 16 geersen. De molensloot ten suijen en Barber rensis ten noorden.

 

 

 

 

 

Ook hier draait het volgens het molenboek om zo’n 38 geersen. Het zal dus wel om hetzelfde gaan, ook al zijn de beschrijvingen nogal verschillend.

Het perceel groetland van omtrent16 geersen moet dan wel het genoemde stuk van Floris zijn, ook al wordt de bannegrens hier niet genoemd. Het is al eens eerder vastgesteld, dat de 14 geersen te krap bemeten waren. Omdat we de preciese maat van het stuk nu menen te kennen, namelijk 4,393 ha, lijkt afgerond 16 geers tamelijk reëel al zou 15 geers eigenlijk ook best kunnen (1 geers is 2850 m2).

De strook van eertijds Claes Lourís langs de Nieuwesloot plus een aangrenzend noordelijker stukje bij het zogenoemde Huijsmansdijkje, oftewel de Oude kade, omvat de 12 geersen. Tien geers Stoockeslandt ligt westelijk langs genoemde strook en is in elk geval breder geweest dan de kavelindeling op de tekening laat zien.

Dat de kavelindeling hier en daar niet meer overeenkomt met de situatie van een paar eeuwen daarvoor is natuurlijk niet verwonderlijk, maar maakt het uitermate lastig om mogelijke veldnamen en toenmalige eigenaars een preciese plaats te geven.

 

Van kamp tot noorderkade

In 1655 koopt Mr. Goswinus Egxken van de erfgenamen van Jan cornelis oomes nog een zaadakkertje van zo’n 20 snesen aan de Nieuwesloot bij Pieter lammertsz huijsmans genaempt de Camp, daer de moolendijck opleidt.

De Nieuwesloot ten oosten en den coopers hoffsteetge en de thuijs van Pieter Lammert huijsman ten westen.

Een snees is het twaalfde deel van een geers, 244 m2. Het is merkwaardig, dat er nog zo’n stukje van een andere eigenaar tussen de voormalige brouwerij en de Nieuwe sloot blijkt te liggen. We hebben hier misschien eindelijk eens met een rest van een oorspronkelijk “kamp” te maken als één van de naamgevers van de Kampen. Bij zo’n kamp valt te denken aan een met sloten of anderszins afgepaald gedeelte van een nog grotendeels onverdeeld gebied waarbinnen dan zelfstandig geboerd wordt.

De genoemde moolendijck is hier de kade van de Nieuwesloot, die soms ook wel ringdijk genoemd wordt.

Gezicht vanaf de verdwenen valbrug. Hier liep vroeger de Nieuwesloot die de nog niet bestaande Hartweg kruiste. Op een steenworp vanaf deze z.g. kruising stond de molen. (Aan de andere kant van de Hartweg.)

 

De naam oude cade wordt in de stukken van het Oud Recht herhaaldelijk gebruikt. Als men het over de noorderkade heeft, bedoelt men de noordelijker kade langs de westelijke uitloper van de Ringsloot. De oude cade kan men zien als een vroegere begrenzing van de polder, vóór dat de ringsloot gegraven werd.

Aan de Oude Niedorper kant van de bannesloot bezaten de gebroeders ook land. Zo is er bijvoorbeeld sprake van een middelweijd van ca. 20 geers, met jonkheer Arent Tserclaes ten zuiden en de Noordercade noord.

Het gaat hier om een verdeling in derde parten aan erfgenamen waarvan we er slechts een zullen noemen: “joncfrou Geertruijt van Bronchorst, weduwe van Arnold Tserclaes”. Deze broer van Floris komt nu tenminste ook een keer, zij het indirect, aan de beurt. Vader Charles c.s. wordt alleen genoemd omdat hij in 1581 een “dading” (een minnelijke schikking) heeft met de regeerders van Oude en Nieuwe Niedorp in verband met vrijheid van omslagen (bepaalde belastingen) over landerijen.

 

Oesendrop

In 1656 blijkt Pieter lammertsz Huijsman verhuisd naar de Ouwedijck, het kleine poldertje vlak bij de Westerkampermolen ten noorden van de Ringsloot. Hij verkoopt samen met Zijvert cornelisz timmerman aan Goswinus nog een oude hofsteed (zijn voormalige woonerf) comende bewesten de oude hofsteed van Mr. Gosewinus bij sijne woninge ende nijewe hofstede aldaer.
Dan komt er een moeilijke zinsnede in een overigens ook nogal lastige tekst die hier wat aarzelend, (uitsluitend voor de oprechte lie
fhebbers) wordt afgedrukt:

de oostcant dwarsaf soo verre streckende als het oesendrop van haer comparantens afgebrocken huijs geslagen heeft...; voorts ten zuijden, noorden, westen soo het afgesloot (met sloten omgeven) ende met een draaijboom op het wechken ten westen afgeheijnt (afgesloten) is, mitsgaders het hoecxken in de boomgaert daer bewesten aen, inde noorthoeck vant weijdlant belendend Mr. Goswinus Egxken ten westen ende oosten tsamen ont. (omtrent) 5 a 6 sneesen subjeckt blijvende de gemenen overwech van de Campen, voorts voor vrije gronden met de bomen daerop staende + de mis (mest) die Pieter lammertsz noch op de hofstede hadde leggen.

Onder oesendrop of osendrop verstaat men een breedte van 18 duijmen (zo’n 40 cm) naast het huis waar het dakwater neerkomt en (hopelijk) verder door een goot wordt afgevoerd. lndertijd hadden met riet gedekte huizen in het algemeen nog geen regengoten aan het dak.

Om terug te keren tot de persoonsnamen: bij rentmeester Pieter Bor kunnen we denken aan een Pieter Bor geboren te Utrecht in 1559, notaris in Haarlem. Zou dit dezelfde kunnen zijn? Of in elk geval familie? Wat de jaren betreft zou ‘t zeker heel goed kunnen. De Haarlemmer notaris dankt zijn bekendheid aan het feit dat hij wel als de belangrijkste geschiedschrijver van zijn eigen tijd werd beschouwd. In 6 delen schetste hij, zo onpartijdig mogelijk, het begin van de 80-jarige oorlog. Hij stierf in 1635.

 

Over kleurrijke Bronkhorsten

Zoals we daarnet hebben gemerkt blijkt jonkheer Arnold Tserclaes getrouwd met ene jonkvrouw Geertruijde van Bronkhorst. Dat veronderstelt al onmiddellijk een direct verband met de adellijke familie Van Bronkhorst die in het verleden diverse kastelen bezat.

Een Dirck van Bronkhorst, heer van Nederwormter - waar dat ook moge liggen – heeft volgens de annalen de Geuzen in Noord-Nederland behoorlijk geholpen. Over een Mr. Bronkhorst wordt nog verhaald dat hij een resolute verdediger was bij het Spaansebeleg van Leiden in 1574. En om nog even bij diezelfde tijd te blijven: bij Haastrecht is een ruïne te vinden van het slot “te Vliet"`; dat kwam in 1579 door een huwelijk van Anna van der Vliet met Andries van Bronkhorst in diens geslacht. Andries blijkt een broer van Geertruijde.

Het slot was al in 1672 een ruïne, maar zou oorspronkelijk gebouwd zijn door een Van Woerden, en Herman van Woerden was betrokken bij de moord op Floris V in 1296.

Oprechte West-Friezen denken natuurlijk met zeer gemengde gevoelens aan die vrijheid benemende Floris met zijn dwangburchten. De naam Van Woerden mocht na de moord niet meer gedragen worden; sindsdien noemde de familie zich “Te Vliet”.

Wie zich heeft laten abonneren op “De 25 dagen van Nederland” heeft nog iets kunnen lezen over de aloude strijd tussen de Van Hekerens en de Bronkhorsten in verband met de opvolging van Hertog Reinoud van Gelre in 1343. ‘t Draaide om de ruzie tussen zijn twee zoons, Reinoud lll en Eduard. Reinoud werd gevangen gezet, maar Eduard werd met een pijl in zijn oog dodelijk getroffen door een Van Hekeren. Toen kon Reinoud worden bevrijd, maar die kon als gevolg van hongeroedeem niet meer door de deur. Zo onvoorstelbaar dik was hij geworden. Een deel van de gevangenismuur moest volgens de annalen worden afgebroken.

Het lijkt misschien dat er wel heel veel over de Bronkhorsten wordt uitgeweid, maar bovengenoemde jonkheer Gijsbert van Schagen komt zeer waarschijnlijk ook uit dat geslacht voort. Jonkvrouwe Gijsberta van Schagen was getrouwd met Nicolaas van Bronkhorst. Zoals men ziet valt er in de geschiedenis aardig wat aan elkaar te koppelen.

Tijdens “De Opstand” hebben de Schager kasteelheren en -vrouwen zich strategisch teruggetrokken op Den Haag. Ze dachten er niet over de rooms-katholieke godsdienst vaarwel te zeggen. Er werd zelfs door Johan, kleinzoon van een Joost van Bronkhorst actief meegevochten met de bekende Bossu op de Zuiderzee. Dat leidde uiteindelijk slechts tot zijn gevangenschap en het (voorlopig) verloren gaan van het kasteel te Schagen. De beruchte Diederik van Sonoy kon daar toen ongehinderd zijn intree doen en vermeende katholieke verraders op de pijnbank leggen.

 

Van Zijdewind tot Schalkwijk

Hillegonda Egxken, de dochter van Mr. Gosewinus, trouwt met Balthazar de Leeuw, een lid van een gezeten regentenfamilie uit Utrecht. Over Balthazar is al het nodige geschreven. Na zijn dood in 1692 komen we Hillegonda Catharina de Leeuw tegen als eigenares van het buitenhuis, dat naast Toornhuis ook wel Leeuwhuis werd genoemd.

Als zij sterft hebben we te maken met haar dochter, Catharina Elisabeth van Cleeff. Zij is “douairiere”, adellijke weduwe van Mr. Arnoud Ram. Zij brengt uiteindelijk het huis in de verkoop. Over de familie Ram valt zijdelings nog wel het een en ander te vertellen. Iets wat mooi vergeleken kan worden met de perikelen met de “roomse stoutigheden” in Zijdewind waar we het wel eens eerder over gehad hebben. In 1633 kocht Adriaen Ram de zogeheten ridderhofstad Schalkwijk, ten zuiden van Utrecht.

Adriaen was overtuigd katholiek. Hij liet voor zowel zijn familie als de katholiek gebleven inwoners van Schalkwijk de ronde toren van zijn kasteel inrichten als schuilkapel. Ook nam hij een priester in dienst, zogenaamd als huisonderwijzer.

Zestien jaar lang heeft de slotkapel dienst gedaan als schuilkerk. In 1651 maakte de maarschalk van het Sticht, Johan Strick van Linschoten, er tenslotte een eind aan.

Zoiets ging niet vanzelf. Dat kennen we uit Zijdewind. De maarschalk werd door de bevolking aanvankelijk weggejaagd, maar hij kwam terug. Met een groot aantal manschappen nam hij het kasteel in. Adriaen Ram, zijn echtgenote en een aantal medeschuldigen werden gevangen genomen en in Utrecht berecht. Adriaen raakte zijn rechten als ambachtsheer kwijt en werd voor tien jaar buiten het Sticht verbannen. De toren van het kasteel werd tot op de grond afgebroken. Kort na zijn verbanning verkocht Adriaen zijn ridderhofstad.

Voor historische toeristen heeft Schalkwijk noch een kasteel noch een ruïne in de aanbieding. Alleen de slotgrachten heeft men in het licht heuvelachtige terrein opnieuw uitgegraven.

 

Arie Groot e.a.

Zo’n tweehonderd jaar na het Panhuis - om wat precieser te zijn - tussen 1811 en 1831zijn alle landerijen precies opgemeten en van een kadastraal nummer voorzien. Er is keurig opgetekend wie indertijd de eigenaars waren en of er sprake was van weiland, bouwland, boomgaard of wat dan ook. Arie Groot komt in dit deel van de Oosterkampen het meest voor, namelijk 15 keer op de ca. 40 met een totaal bezit van ruim 18 ha, vervolgens een zekere Kooren 12 keer met in totaal zo’n 14 ha.

Laatstgenoemde was een Alkmaarse zilversmid. Hij bezat vrijwel het hele gebied ten noorden van de oude kade, plus nog twee percelen langs de bannescheiding.

We hebben met betrekkelijk weinig eigenaars te maken, maar het betreffende gebied is dan ook niet al te groot, bij elkaar nog geen 50 ha. De eigenaars naast Arie Groot en Kooren hebben dan met z’[n zevenen nog maar zo’n kleine 18 hectare te verdelen.
We lezen 5 x Sijvert Bakker, 2 x Gerrit Stroomer, 2 x J .K. Komen,1 x Klaas Stroet, 1 x JanKlaas Komen/v, 1 x Jacob Ariën Bakker en 1 x Gerrit Butter uit Winkel die als schipper genoteerd staat. Hij heeft de smalle strook langs de Nieuwesloot in bezit in de uiterste noordoosthoek. Dat perceeltje van 32 are (3200 m2) lijkt juist voor hem over het water redelijk te bereiken. Behalve de schipper en de zilversmid zijn alle Iandeigenaars boeren.

Ze staan als inwoners van de gemeente Nieuwe Niedorp genoteerd, met uitzondering van Klaas Stroet uit Oude Niedorp en Gerrit Stroomer uit Lutjewinkel.

Het gaat ons te ver om hier alle percelen aan een eigenaar te koppelen, maar we maken graag een uitzondering voor het meest interessante terrein, rondom het Toornhuis. Het zal ons wel niet verbazen dat in dat oude kapitale huis nu boer Arie Groot troont.

A 193 Arie Groot                 weiland

A 195             „                     boomgaard

A 196             „                     huis (’t Toornhuis!)

A 197            „                      tuin

A 198             „                     rietsloot

A 199             „                     rietsloot

A 200 Sijvert Bakker           huis + erf

A 201            „                      tuin

 

De allerlaatste bewoners

Zoals eerder naar voren is gebracht, zal het Toornhuis waarschijnlijk gesloopt zijn tussen 1869 en 1877. Deze conclusie is getrokken na een vergelijking van topograsche kaarten. We kennen nog heel wat personen bij naam die er de laatste decennia gewoond hebben. Om zoveel mogelijk recht te doen aan de geschiedenis van het Toornhuis zullen we ze hier noemen:
tussen 1850 en 1860 ontmoeten we Geertje Kuiper met haar man Reijer Reselman + kinderen + moeder, en verder Klaas Doornbos, Neeltje Ruiter, Aaltje Doornbos en Bart de Wever.

Tussen 1860 en 1870: Klaas Doornbos, Neeltje Ruiter, Maartje Harsch, Arie Franken, Marie lmink (?), Geertje Stroet, Dirk Kapitein, Klaas Krap en Hendrika Keizer.

Niet helemaal zeker in verband met huisnummerverandering: Gerardus Hermanus Stokman met vrouw, kinderen, schoonvader, moeder, dienstbode en knecht, een “inlandse kramer”, geboren in het Duitse Mettingen.

(Mettingen, in de buurt van Osnabrück, is bekend als bakermat van bekende confectiezaken als bijv. Köster, Voss en C&A.)
 

Verder worden nog genoemd Aldert Houtkooper, akkerbouwer Gerrit Pieters Veldmanen Jacob Grootjes.

Misschien dat sommige namen herkenning oproepen of anders wellicht tot nadenken zullen stemmen. Zo valt te denken aan het onontkoombare feit dat alles en iedereen eenmaal geschiedenis wordt, maar dat de herinnering “soms” nog levend wordt gehouden. Ook na eeuwen.

Nieuwe Niedorp, 2005

Literatuur en bronnen o.a.
Oud Recht Transporten en hypotheken N. Niedorp en O. Niedorp
Oud Recht Schepenrol N.Niedorp, transcr. Dr. Cornelis Kruit
Algemene Geschiedenis der Nederlanden
Slot Schagen (auteurs o.a. F. Diederik en F. Timmer)
De 25 dagen van Nederland, deel 4
Onze informatiebladen 37, 38 en 40