De Erwtenman (Schipzijbeuk,26)


In een van de wimbergen (steile topgevel) van de Sint-Jan staat 'de erwtenman' afgebeeld als een herinnering aan een van de bouwmeesters van de kerk. Van hem wordt de legende verteld dat hij een ketel erwten die zijn vrouw kwam brengen wegschopte onder de kreet 'Is dat nu kost voor een man die daags een braspenning verdienen kan?' Dit verhaal komt niet alleen in Den Bosch voor, maar ook elders. Bijvoorbeeld bij de abdijkerk van Gerode (Saksen) wordt een dergelijk verhaal verteld.

Het kwam meer voor dat middeleeuwse bouwlegenden op verschillende kerken betrekking leken te hebben. Een andere Bossche legende is die van de ossenhuiden. Aangezien de Sint-Jan op een moerassige grond gebouwd scheen, waren huiden met daartussen schorslagen een goede fundering. Dit 'geheim' zou door het zoontje van de Bossche bouwmeester verklapt zijn, waarop de vader het kind doodsloeg. De legende van de ossenhuiden wordt ook verteld over de Martinitoren in Groningen, de Sint-Lievenmonstertoren in Zierikzee, de Oude kerk in Amsterdam en de Sint-Laurens in Rotterdam.

In 1927 nodigde burgemeester Van Lanschot 'heel Nederland uit om naar 's-Hertogenbosch te komen en er onder meer de Sint-Jan te bezoeken Hij zorgde persoonlijk voor een rondleiding. Goed voorbeeld doet goed volgen. Tal van Bossche straatjongens waren bereid de vreemdelingen een interessante geschiedenis over hun Sint-Jan te vertellen, ook al omdat er van de kant van de bezoekers een financiële tegenprestatie tegenover zou staan.
Het contact werd gelegd door de vraag te stellen: “Van den erteman vertellen, meneer?” Werd daar positief op gereageerd, dan volgde het verhaal. Het was een combinatie van de legende van de erwtenman en die van de ossenhuiden, met een bloederig slot. In 1935 tekende Niek de Rooy het onderstaande verhaal op uit de mond van een Bossche straatjongen: “Heel lang geleden leefde hier eens een man, z'n naam was erteman. Niemand wist hoe de Sint-Jan gebouwd moest worden, alleen de erteman. Deze kerk moest gebouwd worden op paarden-, koeien- en ossenhuiden voor al die sollementen (= fundamenten). Op zeek're middag bracht de vrouw van deze man een ketel ertesoep als middageten. Ontevreden over die alledaagse kost schopte hij die ketel van het dak en riep uit 'Is dat kost voor een man die daags een braspenning verdienen kan!' Zijn braspenning was vier zestiende cent.”
“Dat ging het zoontje van de erteman verraden voor zes duizend francs. Toen de erteman dat te weten kwam greep ie 't zoontje bij de beenen en smeet het met het hoofd tegen de muur dood. De vrouw begon van droefheid te bidden en te weenen. Ze greep het zwaard en sloeg d'r eigen het hoofd af. En later is de erteman door vier mannen van de kerk dood gesteenigd.”
Bij het slot van het verhaal werd de hand opgehouden: “Dubbeltje, meneer?”

 

(Door: Henny Molhuysen)