*** ’n Sneetje mét… ***

 

Na een dagelijkse rite mét plakkerige hostie én: “Hóé zou wijn smaken?” Klakten hooggeregen schoenen na de mis als beslagen, hol in ijltempo over de tochtige en hoog betegelde gangen van het internaat St. Ludwig in Vlodrop.

  En even later, verraadden krakende stoelen het lokaal 4A. En schuivende stoelpoten krasten gelaten met hun hout én schoven zich aan tafel met strepen over de geboende planken van de blinkende houten vloer. “Stilte!” Riep meneer Hoogenboom. En tijdens het geroezemoes, keken de ogen van meneer Daan, ook al was hij klein van stuk, áls een havik langs zijn gebogen, niet kleine neus, streng in het rond opzoek naar de pratende zondaar die het nog waagde. Mét: “… jóngen, laat ik het niet merken!” Zo moesten achter een geeuwende mond tweeëntwintig rammelende jongensmagen, noodgedwongen en opvoedkundig op de mét eenvoudige, maar goed gevulde broodplanken wachtten. Die dagelijks éérst nog door twee man moesten worden afgehaald uit de bijkeuken. Nu was het de beurt aan tafel-4 mét de sproetige misdienaar Wim én zijn tafelgenoot Willie, die als kruimelpikker nooit honger had.

  Juist toen het huishoudelijke reglement van Sanct Ludwig weer met nadruk door meneer Hoogenboom tussentijds op advies van de strengogende directeur in onze oren werd geknoopt, schoof een gamelle hete thee luidruchtig door de openslaande deur naar binnen. Met daarachter de meehelpende koksmaat die met rood hoofd alvast, “Smákelijk eten!” riep. Terwijl hij de zware deur met koperen klink galant open hield voor de twee die nog druk jongleerden op de gang mét het gesmeerde brood, hóóg opgestapeld op de overmatig gevulde planken; Voor ieder twee dubbelen, één met kaas óf worst en één met zoet, meestal jam die als kleur al herkenbaar dóór het bleke witbrood heen was getrokken.

  Ná het: “In de náám van …” mét het sluitende kruisteken, vielen we als uitgehongerd met: “eet smakelijk m’neer!” én “dánk u wel”, tussen de dampende kroezen met mes en vork aan. Terwijl sommige, zoals ik, nieuwsgierig als begerig uit hun ooghoeken lonkten, naar wat er als ontbijt nú onder de stolp van hun leiders zat? Een rijkogend- gevulde plate verraadde náást kaas, sneetjes wit- én dunne plakjes zwartbrood, peperkoek én een gekookt ei nummer’2 in het porseleinen dopje, bij het schoteltje boter was óók nog chocoladepasta en riekende pindakaas geserveerd.

  Ik zat bij het raam aan tafel-3, vanwaar ik naar buiten kon kijken, pal tegenover de bolle’Frans Proenings, die met zijn voet soms ónder tafel al schoppend te duidelijk vroeg, of ik mijn vleesbeleg vrijwillig tegen zijn plak kaas ruilen wou …. anders? Zo ging nu ook weer vingervlug m’n blokworst over tafel en at ik later met lange tanden dubbel mijn kaas, mét: “Zou meneer het gezien hebben?” Na die gedachte, stokte mijn adem door de blik en het fluisterende contact van onze leiders onderling. Al mocht ik vandaag de héle dag lang, Frans’s bijzondere knikker als bezit hebben; Een grote glazen stuiter mét een bonte opvallende ster in zijn heldere kern. Toen plots van achter de leiderstafel meneer Daan ging staan, voelde ik mij met rood hoofd betrapt, tót hij met bevelende stem nog násmakkend vroeg: “Die nóg brood wil, steekt nu zijn vinger op!” Opgelucht stak ik met zeventien anderen nog één vinger omhoog. Terwijl meneer Hoogenboom tot twintig telde, omdat er nog drie graag een dubbele lustten. Met de bevestiging: “Er is nog alléén kaas!” én “Alles wat je nóg vraagt, móét je opeten!” Alsof ze gezichten konden lezen, zo verraadde mijn gezicht: “Wáárom kaas?”

  Even later werd ik door het leidende duo onder jaloerse blikken uitgekozen én naar voren gehaald voor een sneetje mét; Een goddelijk belegde boterham van hún klasse ontbijt, met smeuďge pindakaas én een laagje pastachocola puur er nog eens extra dik overheen. Dát enkele sneetje bevredigde prompt mijn begeerte toen ik smulde, het telde voor mij áls uitverkorene, zéker een daglang dubbel!

 

Mathieu Simons

Sankt Ludwig Vlodrop 1950/53