*** GOEDKOOP DE RIJKSTE ***

 

Na een druk dagje mét: “Céntrale!” … “Gilze vier-vijf-zes!” … “Kamp’Pincenbos!” En óók nog honderden keren, ná een “Spreekt u maar?”… een vriendelijk “Ik verbind u!” Zat er als ontlaten, weer een zware ochtenddienst op in de met blindering beveiligde telefooncentrale. Die onder een mager zonnetje nu verscholen lag tussen het groen van de afgebakende bossen van Gilze én Rijen. En zo in dienst van het jachtige en militaire vliegverkeer, werden we opgelucht door de middagploeg afgewisseld áls dienstplichtigen van de “lichtingen-60”. En met, mórgen heb ik nachtdienst, draaiden we zo álle dagen roulerend inclusief de weekends. Tót ons afzwaaien áls zandhaas van de Verbindingstroepen; naast onze spraakmakende burgerchef meneer Franke.

  Zo hadden zich enkelen van ons, vandaag in de namiddag ná het niet zo smakelijk gamellevoer, een bezoekje bij meneer Franke thuis gepland. Want, hij serveert misschien iets beters én vandaag hield hij tóch rust – had hij laten doorschemeren – met zijn verlate studie voor het komende Mulo-examen; Dit als “must” om als getroffen oorlogsslachtoffer van de tweede wereldoorlog, meedraaiend op niveau te blijven tussen de officieren hier áls burgerchef. Als hij goede zin had, kon hij smakelijk én ongeremd vertellen over zijn oorlogsverleden en schertste over zijn ontmande handicap. Die hij als tankboer had opgelopen tijdens een noodsprong in een granaatput. Doch, die hem stiekem probeerde te naaien, die kreeg ze later ook ontiegelijk op de kloten! Zoals een hond op zijn baas gaat gelijken, zo gaf hij zijn ondergeschikten óók een bijnaam. En Limburgers stonden bij hem hoog in het vaandel omdat hun zachte “G”, vleiender in het telefoonverkeer én zelden brutaal over kwamen. Van onze schuine moppen hield hij ook, al kon hij ze niet altijd verstaan, kon hij ze met een bulderlach zichtbaar begrijpen. Die moppen hebben mij zodoende de bijnaam “Musj” bezorgd. Zo werd “Siem” vaak afgewisseld – naar gelang zijn bui – met “Mus” in zijn Brabantse gij-taaltje. Vooral, als hij me weer als mijnwerker, zwart in zijn zinnebeeld via een voor hém enge schacht, diep in lage pijlers zag wroeten. Onze collega als zijn “kleine vriend” Hofman, kon hij niet pruimen, oh nee… met nagelbijten én… nee, dan liever Toon, want déze zal misschien als “broeder Snoeren Antonius” straks het leer én zijn schoenmakershamer voorgoed verruilen voor koptelefoon, kiesschijf én set rode en zwarte verbindingssleutels.

  Gesmeerd met een extra beker vollemelk tégen een paar goedkopere eenheden bellen straks, reden twee zware brommers met mij achterop áls driespan, netjes in “eerste grijs” richting het exoterische adres in Rijen.

  Nog geen half uurtje later, gluurde mevrouw Francke onwennig onder haar gordijnen door, wie er buiten wel aan hun voordeur zo ongeduldig stond aan te bellen. Toch even later deed ze de voordeur gastvrij verder open. “Kóm binnen jongens!”… Nadat we al voetenvegend duidelijk interesse hadden getoond voor meneer Francke’s hobby.

  Het duurde ná een kop koffie, niet echt lang, nadat hij éérst als chef zijn zegje tegen de “geblokte”-Leo, lange Toon en mij, gedaan had. Dat hij laatst, tijdens een nachtelijke controle, óp een stapel telefoonboeken ónder een gevechtsjas, één van ons, voor een heet brandende verwarming notabene, slapend had aangetroffen! ...liepen we met die wenk, bewonderingvol en intens genietend tussen zijn – als waren we in de tropen – enorme en zeldzame voličres door met zingende vinken- en mezensoorten, tropische paradijsvogels, terwijl kwarteltjes met trippelstapjes de bodem ijverig vrij hielden van het gemorste zaad, schreeuwden kleurige ara’s bóven de bonte papegaaien én gekuifde kaketoe’s uit, alsof ze luid protesteerden tegen ons plotselinge bezoek. Tót… na een rondleiding van een paar kwartier, meneer Francke even stil bleef staan… en zwijgend toekeek naar zijn geliefd, roze koppeltje Surinaamse duifjes, die net hun amoureuze neigingen in de praktijk wilden gaan brengen… “Jóngen, dóé maar…. Want je baas kán het niet meer!” Terwijl hij schertste, snoof hij tot zijn neusvleugels trilden. Doch, in zijn stem schuilde naast emotie het gemis van een rijzige man.

  Terwijl hij als vermand, Toon diep in de ogen keek én en de gespierde Leo hard in de schouder kneep, vroeg hij mij met enige trots: “En Siem… mét zijn duim naar achteren naar het ranke pluimvee wijzend …wát denk je wat déze rakkers mij gekost hebben?” Voor ik twijfelend antwoord kon geven. “En…. Jullie lusten wél iets sterkers dan koffie, zéker?” Terwijl hij al vlug pratend terloops liet blijken, dat hij dát koppeltje duiven destijds in Suriname… ja’ja, voor de waarde van één kop koffie mét gevulde koek gekocht had voor het lieve sommetje van één gulden en twéé kwartjes!

  Zo namen we die avond met ontzag én een knipoog van mevrouw, een wijze levensles mee naar de kazerne, dát ogenschijnlijk weinig óók een ware rijkdom kán zijn! En de volgende dag klonk weer opgewekt in de centrale: “Gilze vier-vijf-zes!”…. én verbonden dát met accuratesse, óvervriendelijk door.

 

Mathieu Simons

Lichting 60-6