*** Hoe een rode tóch een gele visgraat werd ***

 

Terwijl ik als ‘éénpitter’ van lichting 60-6 in Heerlen wéér een weekend afsloot. Stond ik trouw in mijn ‘apenpakje’ mét mijn meisje in de armen op het perron op de trein te wachtten. Ook de overvolle weekendtas met extra ingrediënten, die straks de smaakpapillen afwisseling moesten verzorgen met de ‘kilometers’ kaas. Waren getuige van ónze innige – als mét bisonkit – tedere zoenen, alsof wij elkaar nooit weer zouden zien. Tótdat: ‘Oh néé hè!’ Door al dat innige, was de trein als geruisloos gearriveerd én ondertussen óók zo vertrokken. Wat nou, dat was mijn allerlaatste ‘veilige’ trein geweest om me optijd in de kazerne te kunnen melden?

  Inmiddels was ik met de volgende én laatste trein tot eindstation Eindhoven een uur verder en liep nu zenuwachtig op het perron al smekend om een enkeltje Gilze-Rijen. Waar ik als centralist de vroege dienst had. Mijn laatste strohalm werd de plaatselijke perronchef. ‘Zó?’ Terwijl hij me even later al genietend aanhoorde wat mijn reden was. Alsof óók hij eens met die zweep was geslagen. ‘Gij hebt geluk manneke, zo dadelijk vertrekt nog een goederentrein richting Rotterdam. Als gij wil, magge voor deze éne keer mee.’ Dat liet ik mij geen twee keer zeggen. Ik moest me óver het spoor melden bij de dienstdoende rangeerder, die ook meereed in de laatste wagon; Een beestenwagen met alleen stro. Om even later ál rijdend te genieten buiten déze service van zijn sterke verhalen én koffie uit zijn thermosfles.

  Onderweg taxeerde hij mijn sprongkracht omdat de trein niet mocht stoppen. Even vóór het station Rijen moest ik uit de rijdende trein springen, waar speciaal voor mij de snelheid werd geknepen tot plusminus 15km/uur. Terwijl ik hem om twee uur in de nacht al schreeuwend nog bedankte, wierp hij me als afgesproken nog mijn beladen weekendtas na. Zo eindigde het éérste deel van mijn ongewild nachtelijk avontuur. Gratis mocht ik óók nog ‘onze’ chauffeur van dienst uit bed bellen in ‘Kamp Princebos’ in Gilze. Deze eiste wel mét gemor: ‘Dát kost je een halfhaantje morgenavond!’

  Na mijn stil verzwegen avontuur buiten het paraaf van die speciale rijopdracht, kwam ik er niet meer onderuit. En ’s avonds ná het avondappèl van tien uur, moest ik vier man trakteren op een halfhaantje-mèt. Al was het strafbaar, maar wie kon ons verraden? Tóch, toen we later in de ‘kleine uurtjes’ terug kwamen, vernamen we dat wij op rapport geslingerd waren door onze ontoelaatbare afwezigheid.

  ’s Anderdaags kwamen de andere zondaars er mét een berisping vanaf. Terwijl ik áls soldaateersteklas het voorbeeld had moeten geven, kreeg tien dagen ‘licht’ ingaande met de aanstaande paasvakantie. Zó werd ik driedubbel gestraft en kon zodoende dóór mijn rooster veertig dagen aanééngesloten balen. Alleen mijn meisje mocht mij mét permissie van de wachtcommandant bezoeken. Na de tien dagen mét minimaal driemaal melden per dag, gingen mijn veertig dagen gedisciplineerd voorbij.

  Dóch… ‘Soldaat Simons, acúút naar Majoor Spoor!’ ‘Wat nóu alweer?, dacht ik zónder zelfvertrouwen. Krijgt álles nog een staartje?’ Klopklop... ‘Binnen!’ Terwijl ik mijn hakken later fanatiek tegen elkaar klapten én salueerde met: ‘Soldaat Si…’ ‘Plaats rúst Simons.’ Na een lange speech, alsof hij me nog nóóit had gezien: ‘Bij dézen als het goede voorbeeld voor de anderen, bevorder ik jou met jouw bijzondere inzet, tot korporaal!’ Na nog een hand, mocht ik met de bestelde én verbaasde chauffeur van dienst – die van het halve haantje – even later, nú legaal mijn verdiende strepen in Breda afhalen. En mijn soldij werd, naast mijn nieuwe functie als ‘Centralecommandant’, bóvendien opgetrokken tót f 1,50 per dag netto.

 

Uit mijn bundel: ‘Tussen Hart & Broekzak’

Mathieu Simons