***** Kerel én Merel *****

 

Als je goed luisterde, terwijl kronkelende beekjes de bewolking geprojecteerd in hun water kabbelen, kon je horen dat de lente weer in het Hollandse land was aangebroken. Bomen toverden bladeren met hun eigen motief die ontplooiend uit hun knoppen schoten. En inlandse vogels ijverden al massaal voor hun plekje in het landschap.

“Toeke’toek… toeke’tkkke, tkkke’toek”… als één van de gevederde lijstersoorten beantwoorde Merel vol broedse overgave, zó de uitnodigende vragen van het zwarte lijstermannetje. Die voor de eerste keer, zenuwachtig om haar heen bleef draaien als een baltsende minnaar. Nog tijdens zijn aandringende niet te versmaden schouwspel, vloog ze geavanceerd plots hartkloppend op… “tjiiééép!” schel als het gegeven antwoord hierop. En vluchtte schijnbaar, verlegen langs een paar bomen in een met sierblad getooide esdoorn in… “tkke… tkkke’toek.” Terwijl Merel op een tak hoopvol wachtte, danste haar zwarte lijster op de humusrijke bodem met half gesloten ogen zijn baltsrite alsof het precies zo hoorde, ongestoord zo verder af. Warempel, tóch?

  Even later wist Merel dat haar aangevlogen aanstaande, Kerel heette; Getooid in een gitzwart glimmend verenpak. Die hij – nu onwennig naast haar – met zijn prachtige gele snavel nog even als deftig voor zijn Merel glad streek. Met een gelukzalige gedachte dat ze eindelijk volgens de vogelwet aan elkaar verbonden waren, schoof Kerel zijn stoere vogelborst ál keuvelend tegen haar warme lijfje aan. Het onderlinge feestje werd zelfs compleet door een dikke bromvlieg die nieuwsgierig toch iets te dichtbij kwam. Ja, mórgen… beloofden zij elkaar, dán zouden ze direct na Kerel’s dagelijkse ochtendzang samen wel een veilig plekje in de buurt gaan zoeken en hun nestje bouwen. Met die belofte aan elkaar scheerden ze naar de grond en hipten speels zonder richting de omgeving in, onder het wakende oog van een blauwe reiger op afstand die niet gestoord wilde worden bij het vissen. Als aan een touwtje liepen ze achter- of hipten langs elkaar heen en weer. Afwisselend vlogen ze bij het heerlijke lentezonnetje kleine stukjes heel laag over het malse sprietige gras – waar een huismus nog even snel wat sprietjes hooi tussenuit vergaarde – van een naburig liggend met slootjes omringd weiland. Om daar af en toe stil te blijven staan voor een lekkere emelthap, die ze beurtelings al of niet met getrippel, al kloppend uit het gras boorden. Intiem in dát weiland wachtte niet de laatste keer, maar hun állereerste paring. Zo zaten ze die avond met een verzadigd buikje in elkaars nabijheid voor zonsondergang al vroeg op stok. Want morgen was het immers zover…

  “Tjwi’tjwi… tj’tjoe tjóe tjw’r’r’r, tjwire’lire’lier tjú’tjúút wiet’wiet!” Met een stotende kwikstaart was Kerel met zijn vroege zang zelfs vóór de zon als eerste uit de veren… “tjwiet’wiet!” Een weinig later duelleerde hij met Merel wie de állereerste twijg vond voor hen te bouwen nest in de gisteren al uitverkoren beukenhaag. Die hier en daar met prikkeldraad onderbroken grensde aan het erf van een bouwvallige maar rustig gelegen boerderij, met een vrij zicht naar het immense loofbos waar een vos regeerde. Wel hónderd keer vlogen ze beurtelings heen en weer voor takjes én sprieten gras, die hier en daar in het bouwsel door Merel met modder werden glad gestreken. Kerel had soms zijn twijg op lengte, geforceerd weer uit een nest in wording verderop, moeten terugstelen van een koppel brutale eksters. Kóm nou…

  Zo werden dra in de eerste week van mei vol verwachting vier blauwgroen gespikkelde eitjes in het met veertjes beschermde nest door vrouwtje Merel gelegd. Voor extra warmte én camouflage hield Merel haar dofbruine vleugeltjes wijd om het fragile broedsel gespreid, terwijl Kerel zijn vrouwtje dertien lange dagen tijdens het uitbroeden hiervan, ijverig bijstond. Zoals het aandragen van voedzame en heerlijke hapjes mug, een nieuw twijgje voor nestversterking óf door een eind verder, op het met mos bedekte pad met geheven staart én een luid uitnodigende “tsjiek’tsjiek’tsjiek!”…tussen oude wagensporen als lokaas voor de gluiperige vos stil te blijven staan. Om hem als hij naderde niet risicoloos op een dwaalspoor te zetten. Door met veel gekwetter een verkeerde vluchtweg te kiezen vér van hun verborgen nest.

  Terwijl Merel jammer genoeg, tóch twee eitjes als onbevrucht verloor, draaide ze haar overgebleven legsel heel behoedzaam op gepaste tijden met zorg om. Om het nest waaide een rustig zwoel windje hij droeg gelaten de geuren van bloesems met zich mee. En Kerel was weer op weg voor zijn zoveelste boodschapje. Net toen Merel tussen het slaapverwekkende bladgeruis ongewild een tukje deed, meende ze plots een zacht geklop te horen. Ze kon het niet meteen thuisbrengen? Ze luisterde en het leek zo dichtbij, hóór?...Klop’klop… kr...krrr…, klop’klop… krrrak! Já hoor, ze voelde het én wist het nu klaarwakker zeker. Ze hief zich heel voorzichtig omhoog en keek naar haar tere broedsel… “twiet’twiet’twiet …hoerá!” Ze was opgelucht en meteen het lange wachten vergeten, nu ze ervoer dat onder haar warme moederlijf twee piepkleine, bloedeigen kuikentjes mét klagelijk gepiep zich uit hun gespikkelde schaal naar buiten probeerden te wurmen. Als door een boodschap met de wind, stak Kerel even later verrast zijn zwarte kopje mét een nog kronkelende regenworm in zijn gevulde snavel door de roodbruine beukenhaag naar binnen… “Tjoek?” En trippelde ongeduldig op de aangrenzende tak heen en weer, tot Merel zich weer voorzichtig hief. Kerel bleef even onbeweeglijk staan en groeide met trots toen hij getuige was van twee heel kleine naakte wezentjes die nu oververmoeid als “broertje én zusje” van pampus lagen tussen de beschermende vleugels van Merel. Hij vloog weer even snel weg en kwam nóg sneller terug – omdat in de dierenwereld geen beschuit mét muisjes bestonden – met een lekker slakje, dit ter ere van hun kroost.

  Al riep óók de koekoek laf zijn blijdschap vanaf de bosrand én sjilpten een zwerm mussen een eindje verderop, hún eigen geboortefeest, floot Kerel zijn rollende gezang nog wekenlang solo. Want in de beukenhaag voelde het gezin Turdus Merula zich oprecht met één Kereltje en één Mereltje, tóch iets rijker!

 

*** Mathieu Simons ***

1994