*** KERSTBOOM ***

 

Gelukkig weer thuis, ná enkele jaartjes internaat. Om als twaalfjarige de Kerst van 1953 in huiselijke sfeer weer als zoon te kunnen meevieren. Het was sneeuwkoud en het beloofde zo een witte Kerst te worden. Ik zag het al voor me, gezellig met zijn allen óm een echte boom met brandende kaarsjes die op hun beurt de schaduwen van de beeldjes in beweging zette, om tegelijk te waken over dát vlammenvuur. Terwijl koning winter zijn sneeuw dwarrelde over bomen en daken.
 Omdat ik echt naar die fijne feestdagen toeleefde, hielp ik moeder in vrome sfeer waar het maar mogelijk was. Door al die drukte was moeder naar mijn gevoel, bijna het belangrijkste vergeten; De boom. De kerstboom moest nog worden afgehaald, die ze een week eerder besteld had bij onze groenteboer Piet, máár wel vóór zes uur 's avonds anders was hij gesloten had hij nog duidelijk gezegd, zeker nú voor de "heilige avond".
 Mijn stiefvader Joop deed net zijn middagtukje, hij was pas thuis van zijn daagsjicht op de koel én moeder had nog wat extra voorbereidingen in de keuken te doen. Daarom kwam de keus aan mij. "Mathieu, nú moet jij de boom gaan halen, anders hebben wij met de kerstdagen géén boom!"...
 Terwijl ik ál op weg was, riep ze me nog zielig na: "Lóóp maar vlug, want hij is al betaald!" Ondanks mijn looppas trof ik bij groenteboer Piet een gesloten deur aan... oei, het was zeker al zes uur geweest, wat nú? Terwijl ik met een kloppend hart maar achterom probeerde, was hij gelukkig nog buiten bezig met zijn fruitwaren... "Zó!" Terwijl hij opkeek en mij herkende als de zoon van een van zijn klanten. "Eindelijk, je komt zeker de boom nog afhalen? Já meneer!" Zei ik verlegen. "Neem die maar", terwijl hij naar een schaduw in de schemerdonkere hoek wees. "Oei wat 'n kanjer! Neem hem nou maar vlug mee, anders is ie straks óók weg!"
 Op weg naar huis waar iedereen mij én de verhouding van het deinende gevaarte, al hoofdschuddend en stomverbaasd nákeek, voelde ik mijn kuiten al behoorlijk prikken. Want toen als stoere jongen had je zelfs in de winter een korte scoutingbroek aan. Terwijl een oud heertje nog medelijdend vroeg: "Móste nog wiet, jungke?" Zwoegde ik mét gloeiende trots mijn gevaarte verder. Ná mijn lijdensweg, die hier en daar verzacht werd door welriekende braad- én bakluchten, kwam ik eindelijk thuis aan... "Oooh, die hoort in de kerk thuis!" Terwijl moeder verbaasd de deur verder open deed en opkeek tegen het plusminus vier meter hoge gevaarte. "Déze kan beslist de deur niet door én staan al helemaal niet!" Tóch die avond nog werd hij door stiefvader Joop ingekort én getopt tot een aanvaardbaar geheel, alléén deze ene keer zónder de piek.
 Tijdens de feestdagen bleef ik de held en ik voelde mij nét zo sterk als 'Popeye', de hars op mijn handen was er nog getuige van. En die erom vroeg liet ik zelfs mét trots, mijn dóór de dennennaalden geprikte en opgezwollen kuiten zien.

 

***** Mathieu Simons *****