*** KNUFFELTJES ***

 

Net als vier jaar geleden. Toen nog als het moedertje dat door haar enige dochter, schoonmama werd. Staart ze nu als omaatje onder de glasgordijnen door, tussen de kamerplanten door de beregende ruit naar buiten. Zouden ze vandaag wel komen? Een vraag die alleen haar kleinkinderen áls knuffeltjes konden beantwoorden. Dat wachten leek voor haar altijd dubbel zo lang; Een kwartiertje als ’n half uur en ’n uurtje gevoelsmatig al gauw een halve dag. Vroeger voelde zij zich nooit zoals nu zó alleen. Al gingen er geen twee dagen voorbij tóch miste ze iets om die verloren tijd op te vullen. Aan haar handwerkcapaciteiten geloofde ze allang niet meer. Zo lag ze dan even later, wachtend met een zelfgehaakt kussen op haar runderleren bank. Met haar reebruine kijkers richting het raam. Tót… ze indommelde en met een glimlach droomde:

  Alsof er ’n fee over haar naaimandje had gevlogen; Die onder het raam naast een bloeiende clivia stond mét een melange van kleurige knotjes wol. Het was net of ze vandaar met piepstemmetjes riepen. Zélfs de wollen gans “Wammes” liet zich dankbaar horen vanaf een houten keukenstoel in de keuken; Omdat zij hém vroeger ook met zorg had gebreid. Terwijl de knotjes wol ongeduldig zich al bekvechtend verhieven met: “Nietes!” “Ik was éérst!… Wélles!” Riep het gele knotje. Ondertussen strengelde brutaal het rode zich vurig met het hagelwitte knotje. Zo lag naast het oude patronenboek nonchalant ’n dikke knot blauw al geduldig te wachten. “Géén kunst” mompelde het vieze roze. Omdat die dikke al met enkele steekjes, stevig óm een “3 ˝”-dikke breinaald zat. “Hó-hó!” Protesteerde de andere naald van de tweeling terwijl hij al driftig de steekjes vérder overnam. Om in hoog tempo met rechts én averechts een blauwe knuffel áls “Guppie” de vis af te leveren. Zo volgden óók “Choco” de beer mét geel en bruin én de uil “Knap” met grijs én wit. Iedere knuffel kreeg zijn eigen kleur in de maat van tikke-tikke-tik… tikke-tikke-tik  mét insteken, ómslaan en dóórhalen. Léger en léger werd het eens zo rijkgevulde pitrieten mandje. Terwijl omaatje zichtbaar genoot van die, wel héél ijverige breipennen, met trekjes om haar mond, omdat er zó in véélvoud schattige knuffeltjes in recordtempo werden geboren. Tót het knotje áls vijftig gram viesroze ergerlijk vroeg: “En ik dan?” Omdat ze als allerlaatste, eenzaam het wachten beu was. Geschrokken bladerde één van de naalden door het oude patronenboek. Van achteren naar voren en gehaast óók weer terug. Alle patronen waren gedaan. Terwijl ze nog eens maar langzamer terugbladerde, kregen ze door de gekrulde ezelsoren in het boek plots een grandioos idee… “Pzw…pzw…jájá…dát is het”…. ’n Kwartiertje later mocht “Knor” zich met krulstaart áls varken bij de anderen voegen. En omdat er nog een restje van haar kleur over was, kreeg ze voor het lange wachten er nog drie biggetjes áls liefroze naamloos bij. In de verte neuriede een fee terwijl iets áls muziek in oma’s oren zachtjes naderde, klonk dichterbij een brommend, kwakend én knorrend koor. Tót…. ’n flits… met de geur van drop, een plakkerige smak uit knuffelland:

“Hoi oma!” In koor zei. Blij, als door een fee mocht ze dát sprookje vaker ná haar hazenslaapje met háár kleinkinderen als knuffeltjes óverdoen. En haar naaimandje hoeft sindsdien met het nieuwe patronenboek nóóit meer lang op zijn nieuwe proviand te wachten.

 

Mathieu Simons

1993