***** Lam in wolfskleren *****

 

“Zó!” Terwijl ik voldaan door het keukenraam naar buiten keek. Waar de gelapte ruiten van binnenuit extra dimensie gaven aan de uitstraling van onze tuin. Deze had juist een metamorfose ondergaan door zijn bijgeschoren heg. Die op zijn beurt weer mooi afstak bij de donkere aarde die netjes als een rulle deken om de pastelkleurige bloemen lag. Terwijl het malse gazon gemillimeterd als groen de witte tuinmeubels uitdaagde. Toen ik net van plan was om te finishen met een behaaglijk douchebad. Nadat ik eerst de resten van moederaarde onder mijn nagels had weggeborsteld, om later met een heerlijke kop sterke koffie het weekend als vrij in te luiden. Kwam zoonlief Remco hijgend met een rood hoofd thuis. “Páp, ik heb net een arm molletje gered… en hij was bijna dood!” Nadat hij zijn avontuur als negenjarige had verteld, wisten we thuis dat hij dát beestje naast de voordeur van overbuur “Lola” had gevonden en het later ook zó weer de vrijheid had gegeven. Omdat ik toch al een beetje nieuwsgierig vroeg waar hij wel dat arme molletje dan had neergezet. Antwoordde hij noodgedwongen jokkend, omdat hij het al had begrepen dat niet iedereen om een molletje stond te springen: “O… eh… terwijl hij met volle overtuiging wees… dáár bij de vijver!” Terwijl ik als bevrijd zuchtte én een aai over zijn bol gaf.

  Maar voordat het een weekje verder was…. “Moet je ónze bloemen buiten eens zien!” Terwijl ik de overgordijnen koortsig verder opende. Om dagen later te constateren dat ze zichtbaar achteruit gingen. Zou ik téveel mest hebben gebruikt? Ik dacht niet meer dan normaal. Of hebben ze mij op de markt hebben beduveld? Daar had ik toen zelf de bloemetjes voor vrouwlief gekocht ter ere van Moederdag. Ná enige inspecties kreeg ik het antwoord op mijn vragen toen ik achter de oorzaak kwam. Natúúrlijk… dit moest Remco’s “molletje” zijn. In zeer korte tijd had hij als vraatzuchtig de héle tuin systematisch als mét galerijen ondermijnd. Het kon niet missen de “kostganger” van ónze tuin moest wel een woelrat zijn. Die met zijn intrekkende schacht, zich waande in het rijk der “koelpieten” om voorlopig niet meer boven te komen zolang hij ónder malse wortels tegenkwam. Terwijl de jongste lentebui als laatste het tuinpad tót bij de achterdeur óók al had ontzet; Bij de peiling, wél dieper dan een meter. Zelfs de buurman hing niet meer met pretlichtjes in zijn ogen maar met een angstig gezicht over de heg…. “Én, buurman?” Terwijl zijn vrouw in de deuropening, preventief bóvenop de drempel bleef staan. Zij kreeg al zichtbaar kippenvel als ze al aan muizen dacht. Omdat ik in zijn hoofdgalerijen hier en daar het gif áls aardappelpartjes had gelegd. Kon ik mijn buurman mét het bewijs als nieuwe bloemenweelde ná enkele weken geruststellen: “Ja buurman, ik geloof dat zijn “vakantie” hier om is!” - Omdat Remco erbij stond met een knipoog – “Gisteren zag ik hem óver de brug weer vertrekken naar de andere kant van de vijver!” Het kostte mij later wél ’n extra uurtje biologie om Remco duidelijk te maken dat zélfs in een mollenvel een woelrat kan zitten.

 

 

*** Uit de bundel: “Tussen Hart & Broekzak” ***

Auteur: Mathieu Simons