*** Mijn debuut in de 160 km van Nijmegen - Rotterdam ***

 

Nog even – nou ja, als je de lengte van 160 kilometer zomaar éventjes mag noemen – dán zou ik het immers voor 99% zeker weten, dat ik goed hersteld was geweest van mijn vorige uithoudingsproef in de “Run” van Winschoten veertien dagen geleden. Dagelijks werd ik thuis door vrouwlief verwend én in de watten gelegd ál verklaarden collega’s op het werk mij achter de rug voor gek. Eerlijk, zó dacht ikzelf vroeger ook.

  Niet te laat en zeker niet te vroeg, lag ik voor elven onder de wol. Niets van schema’s maakten me dol. Al werd de komende klus tóch een waar je ú tegen kon zeggen. Nog voor de haan symbolisch kraaide, stond ik al wakker in de vroege ochtend naast het bed. Nu nog met beide benen op de grond omdat ik de éérste trein uit Heerlen richting het Gelderse wilde halen. Zo schoot ik in m’n kloffie die ik naar mijn mening straks het eerste nodig had, na eerst m’n huidplooien preventief geplamuurd te hebben met uierzalf. Dát was vroeger toch óók al goed tegen kloofjes? De planning nam ik in twee keer overstappen mee naar Nijmegen. Daar aangekomen werd je voor de start naar wens nog vol gestopt, zover je het brood nodig achtte. Zo al kauwend, zagen we buiten al de klassieke Dakota’s áls reusachtig laag overvliegen. Dit ter ere van het “gouden” oorlogsverleden van de militaire “Market Garden”-operatie. Zo de parachutisten straks moesten simuleren en gingen duelleren met het stormachtige en natte weer, zo vertrokken wij als globetrotters die zaterdag ná elf uur in de ochtend met 75 moedigen, fris beslagen over de Waalbrug. Terwijl paraplu's én regenjassen hun urenlange voorkeur kregen, kregen de reservesokken nu óók hun kans voor een extra sopje. Zéker, toen de anderen enigszins verzopen in de finale naar onze éérste rust in Ede, waar we aan Sinterklaas moesten geloven mét heerlijke pepernoten. Hoe “witwassertjes”later als zwanen ook nog vergeefs hun wit poogden te dobberen, bleef de eerste uitvaller toch jammerlijk een feit. Over paden en wegen ontspande mijn blik gaandeweg, toen riet naast het smalle paadje mij toewuifde langs Heiligenbergerbeek. Tóén het diner… later liet ik in Woudenberg beschaafd ’n boertje gaan. Met een ander schoenenpaar maalden m’n voeten weer als herboren en droegen mij verder op weg. Al zou het verteringsproces zijn energie gaan vragen én zat ik in déze tijd normaal gezellig onderuit, bleef ik fit. De bermen lieten zich slechts áls door een schicht met een zaklamp beschijnen omdat de volle maan stuurs en donker achter de wolken bleef. Terwijl wijd opengesperde ogen als een kat moesten kijken, schoot de witte markering met zijn onderbreking als gemeende snelheid voorbij. Takken lieten hun bescherming tegen de regen afweten en bladeren dropten het met de wind mee, harder naar beneden. ’n Opluchting… Bunnik sneed de afstand wel een beetje scheef, als een mes in de helft. Tachtig al, een prestatie én de puike verzorging pepte ons verder er boven op. Ervaringen werden niet meer zo vaak herhaald en werden slechts hier en daar als geroezemoes verteld. En slaap strafte degenen die te licht over deze mars hadden gedacht. Terwijl routiniers met enige verafgoding tot leermeesters werden verheven, straalde mijn bewondering voor het “zwakke geslacht” die met ons mee presteerden. Toen voelde ik mijn zwak weer als een herkenbare inzinking tót… een late- of een zeer vroege stapper luidruchtig met applaus zijn medeleven schonk en mijn pijn verdoofde in een walm van pilslucht. Bij Nieuwegein ging een vakman onder ons te vroeg naar huis terwijl ik voor mijn diploma nóg verder aan de weg moest gaan timmeren. Omdat mijn voeten lichtelijk in brand stonden wisselde ik hier opgelucht weer sokken en schoenen. Het knappend vuurtje in de zolen ging gelukkig terug tot in zijn laagste stand. Zo liepen we via Oudewater opweg naar mijn langste afstand in wording richting Waddinxveen. De slaap had tot dusver van mij niet kunnen winnen ál snurkte een van ons gelaten als een martelaar zijn roes languit op straat.

  Inmiddels was een nieuwe dag gaan krieken. Hadden onze Vaderlandse weergoden tóch gelijk? Het bleef al langer droog én voor mij iets benauwd. Korte broeken werden weer overmoedig gepland waar longen zuurstofrijk bloed sneller pompten in de wandelharten. Met de állerlaatste keer “los”, bleef ik spaarzaam én preventief lopen. Het venijn zit meestal in de staart en had daarom vrede met een finish in de tweede groep. Immers tempo “zes” deed al pijn genoeg. Zo liep ik zelfs even solo met de bochten mee, terwijl dagjesmensen massaal met zonnige momenten passeerden én hun wenkbrauwen opgetrokken vragend lieten fronsen. Waarom het bij mij soms stokte. Wát…? Terwijl krentenbrood zich inwendig liet verteren, kwam het kilometerpunt-157 een expansie én tempo “negen” gaf het antwoord en verklaarde mijn reserve vóór de wachtende stortbui uit. Toen, even op de plaats rust waar handen al vroeg werden geschud en eventuele honger nog wachtend kon worden gestild. Voor de wind blies de R.W.V.-vaan en wapperde gelaten toen het hemelwater rijk omlaag stortte. En de laatste werd gezegend voor zijn prestatie. Er restten nog kleine loodjes en ondiepe plasjes. We namen de laatste tweeéneenhalve kilometer gezamenlijk nog voor lief. We hadden het immers gehaald!

  Mijn debuut in deze, was een ware ontgroening geweest. En heb weer iets lánger leren knokken! Tijdens de terugreis steunde m’n vrouwtje mij, toen ik dromerig de slaap alsnog niet kon vatten. Omdat ik ieder kilometer van Nijmegen naar Rotterdam nóg eens héél dunnetjes overdeed. Terwijl boven, schommelend in het bagagerek mijn weekendtas naast een kliedernat weekend, een enveloppe rust… tót thuis… dáár schittert de inhoud mét sierletters in de toekomst áls “gediplomeerd”!

 

Mathieu Simons

17/18 september 1994