*** Mijn eerste meisje ***

 

Zoals gewoonlijk in Sankt Ludwig, intern naar school waar ik in de gemengde 'trappenklas' op de vijfde zat. Na schooltijd splitste iedereen als vanzelf, zich naar de groep waar hij of zij thuis hoorde. Mijn groep 4A, hoorde bij meneer Hoogenboom én meneer Daan, die zich dagelijks over ons moesten bekommeren met afwisselende én opvoedende taken. Zoals voorlezen vóór het slapen gaan en het nachtkruisje. Maar éérst het gezamenlijke avondeten, waar de schuivende gamellen vaak hun inhoud al dampend verraadden. Een was er meestal gevuld met de aardappelen die we zelf op toerbeurt vakkundig gepit hadden in een stalen vergiet, die we al druipend geklemd hielden tussen onze blote jongensknieën; Terwijl het water rijk vloeide en ná gedaan onze vingers deden uitzien als ouwe wijven. En de groente, die was meestal uit eigen tuin van "onze" Duitse Franciscanenpaters die óók aan het tehuis boerden en zodoende de restanten graag retour kregen voor hun varkens, wij aten toch immers óók hun spek en balkenbrij. Dit alles werd natuurlijk vooraf gegaan door de dagelijkse vermicellisoep met de te grote stukken selderijsteeltjes. Die na 'n dagje vakantiewerk extra werd verrijkt met 'n restant erwtjes en worteltjes en zó opgewarmd bij een boterham tóch nog erg lekker was. Als alles geblust was met een of andere soort vla, kwam de afwas die op toerbeurt zéér gedisciplineerd door één van de vier tafels met zes man werd gedaan, twee afwassen en vier afdrogen. Dat laatste had mij de bijnaam van "piloot" bezorgd door het verband dat ik ná een ruzie met Jozef - de langste van de groep - had, omdat ik óók eens graag wilde afwassen, doch een enorme pollepel van staal had het toen voortijdig beslecht door een gat in mijn hoofd.
Ná het eten was er nog tijd voor het huiswerk en tijd genoeg over om 'tikkertje te glijden' over de geboende houten vloer op een oude deken, figuurzagen of stillezen. Maar nú in de kerstvakantie werd het vóór het eten eerst wandelen met de hele groep door de sneeuw richting de 'zandberg' in de bossen van het mijngebied Beatrix. Waar we passant 'n meidengroep passeerden en... dáár was het eerste sneeuwballengevecht... páts! ...ráák in mijn nek, voordat het zelf wist had ik de daadster al onder me liggen... "Nee... nee niet doen!" Met een gegil bang om ingepeperd te worden. Tótdat ze heel listig zei: "Zij zeggen - terwijl ze naar de andere meiden wees, die nog ijverig in het sneeuwgevecht bezig waren - zij zeggen dat ik met je ga..." Een onbeholpen boosheid maakte zich over mij meester: "Ik zal ze... Néé, niet doen, laat ze maar." Zei ze met een bijna volwassen onschuldige blos. Voordat het minuten verder was, wist ik dat ze Fientje heette en beloofde haar dat ik haar nóóit meer zou inpeperen.
Wekelijks later bij het wandelen, kwamen de groepen elkaar - alsof het afgesproken was - geregeld tegen én iedere keer liepen we eventjes uit de rij, om elkaar even zacht aan te stoten. Want Fientje was nu óók volgens de jongens. 'n meisje van mij. Ook onze leider en háár leidster knepen een volleerd oogje dicht. Want als de onschuld zelve liepen we even later tóch weer gedisciplineerd in de rij, terwijl de zon als getuige in alle wateren scheen.
Maar 's middags vóór de "Heilige avond" meldde ik mij met André - de stoere jongen die zijn broekriem óvermatig tot op de schoenen droeg - ons vrijwillig aan voor de 'vuilnisbakken ophaaldienst'. Zó scoorden wij extra hoge punten voor de maandelijkse beoordelingskaarten terwijl ik Fientje misschien nog kon zien. En André kreeg zó zijn kans om een stiekem trekje te doen aan zijn gevonden Old Mack peuk áchter de opgehaalde vuilnisbakken. Terwijl ik mijn ervaring opdeed dat een meisjeslokaal tóch anders ruikt dan bij de jongens, genoot André dubbel van zijn trekjes. Later kwamen we met ons geheim als voldaan, gedaan in de groep terug. En 's nachts bij de méérstemmig gezongen nachtmis, zong Fientje háár rol met de Duitse priesterstudenten mee als engel Gabriël. Terwijl de meeste jongens al met hun gedachten bezig waren, naar de komende maatregel "verplicht roken", dat moest dienen om het stiekeme roken af te leren. Maar in het internaat... dáár konden ze mij als elfjarige, het wandelen niet meer áfleren.

  

(Uit de bundel: "Tussen Hart & Broekzak")
Mathieu Simons