*** Mijn geschoeide levensloop ***

 

Het was in de Tweede Wereldoorlog toen ik in Nieuwenhagerheide als achtponder het levenslicht zag. Terwijl dorpsgenoten lijdend hun broekriem met een extra gaatje moesten inkorten, bolde mijn poepluier alsof deze wilde laten ruiken: “Jûngke, doe kumps nieks tekôt!” Vóór mijn eerste levensjaar wisselde mijn door moelief gebreide slofjes voor de iets steviger ogende vilten schoentjes. Al snel werden deze verruild door lakschoentjes en geel geverfde houten klompjes met op de wreef een riempje van canvas. Dat vakkundig door mijn opa was bevestigd, zodat ze slipvast aan de voet aansloten, al had het canvas ondergronds als transportband al jarenlang dienst gedaan.

 

In de nog heersende oorlogstijd, moest ik noodgedwongen vaker als vijfjarige een gedeelte tussen Heerlen en Verviers te voet pendelen om mijn nieuwe schoenen aan moedershand in te lopen, omdat we toen tijdelijk in België woonden mét mijn nieuwe pa in wording. Waar we dagelijks vóór het slapen gaan, met een brandende kaars onderlangs de bedspiraal een onoverwinnelijk gevecht voerden tegen de bijtgrage wansen die zich in ras tempo leken te vermenigvuldigen. Werd soms bij kennissen gedumpt, en deed mijn Communie op lakschoenen en het witte matrozenpakje als geadopteerd in Maastricht. En liep daar als een “gemartelde” stiefzoon weg.

 

En kwam weer bij mijn eigen strenge vader terug in Heerlen, waar nog op een petroleumstelletje werd gekookt. Het schaarse daglicht door het gordijnloze en schuinstaande dakraam liet me in de schemer dieper over het huiswerk buigen. Terwijl een wakkerend vlammetje van de petroleumlamp mijn fantasie soms angstig op de muur liet bewegen. Zo volgden hoge leren schoenen met rijggaatjes die later met ijzertjes op de slijtplekken preventief werden verstevigd. Omdat ik als knaap geen conservenblik kon zien liggen voordat het na een trap meters ver zijn rust vond; Ondanks het pak slaag die je later moest incasseren om het je af te leren.

 

Door huiselijke problemen, belandde ik in Sanct Ludwig een internaat voor onhandelbare of kinderen van gescheiden ouders. Hier werd je hardhandig en tegelijk als leerling intern opgevoed. Zo leerde als jonge tiener naast de huishoudelijke gedragregels je bruinleren schoenen tot blinkends toe te onderhouden. Terwijl je gedisciplineerd in de rij lopend al vroeg lange wandelkilometers maakte. Immers, je was als knaap goed geschoeid, terwijl in de winter een lepel walgelijke levertraan een garantie aan je gezondheid schonk.

 

Na drie lange jaren, mocht mijn moeder zich weer over mij ontfermen. En ging ik weer naar de H.Hartschool waar ik de laatste maanden van de 5de kon afmaken. Zo volgden de 6de en de 7de als de VGLO. En als afgewezen met een vraagteken, “waarom?” uiteindelijk de OVS beter bekent als de Ondergrondse Vakschool van de Oranje-Nassaumijn-1 in Heerlen. Waar ik in overall en met traan ingevette mijnschoenen op hoekige spijkerkoppen, tweemaal in colonne de Nijmeegse Vierdaagse met succes uitliep. Hoe kan het anders, het werd mij al vroeg in het internaat van Vlodrop ingestampt. Já toch?

 

Zo volgde mijn dienstplicht met lichting 60-6 na vijf ondergrondse mijnjaren. En verruilde ik tijdelijk mijn werkschoenen met stalen neus voor de hoog geregen kistjes als militair. Naast de groene smurrie als de camouflerende blanco en het fanatieke koperpoetsen, haalde ik mijn sportieve gram op zwarte diensgympen en won als een gedrild nummer vele veldlopen. Waarschijnlijk heb ik daar aanleg voor? Na de verworven gele “visgraat” verliet ik de dienst als korporaal om weer opnieuw mét penning-1076 af te dalen als “koelpiet” in moeder aarde. Waar noodgedwongen de werkschoenen geregeld voor rubberen laarzen werden verruild.

Omdat het ondergronds aan het kolenfront ook kon regenen en we soms tot aan de kuiten in het water stonden.

 

Dat ik tijdens mijn OVS- en militaire diensttijd met vele uurtjes aan sport en stormbaan een goede conditie had opgedaan, kwam mij later als speerwerper in dop goed uit. Zo bevocht ik als werper met lange hielpunten in mijn hoge Puma spikes een legio aan regionale en nationale wedstrijden in mijn voordeel uit. En stond vijféntwintig keer in het Team voor het District-Zuid én het Vaderland in semi-interlands en interlands. Al wierp ik geregeld óver de zestig meter, lonkte steeds meer het hardlopen, ik had volgens zeggen daar ook aanleg voor. En draaide na een kleine 24 jaar als speerwerper met een PR van 65,22 meter, al spoedig mijn eerste kilometertjes buitenom de sintelbaan. Binnen zes weken liep ik mijn eerste wedstrijd en volgde in de begeerde nieuwe Nike’s mijn allereerste heuse marathon en liet in Essen (Dld) 2u49:50 optekenen. Naast vele marathons en ultralopen, versleet ik loopschoenen van Saucony, New Balance e.d. Met mijn persoonlijke record, als 41-jarige, op de “muiltjes” van Adidas in 2u35:05 op de klassieke marathon én geniet nog altijd na van mijn toptijd van 7u36:59 op de 100 km, die ik liep op de snel aanpassende stugge kanariegele “plankjes” van Karhu.

 

Tegenwoordig wandel ik nog fanatiek de lange afstanden op de altijd blinkende zwartleren Hanwag’s, lage of hoge Lowa’s. Zoals destijds jong geleerd is als oud gedaan. En voor de afwisseling ga ik tussendoor voor het kortere werk iets vaker met mijn wandelmaatje als vrouwlief Cily. Terwijl het wandelvirus, dat toch al tientallen jaren vele duizenden kilometers heeft bijgeschreven, het stilaan van het hardlopen lijkt te winnen. Loop ik tegenwoordig preventief door blessures die zich sneller proberen af te wisselen, ongeregeld mijn trainingsrondje op de meer betaalbare Asics en wacht ik gelaten op de slijtage van het laatste paar. Vóór ik straks op geruiten pantoffels gedwongen achter de geraniums moet toekijken hoe de passerende jongeren in variërende pluimage zich dagelijks uitsloven in het blitsende en moderner ogende schoeisel.

 

Mathieu Simons

05-12-2011