*** ONDER ÉÉN HOEDJE ***

 

Voor een sober uitgedost hoedenwinkeltje gezeten op een gammele houten stoel, spiegelde het najaarszonnetje in de etalageruit de tengere rug van zijn eigenaar nóg somberder terug als dat het al was. Nog nooit liep zijn zaakje zó slecht sinds hij weer in Holland terug was. Daarom wachtte Dorus met dit mooie herfstweer buiten de passanten op, als waren het zijn klanten. Als iemand toevallig dán naar zijn kant de smalle klinkerstraat overstak, gonsde zijn oude hart en klopte weer eventjes net zoals vroeger; Toen het wél goed ging met zijn handel in Australië. Hij was destijds daar in het stadje Wagga-Wagga ná een geslaagde start, door een felle uitslaande brand helemaal bankroet geraakt. Omdat een verzekering toen voor hem onbetaalbaar was. Zo leek zijn lange zilvergrijze baard ná vijf jaar buitenland extra dementie te geven aan zijn ingevallen gezicht. Soms werden zijn droevige ogen vragende pretlichtjes als een passant vluchtig langs hem door een blik gaf over het schamele maar zorgvuldig uitgestalde vilt. Doch zijn vriendelijke én opvallende knikjes werden zelden als uitnodiging aanvaard. Dat verging hem op déze zonnige en herfstige middag zó minstens zeven maal. Om later keer op keer mét een steeds dieper wordende zucht tevergeefs te blijven wachten op een klein dagsuccesje. Al kochten ze maar een gebreide muts voor straks tegen de naderende kou van de winter. Maar zelfs dát lieten de dorpelingen hier door het mooie weer nog schijnbaar koud. Geen haar op hun hoofd die vandaag zóver al aan dacht. Tot… terwijl hij zijn opvallende felrode muts preventief tegen de opstekende wind, al vaster over de oren had getrokken. Balanceerde zijn klassieke stoel al krakend op de twee achterste poten. Zo vond zijn rug steun tegen de gevel naast de vensterbank vanwaar zijn trouwe lapjeskat Watje tussen de zonnestralen door haar baasje Dorus al oogknijpend had gadegeslagen; Terwijl zij nu naast hem áls tevreden met gesloten ogen knus spinde. Als uit een droom verraadde zijn helder klinkende winkeldeurbel én een steungevende dof tikkende wandelstok het bezoek van een oud vrouwtje. Zou hij dan tóch?....

Jawél, het oude mensje paste en paste en werd warempel zijn klant. Ze kocht één van zijn hoeden terwijl zij een ander model met brede rand als violetkleurig nog tevreden paste. Ze showde haar spiegelbeeld in de gebarsten passpiegel met een ijdele blik áls brachten die ingelijste scherven haar zó dubbel geluk. Ondertussen had Dorus het al gekochte kleinood zorgvuldig ingepakt en nog dromend…  “Néé!”… terwijl hij over haar schouder mee in de spiegel keek, werd het oudje met de tel, jonger én jonger. Haar zilvergrijze haar werd zachtgolvend blond tót een wuft dametje zijn verwonderde blik in de spiegel beantwoordde met een knipoog. Die metamorfose ging in een flits én weerkaatste naar zijn gedachten. Já, dat moest een boodschap zijn voor hem. Hij die normaal al tevreden was met een heel klein succesje, mocht nu… terwijl zij haar eens zo zwaar ogende wandelstok sierlijk als een toverstafje hief en zachtjes tegen zijn grijsbebaarde wang tikte, vleide een helder hoog stemmetje: “Dorus slaap vérder in je droom én ontwaak nu als Dorusje!”….

  Dorus ontwaakte onwetend zó als Dorusje. Gezeten op elfenbank leunend achterover tegen een hoge berk dat zijn winkeltje moest zijn. Hij wreef zijn oogjes en rekte zich uit terwijl het bosmuisje Silvia zich ijverig aan het oppoetsen was ná haar nachtelijke jacht op de pissebedden. Het beloofde een heerlijke dag te worden in het met dauw bedekte loofbos en de éérste klanten zouden zich weldra zonder drempelvrees melden in het piepkleine en enige hoedenwinkeltje in dit grote mensenbos. Alléén zijn klanten vonden het door zijn uithangbord; Waarop mét sierletters, “Altijd góéd gemutst!” stond gegraveerd. Uitdagend na een bad in zijn roze maagdelijke melkzwam tussen het mos, trok hij zijn rode mutsje recht op zijn pientere hoofdje. Terwijl hij in de deuropening van zijn holle boom stond, waaide een briesje zacht door zijn spierwitte baard. “Môgge!”… Klonk opgewekt vanachter een konijnenkeutel, het was juffrouw Mestkever die haar boodschap snel verder huiswaarts rolde. Een eind verderop steunde het Eekhoorntjesbrood zijn té scheve hoed; Die allang zijn sporen verdiend had. Maar hij bleef graag wachten op de éérstvolgende uitverkoop. Terwijl Dorusje nog een slokje nam van zijn vitaminerijke bosvruchtendrank, snoepte Silvia nog ná van een overgebleven prakje. Zo kon ze er vandaag beter tegen als Eli de Eikelmuis haar pootje poogde te vragen tijdens zijn laatste feestje vóór de winterslaap.

  Tingeling! Ting’tingel’lingeling! Zó verwelkomde het winkelbelletje de éérste vroege klant. “Dág mevrouw Russula!”… “Mág ik even neuzen?” Vroeg ze. Ná, ga gerust uw gangetje, hielp Dorusje ijverig een schooltje Zwavelkopjes die hém graag als sponsor zagen voor het komende herfsttoernooi op de open tra. Zo verkocht hij hun snel elf nieuwe geelgekleurde hoedjes en beloofde hun een warme sjaal in dezelfde kleur als premie, als zij dit seizoen ongeschonden bleven. Mevrouw Russula kon nog géén keuze maken tussen het zachte pastelkleurige fluweel én…. “Párdon!” Schaarsgeklede Nuda die net binnen was én als ongeduld te boek stond, griste een grote paarse flaphoed nét voor haar begerige ogen weg. Dorusje die dat vaker had meegemaakt liet met tact doorschemeren dat er áchter nog wel keuze in overvloed was. Zuchtte ze: “Nóg even asjeblieft!” Zo gingen er tot diep in de middag minstens zevenéntwintig hoeden én hoedjes áls fleurige mutsjes over de toonbank. Dorus kon zich zo niets meer herinneren van het ondankbare dat áls voorgoed achter hem lag. Terwijl hij tussendoor óók nog reparaties deed. Naast het reinigen van een met blauw doorlopen hoed van een Inktzwam, liet moeder Vliegezwam haar drukke zoontje daar om zijn gescheurde hoed opnieuw te laten stoppen met nieuwe witte wattennoppen. Zijn kassala had lang niet meer zo vaak gerinkeld en was bovendien nog nooit zó gevuld geweest. Mevrouw Russula had ondertussen met zeven verschillende hoedjes het zichzelf nóg moeilijker gemaakt. Ze kon nog altijd geen keuze maken uit: de vlotte opvallende rode, een ondeugende oranje mét franjes, de riante witte en uit de groene, blauwe en diep paarse mét brede rand óf… tóch die gele pothoed op het model? Ondertussen was het in pelsgedoste bosmuisje Silvia al onopgemerkt afgehaald door het Eikelmuisje Eli. Net toen mevrouw Russula van achteruit het winkeltje riep – ál vond zij ze allemaal wél leuk, maar ze had tenslotte maar ééntje nodig – en eindelijk besliste met: “Ja déze…!”

  Dorus schrok wakker, net op dát moment toen een kirrend stemmetje volgde op een zacht tikje op zijn schouder: “U sliep meneer.” Dorus wist dat hij gedroomd moest hebben toen een paar heldere blauwe ogen ónder een riante zwarte hoed door verklapte dat ze haar keuze ondertussen al had gemaakt. Terwijl ze naar een royale én meerkleurige met voile gedurfde hoed wees. In één seconde zag Dorus in háár zijn droom. Déze mevrouw van stand was óók in zijn droom al, als mevrouw Russula klant geweest. Toen het bejaarde dametje als tevreden klant de winkeldeurbel achter haar liet klingelen, sloot Dorus het sombere verleden definitief af als zijn geschiedenis. Zolang hij nog leefde, zag hij alle nieuwe dagen als een sprookje op zijn kalender staan. Jaarlijks in déze tijd nog vóórdat koning Winter kwam, droegen de dorpelingen hem warm áls “Goed gemutst!” onder één hoedje. En mocht het weer hard regenen, dan bescheen de zon later zijn regenboog tót prismatische kleuren. Zo deed Dorus dag in dag uit nóg altijd zijn tukje en als hij weer droomde, wist zijn kat Watje dat hij zijn opbrengst áls Dorusje meer én vaker aan het natellen was. Zo kon haar poezenkop óók dagelijks steeds langer en knus in zijn voller wordende zilvergrijzebaard blijven spinnen. En als je ze niet meer hoort? “Ssstt!”…. Dán slapen ze nog.

 

 

*** Mathieu Simons ***

06-03-1993