*** Zwarte kracht ***

 

De deur vloog met een hevig gebonk wijd open Kan jij dan nit uit jezelf opstaan? Terwijl ik met een reflex geschrokken overeind schoot: Schiet op, het is al kwart voor geweest! Zo werd die ochtend vr zessen geforceerd gewekt en de stalen bedrand kreeg geen eerlijke kans om optimaal van mijn lichaamswarmte te profiteren. Omdat ik normaal toch iets meer ontspannen tussen de lakens kon uitglijden. Door kippenvel kon mijn huid, strak uit protest, zijn rek ook niet meteen vinden. Uit gewoonte was het immers al moeilijk genoeg om voor zes uur de eerste trek naar beneden te krijgen in onze moeder aarde; Naar de kern van de Oranje-Nassaumijn-1. Je moest zker vijf voor zes je penning afgehaald hebben bij de penningcontrole, anders moest jij je rst melden bij de dienstdoende opzichter voor een afvaarbon, voordat je naar 250 meter diep mocht. Daarom was ik nu gejaagd aan het stuntelen met een gevoel dat je met het verkeerde been opgestaan was. Er zat niets anders op, dan mijn kleren ver de pyjama heen aan te trekken n nuchter in looppas je verhoogde hartslag te volgen richting je dagelijkse plicht.

ch mrge! en Kste nit hinger dien dieke vt oetkmme? Toch te laat, moest ik als met lood gevulde benen, alsnog een bonnetje halen. Chagrijn, mompelde ik. Het lokettenluikje stond open, omdat de opzichter in een heftige discussie bezig was met een andere langslaper, die geen verlof kon krijgen en met zeekbeer, tch moest beginnen. Met Clck Auf stond ik met mijn penning 1076 later aan de schacht klaar voor de laatste trek naar onder, terwijl mijn pyjama weggemoffeld hoog aan de haak hing in de badcow. Ondergronds bracht het treintje me naar de opbraak-154. Zo zat ik binnen een half uur op mijn stuk in de pijler, waar ik eerst het kerf een schop diep moest slaan voor ik vrij de kool hard aan de zak kon gaan. Mijn eerste boterham had ik al in het treintje opgegeten mt: Verdomme, alwr geen zout op de reuzel! Ja, een mijnwerker moet veel vet eten, moeten ze thuis gedacht hebben. Of had moeder zelf vanmorgen nog veel slaap? Met die gedachten hing de rest van mijn boeterbrood te bengelen met een schietdraadje aan een kapje, dit tegen de altijd hongerige muizen. Voor je het wist hadden ze hn galerij dwars door je lunchpakketje gedreven; Ongeacht door wat voor een soort beleg. Maar toch, waar muizen zijn is het veilig. Zo wachtte ik op het nodige bouwhout, dat al met een seinteken van zeven slagen via het licht n een roffel onderweg was. Krk net op het moment dat ik voorover boog, had zich een houten plat in mijn kerf geboord. Klootzak! Naar het stuk onder me. Blijf er vanaf als je het niet weet, h! Een onervaren Spaanse kompel had het plat snel van voren willen pakken ondanks dat het tegen de veiligheid was n de meenemer van de transporteur had het bijna afgestraft. Waarom juist bij mij? Met: Niekse verstaan! Moest je hem wel vergeven, je stuk moest eruit. En de sjraompin van je afbouwhamer vrat zich weer gretig in het carboon totdat het gloeiend stil bleef staan. Wat n alweer? De transporteur stond plots stop en voller scheppen ging niet meer. N: Umkierrol afsjikke, ndrif wil poppe! Werd het me duidelijk dat het vroeger boetere was door een storing bij de laadbak waar stenen vastzaten in de wentelkoker. Wa, hat mieng appelsien geklauwd? Net toen mijn ogen ongewild gingen knipperen sprong ik op van mijn zalige troon van kolengruis en preventief moest mijn ruggensteuntje als kophoutje zijn dienst gaan doen. Omdat de kool in deze pijler hard was, hoefde ik vandaag maar zes bakken plus het kerf eruit te slaan. Als de kool genjecteerd was werden het er acht inclusief het kerf. Hier ondergronds kon je van alles verwachten. Zo zat je in rubber gekleed tegen de druipende regen en verdiende je kletsnat een uitvaarbon. Dn weer in een storing van de breuklijn, waar je alleen de voeten van je buurman kon zien. Terwijl het zweet druppelsgewijs het schilferige stof zijn dwarrelen niet kon beletten, klonk een noodkreet in een repeterend tempo langs ons omhoog. Nu rook ik het k De vieze Oesterieker hat op de sjup gezate! J, Jozef zwoer het altijd al bij salami n uien. Zo te ruiken moest het erg pijn gedaan hebben in zijn buik. Toen de lucht in de pijler weer van zwavelgas gezuiverd was mt de vloek: Sjmiet m in dr ouwe! door iedereen was geslaakt, werd weer met vrede de broodnodige kolen gestuurd. Nog voordat Johnny weer om een slok water kwam bedelen, kwam een schim van het bijna maagdelijk witte opzichterspak langs gekropen. Vr de damp van zijn benzinelamp uit klonk zijn ritueel: Clck Auf n Wie sjrifste dich? Hij was schijnbaar vergeten dat hij me vanmorgen een afvaarbonnetje had geschreven. Maar wat dan nog, hij oogde tevreden terwijl hij passerend een soort zeeplucht achterliet.

Hier en daar klonk weer een schaterlach door een vieze mop. Ja, nu kon het weer, het stuk was er bijna uit. En voor een prmke sjiek hielp je samen die kompel die het vandaag ook eens zwaar had. Misschien heeft hij nog wel iets over in zijn blek. Want hier ondergronds help je elkaar; Vandaag hem en morgen een ander, misschien wel mij. Het zweethemdje droogde ondanks de zwoele warmte al snel op, zodat het gruis al jeukend in je bilnaad zakte. Als een film schoot je sjiech voorbij en tevreden als voldaan lag ik op het lege transportband en ging apathisch door de galerij richting opbraak, waar de transportrollen je vertrouwelijk mee lieten golven alsof je op het water dreef. Verdomme, wie heeft er op het band gepist? Gelukkig was het maar een lekkende sproeier die ons gedwongen liet afspringen. Haste nog ing klmpke? Hier heb je nog een van de rol! Terwijl die naar zijn gulp wees, kreeg je toch een snoepje van de befaamde rang. Als een stel ondeugende jongens wachtten we op de gammele kooi die ons weer terug in de hoofdgalerij moest brengen richting schacht. Met een vraag hoeveel wagens de laadjong had geladen, suste het gestommel binnen het personentreintje met de lichten uit. Alleen een jankende ventilator ontwaakte geplaagd een duttend hoofd. Wel werden het felle licht en de stokkende wagons geaccepteerd door het sein, we zijn er. Zo stapte ik duf achter de rstetrekkers aan de trein uit. Plns! Languit lag ik, even kopje onder, in de zouw en de koplamp scheen vanaf de bodem door het zoutige afvoerwater me tegemoet. Door mijn paniek was ik er net zo snel uit, als dat ik er in lag. Met een grijns als reactie moest ik toch weten dat je aan die kant niet mocht uitstappen. Tussen het miauwen door, voor die doevepiet ls kattenmepper verdween ik met het schaamrood nder het zwart snel met mijn aangereikte penning in de tweede trek naar boven, vanwaar mijn ogen weer aan het zonnige daglicht moest wennen. Terwijl iedereen mij nog verbaasd nakeek, hoe ik het gepresteerd had om precies in de helft van de lengte, van boven tot onder nat te zijn inclusief n soppende sok. Dan poekelen, naakt in de rij achter elkaar, het vertrouwelijk ritueel om elkaar nodig te hebben. Ondanks de grap mt de ruige pannenspons, tekende weer voor het geheim van kameraadschap. Naast een beker warme melk in de milksboet, luchtte buiten een zwarte hoestbui op. Al gloeide ik door het hete sodarijke badwater nog n, wist ik, morgen hangt je pungel weer droog doch stijf aan de haak. Thuis wachtte mijn eerlijk verdiende warme prak. Mam, vanavond ga ik vroeg naar bed. Terwijl ik mijn vette vingers aflikte: Jaja, want morgen is het nog geen vrije zaterdag!

 

Mathieu Simons

1955 t/m 1963