De Veluwe

De Veluwe, ook wel Kwartier van Arnhem genoemd, één van de vier
kwartieren van het voormalig hertogdom Gelre,wordt begrensd Neder-Rijn
IJssel, Zuiderzee (vroeger) en de Geldersevallei.

Landschappelijk werd de Veluwe gekenmerkt door het onvruchtbare centrum
Met hoofdzakelijk, in de loop van vele eeuwen onstane, zandverstuivingen,
heidevelden en hier en daar bossen. Temidden van dit ongenaakbare land
werden in de negentiende eeuw onder meer bij garderen, Elspeet en Vier-
houten enige enclaves aangetroffen waar akkerbouw en veeteelt werd beoefend.
Aan de randen van de Hoge Veluwe bevonden zich vruchtbare gebieden als de
IJsselvallei en de gelderse Vallei. De grens in het noordwesten werd gevormd
door de Zuiderzee. Hier lagen de burgelijke gemeenten Oldebroek, Doornspijk,
Elburg, Harderwijk en Putten.Door de structuur van het landschap leefden de
bewoners geïsoleerd ten opzichte van die zuidelijke Veluwe. (Dit zal ook wel
de oorzaak zijn dat mijn voorouders zich amper hebben verplaatst en partners
meestal dicht in de buurt vonden.) Verbindingen met Arnhem waren lang proble-
matisch. Van de onbegaanbaarheid getuigen de ervaringen van de over de Veluwe
terugtrekkende Engelse en Hannoveriaanse troepen in januarie 1795. Mede door
de slechte weersomstandigheden verdwaalde een deel van hen, ondanks de bege-
leiding van plaatselijke gidsen, en waren zelfs genoodzaakt hun artillerie op
de heide achter te laten.

Begin negentiende eeuw telde de Veluwe 11765 inwoners, halverwege die eeuw al
21850. Deze toename was te danken aan de ontginingen die plaats vonden aan de
randen van de Veluwe. Door de onduidelijke eigendomsrechten van de zand- en
heidegronden trokken veel mensen van buiten de Veluwe naar dit gebied om hun
geluk te beproeven.Het merendeel van deze mensen bouwden hun hutten! in het
schrale overgangsgebied van de landbouwgronden naar de hoge zandgronden.
Doornspijk kende huttendorpen in Wessingen, Aperlo en Kerken-Hull. Totaal 32
hutten.

Sloet tot Oldhuis beschrijft één van deze hutten: "De gesteldheid dezer hutten
is doorgaans ellendig; de bodem is onder de grond, de wanden zijn van plaggen
opgezet en het dak van heet (heide). De hut van een wever onder het Oldebroek,
te midden van eenzame zandsteppen, heeft over het algemeen slechts een binnen-
ruimte van 7 passen lengte en 5 passen breedte, en bestaat uit 2 afdelingen
waarvan het grootste gedeelte voor de huishouding bestemd is en het kleinere
voor het weefgetouw. Gewoonlijk vindt men er twee van teenen gevlochten ledi-
kanten met onderlagen van takkenbosschen en daarop een gevulde zak met stroo
of mos. De haardstede bestaat uit een drietal opgezette keijen, evenals de over-
oude haardsteden, die met te Hilversum onder den heigrond gevonden heeft. Het
interieur was versierd met prenten, porseleinen scherven en vogeleieren. verder
kon men er kinderspeelgoed en het nodig meubilair aantreffen. Slagvinken en ek-
sters in een kooi kwamen als huisdieren voor. Moestuinen, een kruidentuin en
hier en daar een bloementuin bevonden zich rondom de woningen. Muziekinstru-
menten, behalve een eigengemaakte fluit van wilgenbast, bezat men niet.

Bron: Dhr Dr. A. Sulman: Geloven aan de zoom van de Veluwe