CONCONITEST VOOR TEAMSPORTERS

 

Inleiding:

In de moderne belastingsfysiologie wordt de atleet meestal in zijn eigen omgeving en met de voor hem sportspecifieke belasting getest. In de Spelsporten was dit met de huidige testmethoden bijna niet mogelijk. Dr. Probst een leerling van Conconi ontwikkelde hiervoor de intervaltest als methoden ter bepaling van de anaėrobe - drempel.

Bij de acyclische sporten hoeft de atleet niet zoals bij een marathonloper continue een constante arbeid te verrichten, maar intensieve belastingen in het anaėrobe gebied worden afgewisseld met extensieve belastingen in het aėrobe gebied. Een groot deel van de tijdens de wedstrijd verrichte arbeid is door richtingsveranderingen, aanzetten en afremmen zeer wisselend van vorm. Daarom moet voor de test een belastingsvorm gekozen worden, welke deze wisselende arbeid in zich heeft.

Doordat het herstelvermogen sterk afhangt van het uithoudingsvermogen maakt een goed aėroob uithoudingsvermogen het de atleet mogelijk zich tijdens spel onderbrekingen snel te herstellen. Voor het bepalen van het herstelvermogen wordt tijdens de test ook de hartfrequentie in de 30 seconden rustpauze gemeten.

Praktische uitvoering:

Na een warming-up loopt de atleet een gemarkeerd parcours (zie afbeelding 1). twee keer rond. De afstand tussen de merktekens bedraagt 10 meter. Het tempo wordt bepaald door een computer die via een geluidsbron, beep-signalen laat horen. Een computerprogramma (zie Downloads) geeft dus  het tempo (aantal km/h) aan. Het aanvangstempo is b.v.10,2 km/h. Bevindt de atleet zich bij ieder signaal (beep) een merkteken verder, is zijn snelheid goed. Na de twee rondgangen (2x140m) stopt de atleet 30 sec. Na de rustpauze wordt het tempo met 0,6 km/h verhoogd. Het tempo van de volgende twee rondgangen wordt dan 10,8 km/h. Dit herhaalt zich tot het einde van de test, wanneer de atleet de merktekens niet meer op tijd kan bereiken.

 

Het te lopen parcours wordt naar de volgende gezichtspunten uitgezocht:

1.

Het parcours kan op een voetbalveld of in een zaal uitgezet worden.

2.

De richtingsveranderingen moeten zo gekozen worden, dat tijdens de test de loopstijl

niet te sterk beļnvloed wordt.

3.

Er moeten meerdere sporters gelijktijdig getest kunnen worden.

4.

Om de hartfrequentie tijdens de test te registreren heeft men een hartslagmeter met geheugen nodig.

 


Afbeelding 1

 

Hartfrequentie (HF) tijdsverloop (Hartslag/tijd):

Bij het beoordelen van de hartfrequentiecurve moeten de volgende theoretische overwegingen gesteld worden:

In het aėrobe bereik daalt tijdens de rustpauze de hartfrequentie snel, omdat het bij het begin van de belasting aangegane zuurstoftekort tijdens de rustpauze direct aangevuld kan worden door het ontstane zuurstofoverschot. In het anaėrobe bereik neemt echter het zuurstoftekort extra toe door het aandeel van de anaėrobe energievorming. Tijdens de rustpauze moet dit extra zuurstoftekort door de aėrobe stofwisseling afgelost worden. De hiermee gepaard gaande zuurstoftransporttoename heeft een tragere daling van de hartfrequentie tot gevolg. De amplitude tussen belasting - HF en de rust - HF neemt af (zie Afbeelding 2).

 


Afbeelding 2

 

Hartfrequentie - arbeidsintensiteit: (Conconi-test)

Zet men nu de HF uit tegen de loopsnelheid dan verhouden zich de HF en loopsnelheid hetzelfde zoals we dat kennen van de Conconi-test (afbeelding 3).

In het aėrobe bereik bestaat een lineaire verband tussen HF en loopsnelheid. Na de anaėrobe drempel stijgt de HF nog maar weinig.

 


Afbeelding 3

De hierboven gebruikte voorbeelden zijn van een Nederlandse topbasketbalspeler spelend voor

BSW WEERT

  

TOEPASSING:

De door de test gevonden waarden zijn sterk afhankelijk van het terrein en het te lopen protocol. Het is dan ook belangrijk te weten dat het gevonden omslagpunt alleen van toepassing is bij deze belastingsvorm en dus niet met de Conconitest voor lopers vergeleken kan worden.

 

Trainingsadvies:

Omdat er alleen in het aėrobe bereik een samenhang bestaat tussen belasting en hartfrequentie kunnen alleen voor het aėrobe gebied trainingsadviezen gegeven worden. Voor teamsporters bedraagt de trainingstijd voor duurlopen in het algemeen 20 tot 40 minuten. Langere duurlopen hebben weinig zin, omdat men vooral het aėrobe uithoudingsvermogen en niet de aėrobe capaciteit wil trainen. De trainingsintensiteit zal d.m.v. de hartfrequentie opgegeven worden. Een 30-40 minuten durende duurlooptraining zal uit eigen ervaring het meeste effect hebben bij een intensiteit van 85-90% van de snelheid bij het omslagpunt en de daarbij behorende hartfrequentie.

.

 DUURLOOP

Vorm

Intensiteit

(% van omslagpunt)

Duur

(min)

Rustig

70 - 75

45 - 60

Normaal

85 - 90

30 - 45

Snel

90 - 97

20 - 30

 

Met welke intensiteit en hoe vaak er voor deze trainingsvorm gekozen zal worden, zal door de trainer bepaald worden en afhankelijk zijn van sport aard en de trainingsperioden

 

Trainingseffect:

Na afsluiting van een trainingsperiode kan de test onder dezelfde omstandigheden herhaald worden.

Een verschuiving van de Hf - snelheidscurve naar rechts betekent een verbetering van het aėrobe uithoudingsvermogen.

 

Jan van den Bosch

E-mail: jhbosch.1@kpnmail.nl