[top.htm]

[left.htm]

Het geslacht Rijnbende

 

Toen tussen 10 augustus en oktober 1566 de Beeldenstorm plaatsvond werden veel Rooms katholieke kerken verwoest, waaronder ook die van Maassluis en Schiedam. Wanneer je je familiegeschiedenis wilt napluizen kom je vaak niet verder dan einde 16de eeuw daar geboorten van nieuw leven bij de kerk werden aangegeven,  zo ook met het geslacht Rijnbende. Jammer, want waar komt de naam vandaan. In de vrouwelijke lijn, te beginnen bij mijn overgrootmoeder Maria Bijl, geboren op 20-06-1838 en dochter van Jacob Bijl en Johanna Dijkman, komen we een stukje verder en wel bij Jacob Aert Hendricks Wenssen en wel in 1493.

Rond 1590 werd te Maassluis Jan Rijnbende geboren,  de stamvader van ons geslacht. De leden van het geslacht Rijnbende hebben verschillende beroepen uitgeoefend, maar die van stoker, graanmeter, zakkendrager of  distillateur zijn toch wel het bekendste geworden.

 

 

                                                                                    De grote kerk in Maassluis

 

In 1793 stichtte Simon Rijnbende(1777), zoon van Joannes Rijnbende en Anna Wuyster een branderij in Schiedam welke wereldvermaardheid zou krijgen.

Zijn nakomelingen hebben een hogere welstand bereikt dan de andere leden van ons geslacht.

 

Zie ook: www.rynbende.com

 

Vanaf 1928 tot eind jaren '60 ( behalve in de oorlogsjaren) werd dit blad door de Fa. Rijnbende uitgegeven.

Frappant is, dat aan dit blad vermaarde Nederlandse Schrijvers meewerkten, zoal Simon Carmiggelt, A. den Doolaard

en Herman de Man die redacteur van het blad was.

Herman, 1898 - 1946) werd geboren als Salomon Herman Hamburger. Zijn schrijverspseudoniem kreeg in 1943 een officieel karakter toen het in het register van de Burgerlijke stand van de Nederlandse regering in ballingschap in Londen werd opgenomen, omdat hij zich verdienstelijk maakte voor Radio Oranje.

Herman werd in 1898 geboren in Woerden als jongste kind van de joodse koopman Herman Salomon Hamburger en diens vrouw Sara Cohen Schravien. Hij trouwde met een joodse vrouw, Eva Jeanette Kalker en kreeg bij haar negen kinderen.

Voordat hij schrijver werd was hij koopman/marskramer tussen Utrecht en Rotterdam. Al met zijn vader trok hij er op uit om mollenvellen in de Lopikerwaard te verkopen.

Bekend is hij geworden door zijn roman "Het wassende water "in 1925 waar hij in 1927 de C.W. van der Hoogtprijs voor ontving. In 1938 ontving hij de Tollensprijs voor zijn gehele oeuvre. Henricus Franciscus Caroluszoon (Hendrik) Tollens (Rotterdam, 24 september 1780 - Rijswijk, 21 oktober 1856) was een Nederlands dichter.

Tijdens de oorlog kwamen zijn vrouw en de meeste van zijn kinderen om in Duitse kampen en ook zijn vader overleefde de oorlog niet. Na de tweede wereldoorlog was hem weinig geluk gegund. Hij was een gebroken man en het lukte hem maar niet met zijn twee overgebleven kinderen de draad weer op te pakken. Uiteindelijk kwam hij in 1946 om bij een vliegtuigongeluk.

 

Voor meer informatie over Herman de Man verwijs ik u naar Gé Vaartjes van wie in 1999 een biografie over Herman de Man verschenen is. en het Nederlands Centrum voor Volkcultuur in Utrecht.

www.volkscultuur.nl

ncv@volkscultuur.nl

 

Rijmpje:

 

RIJNBENDE

Rijnbende’s oude en welbekende zaak

IJvert voor fijnheid in aroma en smaak.                                                               

Naast haar verschillende zeer goede likeuren,

Blijft de Zeer Oude Genever te keuren.

Eenmaal geproefd, overtuigt het je sterk:

Niets gaat er boven het “Rijnbende-merk”,

Dank zij den tijd, dien in ’t grondvat ze sleet

En ook de zorg, bij ’t bereiden besteed.

 

Mijn betovergrootvader en overgrootvader waren ook distillateurs en in 1907 kwam mijn grootvader Nicolaas Rijnbende(1869) van Schiedam naar Leiden en werd daar meesterknecht mij de Fa. Hartevelt, opgericht in 1734. Zijn zonen(7) belandden op een na allemaal in de drank en mijn vader, Johannes Pieter(1908)  werd in zijn jonge jaren vertegenwoordiger bij Hartevelt en later bij de Amstel Brouwerij.

 

 

DE FA. HARTEVELT

NV Distilleerderij ‘De Fransche Kroon’, voorheen Hartevelt & Zoon

 

Lijmen aan de Langegracht

In september 1894 bezoekt een journalist van de Revue Universelle de jeneverdistilleerderij Hartevelt aan de Langegracht. Hij wordt gastvrij ontvangen door de zesentwintigjarige Jacob Hartevelt Abrahamszoon, de achterkleinzoon van Abraham Hartevelt, die het bedrijf in 1780 zijn naam gaf. De journalist wordt door het bedrijf gevoerd en proeft van ‘drie en vier jaar oude’ jenever die hij ‘overheerlijk’ noemt. Misschien is toen wel het misverstand ontstaan dat oude jenever lang bewaarde jenever moet zijn.

De Revue Universelle, een ‘Publication Industrielle, Commerciale, Geographique, Biographique, Litteraire, Artistique, Scientifique, etc.’ blijkt verder evenmin een voorbeeld van kritische journalistiek te zijn. Het tijdschrift heeft misschien wel model gestaan voor het Wereldtijdschrift uit de roman Lijmen van Elsschot. De Revue blijkt bijzonder getroffen door het feit dat het bedrijf niet had deelgenomen aan de Wereldtentoonstelling te Antwerpen, dat ‘toch slechts weinige kilometers van de Hollandsche grens ligt’. Wat mocht daar de reden wel van zijn? ‘De distilleerderij van de heeren Hartevelt en Zoon, bekend onder de naam "De Fransche Kroon", is immers sinds meer dan een eeuw beroemd voor haar jenever of Schiedammer en heeft exportatie naar alle landen zonder onderscheid.’ De Revue weet de oplossing. ‘Het is een eigenschap van het Hollandsche karakter zonder veel ophef veel en hard te werken. Het huis Hartevelt en Zoon heeft nimmer aan een concours deelgenomen, en weet nog niet, bij manier van spreken, wat een tentoonstelling is. Terwijl zeer veel anderen zich door reclames en annonces bekendmaken, behoort dit bedrijf tot degenen die door de eeuwen been, op een volhardende en rustige wijze het werk dat door hun voorvaderen is begonnen vervolgen en er natuurlijk de onafscheidelijke nieuwe verbeteringen van het tijdstip, hetwelk zij doorlopen, bijbrengende. Toevallig heeft de Revue zijn oog laten vallen op deze zo wars van reclame zijnde onderneming en de lezer van Lijmen, die aan de Weduwe Lauwereyssen denkt, vraagt zich af bij welk duizendtal in de tabel van door de firma zelf af te nemen exemplaren van de Revue de vinger van de jonge Hartevelt in 1894 is gestokt.

 Wat resteert van Hartevelt

De distilleerderij die de journalist in 1894 beschrijft zag er aan de buitenkant niet zoveel anders uit dan vandaag het geval is. Het is vooral de omgeving die sinds die tijd sterk is veranderd. De Lange-gracht en de Volmolengracht waren nog niet gedempt en waar nu de auto’s op weg naar het station, Digros of verder rijden lagen de schuiten die steenkolen en grondstoffen voor Hartevelt aanvoerden. De wandelaar die vandaag vanuit oostelijke richting via de Langegracht bij het bedrijf aankomt ziet vanaf de hoek met de Zandstraat een rij pakhuisgevels, die op het eerste oog geen grote samenhang of eenheid vertonen. Toch zijn de gebouwen langs de Langegracht tussen 1817 en 1825 alle, in opdracht van de toen aan het bewind zijnde Joannes Hartevelt, tot stand gekomen. De al aanwezige bebouwing werd eerst gesloopt want de ‘Staat van afgebroken of van bestemming veranderde huizen’ uit die periode bericht omtrent de huizen daar ter plaatse [. . .] welke tot opbouwing van nieuwe lokalen en tot andere doeleinden zijn weggebroken van januari 1817 tot en met december 1825'. Als men oude stadskaarten raadpleegt blijken de huidige maten te corresponderen met de bebouwing uit de zeventiende en de achttiende eeuw. De uit het begin van de negentiende eeuw daterende pakhuizen zijn dus opgetrokken op de aanwezige oude fundering. Daardoor is geen grootschalig gebouw ontstaan maar een rij bedrijfsgebouwen met uiteenlopende gevelmaten.

Het pakhuis op de hoek van de Zandstraat, Langegracht 65a, heeft een bakstenen tuitgevel met vlechtingen op de hoek. Op de begane grond bevindt zich onder de originele gebogen strek, een later ingebracht en gedeeltelijk uit glas bestaande winkelpui. Op de verdieping zit een kozijn met een gebogen bovendorpel met, jammer genoeg, moderne luiken. In de zijgevel bevinden zich drie gietijzeren stalramen van het type dat in de eerste helft van de negentiende eeuw al in grote series werd vervaardigd.

Aansluitend langs de Langegracht bevindt zich nummer 65 met eveneens een bakstenen tuitgevel met vlechtingen in het metselwerk, afgedekt door een zinken lijst. Op de begane grond bevinden zich ter weerszijden van de toegangsdeur later ingebrachte ramen. De getoogde strek boven de toegangsdeur wordt bekroond met een gevelsteen met kroon. Het betreft hier een met wapenleliën versierde kroon welke verwijst naar de al van ouds gevoerde naam ‘De Fransche Kroon’. In de gevelsteen terzijde van de toegangsdeur staat W v. Deze inscriptie staat voor wijk 5 overeenkomstig de in het begin van de negentiende eeuw gemaakte nieuwe indeling van stadswijken. Op de verdieping van nummer 65 bevinden zich, behalve een pakhuisdeur, vier kleine vierruitvensters die waarschijnlijk origineel zijn.

Ook nummer 63 heeft een bakstenen tuitgevel met vlechtingen. Boven het ijzeren venster op de beganegrond zit een gevelsteen met druiventros die weer verwijst naar de bestemming als wijnpakhuis. Het pand staat ook bekend als ‘De Druyf.

Het volgende pand nummer 61 is vanouds kantoor geweest en het vertrek aan de achterzijde op de begane grond was het privékantoor van de heren Hartevelt. Het mansardedak met moderne dakpannen bepaalt het aanzien van het kantoorpandje, waarin vooral de zesruitsempireramen van de verdieping nog aan de stichtingsdatum (rond 1825) herinneren. Het gebouw vertoont overigens interessante sporen van de bouwgeschiedenis. Aan de achterzijde is een stuk metselwerk uit een vroegere periode te zien waarlangs een bouwnaad loopt. Het muurwerk daarboven zou, afgaande op de steenmaat, uit de achttiende eeuw kunnen stammen. Waarschijnlijk moet aan hergebruik van materiaal bij de bouw van 1825 worden gedacht. In de voorgevel van nummer 61 bevond zich tot 1950 de toegangsdeur van de bovenwoning van de heer Sandberg, in het verleden kassier van Hartevelt. De trap geeft een fraaie betimmering te zien die uit het begin van de negentiende eeuw stamt. In een van de panelen langs de trap vinden we wederom de Franse kroon terug.

Tussen Langegracht 61 en 59 is omstreeks 1950 een klein pandje weggebroken, waardoor een ingang naar het binnenterrein is ontstaan. In 1956 is op het nog open binnenterrein, met inbegrip van de tuin van de toenmalige directeurswoning aan Oude Singel 144, een grote betonnen fabriekshal gebouwd.

Langegracht 59 is van hetzelfde type als de panden Langegracht 63 tot en met 67. Op de begane grond zijn twee zesruits-empirevensters. In de zijgevel bevindt zich een gietijzeren stalraam dat identiek is aan dat in de zijgevel van nummer 67 op de hoek. In dit pand beyond zich in de jaren dertig onder andere het ketelhuis. Behalve aan de Langegracht heeft het bedrijf vanouds gebouwen en een uitgang gehad aan de Zandstraat. Het betrekkelijk modern ogende gebouw aan de Zandstraat, dat direct achter het voormalige pakhuis van nummer 65a ligt, herbergde de eigenlijke distilleerderij.

In het voorafgaande is het Harteveltcomplex in zijn huidige vorm beschreven en hoe dit uit een langdurige bouwgeschiedenis is voortgekomen. Deze bouwgeschiedenis hangt op zijn beurt samen met het ontstaan en de ontwikkeling van het bedrijf. In het vervolg van dit hoofdstuk wordt nagegaan wat daarover bekend is.

 

Het ontstaan van de branderij De Fransche Kroon

Er is in Leidse gerechtsdagboeken uit de zestiende eeuw reeds sprake van het stoken van brandewijn, maar de totale omvang daarvan had nog weinig te betekenen. De vaderlandse branderijen vormden ook daarna in de zeventiende eeuw in het algemeen nog een bescheiden bedrijfstak en het merendeel van de ‘vie’ en de brandewijn kwam vermoedelijk uit Frankrijk. Graan- en fruitjenever werd toen vooral gestookt voor consumptie op de vloot (Schiedam) en in kroegen. Biergebruik was in tegenstelling tot het drinken van sterke drank moreel onomstreden en kwam zeer algemeen voor. Bierbrouwerijen vormden dan ook als vanouds in de zeventiende eeuw een belangrijk onderdeel van de economie. De opmars van de jenever begon eigenlijk pas aan het einde van zeventiende eeuw. Met de kleinere bedrijfjes was het toen wel ongeveer gebeurd; het ging bij het stoken van jenever al gauw om ketels van honderden liters. Ook in Leiden raakte de jenever meer in zwang en er was bij het begin van de achttiende eeuw sprake van een aantal van aanvragen voor branderijen, meest aan de Oude Vest en de Langegracht. De lokatie van bedrijven aan de noordoostelijke zijde van Leiden was waarschijnlijk niet toevallig omdat zodoende, in verband met de heersende windrichting, de overlast van stank en rook voor de rest van de stad kon worden beperkt.

Op de plaats waar het Hartevelt-complex zou ontstaan, in de uitleg van 1611, stonden in het begin van de achttiende eeuw nog woonhuizen. In 1702 kocht Louis Miset één van die woonhuizen aan de Langegracht, nu nummer 61. In 1711 kwamen aan de achterzijde, in een ‘sekere steegh’ negen van de elf huisjes in zijn bezit. De bezittingen van Miset gingen in 1732 over in handen van Julien Parat. Hij liet de huizen slopen en bouwde er een suikerraffinaderij met een uitgang naar de huidige Zandstraat voor in de plaats. Van deze ‘suijkerraffinaarderije’, een imposant bedrijfsgebouw met drie verdiepingen, is een schitterende ontwerptekening bekend waarvan het origineel nu bij het Gemeentearchief Leiden berust. Julien Parat dreef slechts korte tijd zijn raffinaderij en op 20 juli 1733 verkocht hij zijn bezit aan ‘d’heer Meester Dirk de Raet, Raad en regerend Burgemeester deser stad, en Joost Apourcheau’. Deze ‘tussenhandelaren’ deden het geheel op 4 december 1734 met verlies over aan Willem van Aken. Willem van Aken was geen beginneling. Eerder had hij in 1710 tezamen met Gilles Aldenhoven toestemming gekregen een branderij op te richten aan de Vestwal. Ditmaal trad Willem van Aken alleen op en hij ontving toestemming van het stadsbestuur om het voormalig bedrijf van Julien Parat geschikt te maken "tot een branderij omme gedistilleerde wateren daarinne te maken".

Hiermee begon het bestaan van de branderij ‘De Fransche Kroon’. Nadat Willem van Aken in 1735 nog een pand aan de Langegracht had gekocht — vermoedelijk op de plaats van het huidige nummer 59 — stierf hij in datzelfde jaar. De kern van het bedrijf werd op dat moment gevormd door het grote carré-vormige gebouw dat Julien Parat had gesticht en dat ongeveer op het huidige binnenplein moet worden gesitueerd. De zoon Cornelis van Aken erfde het bedrijf en zette de fabricage voort. Uit de boedelbeschrijving, waarin overigens voor het eerst de naam ‘De Fransche Kroon’ opduikt, blijkt dat het bedrijf drie ruw- en twee distilleerketels bezat. Cornelis van Aken kocht daarna in 1737 het pand naast de toenmalige uitgang aan de Zandstraat. Enkele jaren later, in 1742, kon hij ook het aansluitende pand Zandstraat 14 in zijn bezit krijgen. De volgende twee aankopen die hij deed gingen waarschijnlijk zijn financiële vermogen te boven. In elk geval kocht hij in compagnonschap met Cornelis Leembruggen in 1743 een pand dat correspondeert met het huidige nummer 61 en vervolgens in 1749 in compagnonschap met een zekere Van Hoogstraten de steeg ‘in de Poorte’, waarvan de ingang zich ongeveer ter hoogte van het huidige Zandstraat 6 bevond.

De volgende erfgenaam was Willem Corneliszoon van Aken, die blijkbaar de bebouwing aan zowel de Zandstraat als aan de Langegracht aaneengesloten wilde zien. Om dit te bereiken kocht hij in 1759 Zandstraat 12 en in 1764 de tussenliggende panden aan de Langegracht, die deels samenvielen met de huidige nummers 57 en 55. Het complex kwam vervolgens in handen van Cornelis van Loon de Nooy, in compagnonschap met Pieter de Nooy, en vervolgens in die van Jan Willem Le Normant.

 Abraham Harteveld koper van De Fransche Kroon

1780 was een belangrijk jaar voor de fabriek. Abraham Harteveld kocht namelijk volgens het Bonboek op 30 maart 1780 ‘Dit huis en branderije’ aan de Langegracht van Jan Willem Le Normant. De koopsom bedroeg 7000 gulden, te voldoen in 1750 gulden ‘gereed geld’ en aflossingen van 200 gulden per jaar. De uit Voorschoten afkomstige familie Harteveld (toen nog, en tot in het begin van de negentiende eeuw, met een ‘d’ op het eind geschreven) zou vervolgens het bedrijf tot in de twintigste eeuw in haar bezit houden. De fabriek beschikte in 1780 over de, al in de boedelbeschrijving van Willem van Aken genoemde, drie ruwketels voor moutwijn en twee distilleerketels. Verder waren er 31 beslagbakken voor het vergisten van de grondstoffen graan en gerst. Met de overname werd ook de expansie van het bedrijf, die na het midden van de eeuw tot stilstand was gekomen, hervat. Al in 1781 werd de eerste aanzet gedaan om de steeg, die liep van de Zandstraat naar de Volmolengracht, in bezit te krijgen door het kopen van twee huisjes. Verder vond toen nog een uitbreiding plaats met een pand aan de zuidkant van die steeg. Vanaf 1785 zijn bescheiden van de financiële administratie bewaard gebleven. Zo blijkt bijvoorbeeld dat op 22 november 1790 voor ‘De Weledel Geb. Heer Van der Goes alhier voor Een/2 anker genever’ een rekening werd uitgeschreven van zes gulden. Een half anker is twintig liter, dus een liter kwam op zes stuivers. Jenever was in die tijd een kostbaar genotmiddel. Dat was in elk geval voor een deel te wijten aan de hoge rechten die de stedelijke overheden op het stoken van moutwijn (alcohol) legden. In Schiedam was dat niet het geval en daarom begonnen stokers uit andere steden hun moutwijn, die de basis is voor het maken van jenever, uit Schiedam te betrekken. Ook uit de boeken van Harteveld blijkt een belangrijke ‘inslag’ van moutwijn uit Schiedam. Zo bijvoorbeeld in 1788 voor een bedrag van f 98.000,-- en in 1789 zelfs voor f 164.000,--. Bovendien vermelden de journalen geen inkoop van gerst of graan. Er kan geconcludeerd worden dat Hartevelt reeds op het einde van de achttiende eeuw was uitgestookt. Leidse patentregisters uit het begin van de negentiende eeuw, waarin Hartevelt uitsluitend als korenwijnbrander wordt vermeld, lijken dat te bevestigen. Een korenwijnbrander distilleert met behulp van een distilleerketel moutwijn, met een alcoholpercentage van 40-50%, tot korenwijn met een aanzienlijk hoger alcoholpercentage. In de volgende stap van het proces wordt de korenwijn al of niet vermengd met moutwijn in de jenever-distilleerketel opnieuw gedistilleerd. Daarbij worden volgens eigen, vaak geheime, bedrijfsrecepten kruiden en jeneverbessen (beien) toegevoegd. In een jenevermengvat brengt men het alcoholpercentage vervolgens op circa 30%. In de vorige eeuw was het alcoholpercentage overigens aanzienlijk gevarieerder dan nu. Afhankelijk van de hoogte van het percentage leverde Hartevelt Blauwmerk, Paarsmerk en Roodmerk.

 

De negentiende eeuw

Toen Abraham Harteveld in 1793 stierf liet hij alles na aan zijn zonen Adrianus en Joannes, geboren in respectievelijk 1759 en 1764. Behalve het bedrijf bleken zij ook zijn streven naar expansie te hebben geërfd, want de uitbreiding van het complex ging door. In 1803 gingen de gebroeders Harteveld uit elkaar, althans Adrianus verkocht zijn helft van de onderneming voor f 6.250,-- aan Joannes. Hij was blijkbaar de drijvende kracht achter de groei want de reeks aankopen werd in 1805 voortgezet met het volgende, in westelijke richting bij het complex aansluitende, pand langs de Langegracht.

 Tussen 1815 en 1823 werden nog drie panden op de hoek van de Zandstraat en de Langegracht aangekocht. Het fabrieksterrein vormde toen een praktisch aaneengesloten rechthoekig gebied dat voor de komende honderd jaar zijn grootste omvang had gekregen. In diezelfde periode vond ook een ingrijpende verbouwing, eigenlijk nieuwbouw, plaats waardoor het complex zijn huidige vorm kreeg. In 1824, zeer kort na de voltooiing van de nieuwbouw stierf Joannes. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Abraham Hartevelt Joanneszoon, geboren in 1793. Het was toen blijkbaar afgelopen met de groei van het complex. Ook gedurende het verdere verloop van de eeuw, toen nog achtereenvolgens Jacobus, geboren in 1819, en weer een Abraham, geboren in 1845, de onderneming erfden, is er weinig groei te bespeuren. Staten van in- en uitslag die ten behoeve van de accijnsheffing werden bijgehouden, bevestigen dat de omvang van de produktie tussen 1811 en 1887 nauwelijks veranderde. Pas tegen de eeuwwisseling onder Jacob Abrahamszoon, geboren in 1868 en sinds 1890 aan het bewind, begon de produktie te stijgen.

 

 Een jubileum dat 26 jaar te laat werd gevierd

Op 12 mei 1910 vierde het bedrijf zijn 150-jarig bestaan, eigenlijk 26 jaar te laat omdat het werkelijke jaar van stichting 1734 toen nog niet bekend was. Het jaartal 1760 op een sluitsteen die Willem van Aken, de kleinzoon van de stichter van de Fransche Kroon, na het voltooien van een aantal uitbreidingen en verbouwingen had laten aanbrengen, zag men aan voor het jaar van de stichting van het bedrijf. De sluitsteen bevond zich in de poort die toegang gaf tot de toen nog open ruimte achter het bedrijf. Zoals de gewoonte was, bood het personeel de directie een geschenk aan. Dat geschenk, een indrukwekkend album met veel foto’s, is bewaard gebleven. Later ontdekte men het werkelijke stichtingsjaar 1734, maar tot in de dertiger jaren bleef men op de etiketten 1760 als stichtingsjaar vermelden. In 1910 was het produktieproces nog praktisch onveranderd sedert ruim honderd jaar. Evenals aan het einde van de achttiende eeuw waren er twee distilleerketels aanwezig. Die ketels waren overigens wel van modernere constructie en ook groter. Het ging nu om twee

Foto van het fabriekspersoneel in 1910, tweede van rechts zittend meesterknecht Rijnbende (foto Bols Benelux Bv)

distilleerkolven van respectievelijk dertig en vijftig hectoliter. Het gedistilleerd eindprodukt was tijdelijk opgeslagen in een van de tiers beschikbare reservoirs waarvan vier van negentig hectoliter inhoud. Daarnaast was er een entrepot waar onder zogenaamde"rijksversluiting" zevenhonderd hectoliters jenever waren opgeslagen. De jenever werd nog voor het leeuwedeel van de afzet traditioneel op fust afgeleverd, maar er was ondertussen ook al sprake van een eerste, nog primitieve, bottellijn voor het afvullen van de flessen.

In het gebouw De Kroon, thans Langegracht 65, bediende aan het begin van de lijn een arbeider de hevelpomp die gekoppeld was aan een reservoir van dertig hectoliter en vervolgens werden de flessen aan een lange tafel met behulp van een kleine met een hefboom bediende sluitmachine afgesloten. De flessen werden daarna in een rij neergelegd op de tafel en een derde arbeider plakte daarna de fraaie etiketten met de Fransche Kroon op de fles. Tenslotte was er een vierde arbeider, die de kelderflessen in kistjes, ook wel geheten keldertjes, van zes of twaalf flessen pakte. Kelderflessen waren flessen met een vierkante doorsnede en een naar de bodem toe taps verloop. Dit model maakte het mogelijk de flessen met tussenvoeging van stro goed sluitend en stootvast in de kist te plaatsen. De fabriek nam met alle depots, de kelders, de zolders, de kuiperij en de eigenlijke branderij een oppervlakte van ruim 2000 vierkante meter in beslag. Toch werkten in dit complex rond 1910 niet meer dan negen knechts onder leiding van de meesterknecht.

Uit het jubileumalbum komt een foto waarop, met ernst en staatsie als betrof het een schuttersstuk, het voltallig fabriekspersoneel poseert. Tweede van rechts zittend is de meesterknecht N. Rijnbende, die later opgevolgd zou worden door één van de beide broers Westrienen die werkzaam zijn bij Hartevelt. De opvolger heeft ter linkerzijde van Rijnbende plaatsgenomen, nog juist op het eerste gelid. In het midden troont breeduit de nestor A.C. Alberse met dooraderd voorhoofd. De knechts van Hartevelt steken solide in het zondagse pak; zij verschillen in dit opzicht nauwelijks van het kantoorpersoneel. Dit zijn handarbeiders, die zich onmiskenbaar tot de fatsoenlijke stand rekenen.

Uit het album komt ook een intrigerende foto van het privékantoor van Jacob Hartevelt Abrahamszoon die op dat moment de directie voert, al weten we niet zeker of hij zich toen al directeur noemde. Het licht van de namiddag komt door de hoge empireramen naar binnen, de lancastergordij nen met franje zijn hoog opgetrokken. De attributen van de kantoorarbeid zijn op één van de tafels op een eilandje gestapeld. Op het schrijfbureau ligt een rol papier, misschien een bouwtekening. Het vertrek maakt een verlaten indruk. J. Hartevelt Azn. heeft, anders dan zijn fabrieks- en kantoorpersoneel, niet zelf voor de fotograaf willen exposeren.

Wat de foto ook niet toont zijn de lange rijen in varkensleer gebonden jaarjournalen, op datum gerangschikt vanaf 1785. Het is bekend dat die in dit kantoor werden bewaard. Aan gewaardeerde bezoekers werd hier ook wel de geldkist van de stichter Abraham Harteveld getoond, alsook de twee achttiende-eeuwse schilderijen van W. Delin, waarvan er een Lodewijk XIV voorstelde in bedwang gehouden door de Hollandse Leeuw. Blijkbaar een tegenwicht voor de Fransche Kroon. De schilderijen bevinden zich thans in het stedelijk museum de Lakenhal te Leiden.

 

In de Eerste Wereldoorlog

In het statige privékantoor is naar alle waarschijnlijkheid in 1916 de beslissing gevallen om de lonen van de knechts te verhogen van f 11,50 tot f 13,00 per week. De meesterknecht Rijnbende had op 23 september 1916 om die verhoging verzocht. Hij had er aan toegevoegd: ‘zonder verder recht op enige andere toekenning, maar wel met het verzoek het beloofde stortloon van september 1915 tot en met september 1916 — f 173,40 uit te keren daar er sommigen zijn die al inkopen zoals cookes en zo hebben gedaan met de conditie te betalen bij ontvangst van de bovengenoemde gelden’. De bedrijfsresultaten gaven eigenlijk allerminst aanleiding tot loonsverhoging. Een al voor de aanvang van de wereldoorlog ingezette omzetdaling als gevolg van een accijnsverhoging had zich in de eerste oorlogsjaren doorgezet.

Bewaard gebleven correspondentie wijst er op dat de lasten van de door het Rijk geëiste borgtocht voor verschuldigde accijns financieel bezwaarlijk werden. Wat besliste de directie op het voorstel van Rijnbende?

Uit op de brief gemaakte aantekeningen blijkt dat men het stortgeld voor de voorgestelde loonsverhoging had willen gebruiken. Men moest het echter nu, gezien de toevoeging van Rijnbende die ook al had doorgedacht, in een andere richting zoeken. De oplossing diende zich al spoedig aan: men had al eerder aan een zekere Andries de Kuiper moeten mededelen dat men hem niet voor vast in dienst kon aannemen. Toen Andries niet lang daarna te kennen gaf zijn heil dan maar ergens anders te gaan zoeken werd besloten dat het vrijgekomen weekloon van Andries nu kon helpen om de knechts hun loonsverhoging van f 1,50 per week toe te staan. Op 21 oktober 1915 vierde Jacob Hartevelt zijn zilveren jubileum als hoofd van de firma. Jac. Schots Ibz. de procuratiehouder sprak zijn ‘Waarde chef’ toe. De aantekeningen van zijn speech zijn bewaard gebleven. Hij roemde de kwaliteiten van zijn chef als ‘solide fabrikant’ en ‘mensch in den ware zins des woords’ en de spreker stond stil bij ‘uw eigen kijk op zaken die wel eens protest uitlokte’ al bleek later gewoonlijk ‘dat onze Heer J.H. Zn ‘t nog niet zo heel erg bij het verkeerde eind had’. Schots wist overigens dat de jubilaris steeds iedere daad streng aan zijn consciëntie toetste, ‘soms als zakenman te streng’. Daarna richtte de meesterknecht Rijnbende zich tot zijn ‘Geachte Heer! en Patroon!’ en ook hij had zijn toespraak op papier voorbereid. Hij memoreerde dat zijn patroon ‘voor alles te Vinden was als het tot welzijn der firma’ en ‘verbetering der fabricatie strekte’. Wat de ‘Verhouding van u tegenover u Ondergeschikte personeel betreft’ getuigde Rijnbende dat het hoofd der firma een rechtschapen patroon was welke ‘zoals l.l. maand noch gebleken heeft Zijn volle medewerking te verleene om de laste door de tegenwoordige tijdsomstandigheden te Verlichte’. Rijnbende doelde hier op zijn in de maand daarvoor gehonoreerde verzoek om loonsverhoging voor de knechten.

Twee jaar daarna, op 2 november 1917, overleed op negenenveertigjarige leeftijd Jacobus Hartevelt Abrahamszoon, enig lid van de firma en de laatste van het geslacht van distillateurs dat sinds 1780 onafgebroken het bedrijf had bestuurd. Op 15 juni 1918 werd op het kantoor van Notaris Vijgh te Leiden de akte getekend die de omzetting van de firma in een naamloze vennootschap op aandelen bezegelde. Het vanouds bekende Hartevelt en Zoon bleef echter bewaard in de naam van de NV die luidt: Distilleerderij De Fransche Kroon, voorheen Hartevelt en Zoon. Dora Bohn, de weduwe van Jacobus, trad op voor haar minderjarige dochter Maria Coenradina Hartevelt. In de vennootschap bracht zij in: de distilleerderij de Fransche Kroon met inbegrip van twee distilleerketels, een reservoir met staande pomp, erf, pakhuis, branderij en kuiperij alsmede het recht op alle handels- en fabrieksmerken van de firma. Dora Bohn kreeg daarvoor betaald f 238.375,04 waarvan f 100.000,– in honderd aandelen à f 1000,–. In totaal werd er op dat moment voor f 250.000,–  aan aandelen uitgegeven, althans volgestort.

De tweede belangrijke aandeelhouder was Jacob Schots Jacobszoon, eerder procuratiehouder van de firma. Schots nam deel voor vijftig aandelen. Hij werd tevens benoemd tot directeur van de vennootschap met een jaarsalaris van f 3800,–. De boekhouder Lucas Verkoren bevorderde men tot adjunct-directeur tegen een jaarsalaris van f 2000,–. Voorzitter van het college van drie commissarissen werd prof. mr. Alibert Cornelis Visser van IJzendoorn. Of er toen al aan ‘overvallen’ werd gedacht staat niet vast, maar een feit is dat men de nodige voorzorgen in acht nam. Dora Bohn, de directeur en de commissarissen hielden de meerderheid van de aandelen in handen, terwijl overdracht van de op naam gestelde aandelen alleen met toestemming van de commissarissen mogelijk was. Verder werd er een degressief stemrecht ingesteld waardoor de macht van een enkele groot aandelen-bezitter werd beperkt. Voor het personeel bleef de verandering niet geheel zonder gevolgen: er werd een pensioenfonds gesticht.

 

Het interbellum

In de twintiger jaren werkten er nauwelijks meer mensen in de fabriek dan tijdens de eeuwwisseling, namelijk doorgaans een man of tien inclusief de meesterknecht. De arbeidsorganisatie op de fabrieksvloer hield men in de jaren twintig nog erg eenvoudig: de meesterknecht was de baas van het fabriekspersoneel en zag toe op alle werkzaamheden. Dat toezicht strekte zich ook uit tot het ongeoorloofd gebruik van jenever onder werktijd. Om dat tegen te gaan was onder andere de regel ingesteld dat iedere werknemer recht had op twee glaasjes per dag, om twaalf uur en om half zes aangereikt door de meesterknecht vanachter een loketje. Van arbeidsdeling was in zoverre sprake dat het kuipwerk, het stoken en het werk in de tapafdeling uiteenlopende, praktische specialisaties vergden. Een enkele oudere en ervaren arbeider kon niettemin in geval van nood op alle plaatsen van het produktieproces invallen. Gespecialiseerde kuipers waren als regel gewezen Katwijkse vissers; met reparatie van vaten waren zij immers bekend. De vaten bleven ook nadat het bedrijf een NV was geworden de letters hv&z dragen, wat staat voor Hartevelt en Zonen. Het schilderen van het lettermerk op de vaten werd in de stille tijd op het bedrijf verricht of anders op vrijwillige basis tegen een kleine vergoeding als thuiswerk. In 1926 werd de firma Prost & Co in ‘s-Hertogenbosch overgenomen en omgezet in een filiaalbedrijf. In de overname waren ook de likeurrecepten van de Firma Prost & Co begrepen en dat vormde de aanleiding om het assortiment op het gebied van likeuren uit te breiden. Likeur werd als vanouds op fles geleverd, de andere produkten voor het grootste deel nog op fust of in mandflessen. De verre klanten kregen hun waar per boot aangevoerd. Van tijd tot tijd meerde er in de Langegracht een beurtvaarder af die het gedistilleerd aan boord nam.

De laatste afbeelding toont een kade vol vaten. Het gaat hier om een moment met een uitzonderlijk grote afzet gestimuleerd door de voor de deur staande accijnsverhoging van 1930. Meer nabij wonende klanten kregen de jenever per paard en wagen of ook wel met een handkar aangevoerd. De handkarren bestonden uit twee lange bomen waartussen de vaten een onwrikbare plaats vonden. Naast de landelijke ‘prima jenever’ maakte Hartevelt het zogeheten ‘leids type’, harder en scherper want de Leidenaar wilde een prikkel in de keel.

Leiden kende in die tijd wel meer dan negentig vergunningszaken en een vat van honderd liter was er in menig café al binnen tien dagen doorheen. Een glas jenever aan de toog koste toen zoiets als een stuiver. P. van der Marel, tot 1968 procuratiehouder van Hartevelt, sprak in een interview met het Leidsch Dagblad van 1 maart 1985 van echte Leidse jeneverzaken als het café de Plantage en de tapperij van Mientje Kunst in de Beschuitsteeg. Tot de vaste afnemers van Hartevelt behoorde ook café Hoogeveen, later café Van de Bos aan de Korte Mare waar veel wevers kwamen. Het café was bekend om de extra sterke borrel die er werd geschonken. Van der Marel herinnerde zich nog dat Hartevelt speciaal voor deze afnemer jenever van 40% alcohol (in plaats van de gebruikelijke 34%) leverde.

In de loop van 1930 begon de internationale economische malaise ook greep te krijgen op het leven in Nederland. Hoe reageerde Hartevelt? Van directeur Verkoren die vanaf 1931 het bewind voerde, is de uitspraak bekend: ‘Het kan zo slecht niet gaan of er is altijd nog wel geld om de ellende weg te drinken.’ De statistieken spraken overigens een andere taal en Verkoren nam die eenvoudige gedachte ook niet zonder meer tot uitgangspunt voor zijn beleid. Hij koos een offensieve strategie. In 1930 werd naast de Prima Jenever Hartevelt een nieuw type in de handel gebracht: ‘Zeer Oude Hartevelt’. Deze jenever bleef tot na de Tweede Wereldoorlog het belangrijkste produkt van Hartevelt. In 1932 was er een aanzienlijke uitbreiding van de fabriek. Een achter het bedrijf gelegen smederij werd afgebroken en op deze plaats kwamen twee nieuwe distilleerketels te staan. Een foto van omstreeks 1910 toont de oude ketels. De situatie na de fabrieksuitbreiding en vernieuwing van de ketels in 1932 is te zien op een foto die omstreeks 1948 is gemaakt. Eveneens in 1932 vond de overname plaats van de ‘Wijnkoperij De Coch en Cleveringa’ te Gro-ningen. Op het eerste gezicht niet de meest voor de hand liggende toevoeging aan de distilleerderij Hartevelt. Echter ‘De Coch en Cleveringa’ beschikte over een wijnvergunning en anders dan de naam doet vermoeden gaf een wijnvergunning het recht gedistilleerd in hoeveelheden kleiner dan tien liter af te leveren. Met een wijnvergunning kon dusdoende ook voor kleinere afnemers de tussenhandel worden uitgeschakeld.

De belangrijkste slag in de strijd om het bestaan in de crisisjaren sloeg Hartevelt in 1935 met de overname van T.H. Ritman & Co, distillateurs, en eveneens gevestigd aan de Langegracht te Leiden. Ritman was fabrikant van de ‘Oprechte oude Schiedammer Gentleman jenever’ en vormde een geduchte regionale concurrent voor Hartevelt. Tussen het personeel van Hartevelt en dat van Ritman had steeds de nodige animositeit bestaan. Wanneer Van Gend & Loos op zijn rit langs de Lange-gracht ledige retourfusten kwam afleveren liep het personeel van Hartevelt uit om te zien hoeveel ledige vaten bij Ritman terecht kwamen. De omvang van de retouremballage was immers een goede maat voor de omzet. Al met al doorstond Hartevelt de crisisjaren uitstekend. Hoewel de omzet van gedistilleerd in Nederland in de jaren dertig bijna werd gehalveerd nam bij Hartevelt het produktiepersoneel toe van elf man tot negentien. De produktie moet evenredig hiermee zijn gestegen.

 

In de Tweede Wereldoorlog

Het bedrijf heeft niet van direct oorlogsgeweld te lijden gehad. Wel had men te kampen met teruglopende bedrijvigheid als gevolg van de opgelegde rantsoenering. In 1942 mocht nog 50% van de omzet uit het ijkjaar 1939 worden uitgeleverd. In 1944 werd dat percentage verlaagd tot 30%. De toewijzing van ruwe alcohol werd dienovereenkomstig verlaagd. Er ontstond een personele overbezetting, niet alleen omdat de produktie terugliep maar ook omdat de vertegenwoordigers werk op het bedrijf zochten. De noodzaak om een vertegenwoordiger op de weg te hebben verviel omdat de toegewezen rantsoenen zonder meer graag werden afgenomen. Jenever was in de oorlogstijd schaars en felbegeerd. Door met grotere zorgvuldigheid te distilleren kon men de aan distilleerderijen ‘der eerste klasse’ toegestane marge voor bedrijfsverlies van 11/2% deels benutten voor het maken van een bescheiden hoeveelheid jenever boven hetgeen op grond van de rantsoenering moest worden geleverd. De marges bleven overigens smal en concessies aan de kwaliteit (alcoholpercentage) of verzuim in de uitlevering van de rantsoenen heeft men zich bewust niet willen veroorloven. Ook veraf wonende of kleine klanten liet men steeds aan hun trekken komen. Na de oorlog bleek dit een verstandig commercieel beleid te zijn geweest.

In 1942 was er feest bij Hartevelt: directeur Lucas Verkoren die in 1902 in dienst trad vierde zijn veertigjarig jubileum. In het Gulden Vlies werd met het kantoorpersoneel gedineerd. Het menu vermeldde onder andere gebakken wijting en Alaska-ijs na. Eén van de vertegenwoordigers lanceerde een feestlied. Op de wijze van Lily Marleen, de schlager van de eeuw, ging dat als volgt:

 Op een gracht in Leiden Staat de Fransche Kroon Van 1734 Hartevelt en Zoon Daar maakt men iets voor weinig geld

Waarop een ieder is gesteld: De oude Hartevelt Waarop een ieder is gesteld: De oude Hartevelt.

Sommigen hielden het op de lippen toen ze tegen de avondklok van tien uur, die in 1942 gold, weer buiten stonden en zo klonk de deun nog even na in de verduisterde Breestraat.

In 1943 werd Hartevelt, evenals veel andere bedrijven, ‘gesauckeld’. De actie, zo genoemd naar de verantwoordelijke Duitse functionaris Fritz Sauckel, hield in dat Duitse politie het bedrijf onverwachts binnen viel en aan de hand van de salarisstaten of personeelslijsten mensen vorderde voor tewerkstelling in Duitsland. Hartevelt verloor aanvankelijk vier werknemers, maar na overleg met de Arbeidsbeurs konden er drie weer terugkeren naar het bedrijf. De oorlogsjaren overziende blijkt dat bedrijf en personeel geen zeer ernstige dingen zijn overkomen. De onderneming is niet ingeschakeld geweest voor leveranties aan de bezetter maar economisch is het Hartevelt desondanks niet al te slecht gegaan. Er is in de oorlogsjaren minimaal een dividend van 13% uitgekeerd. In het laatste oorlogsjaar maakte men al plannen voor naoorlogse expansie en nieuwbouw aan de Langegracht.

Groei en... overname

In 1967, toen de overname door Bols voor de deur stond, kon het bedrijf terugzien op een naoorlogse periode van ongekende expansie. Directeur Van Dam, die in 1953 alleen aan het bewind was gekomen, betoonde zich een succesvol ondernemer. Hartevelt was in 1967 uitgegroeid tot een volwassen industrieel bedrijf. In de royaal betegelde produktiehallen mechaniseerde men het spoelen van de retourflessen, het vullen, het etiketteren en het aanbrengen van de capsules en etiketten voor de grote bulk van de produktie. Die bulk bestond toen uit oude jenever, jonge jenever en citroenjenever. De verschillende machines in de grote produktiehal schakelde men aaneen tot een bottellijn, in het bedrijf hardnekkig ‘lopende band’ genoemd, met een capaciteit van uiteindelijk circa 3000 flessen per uur. Daarnaast leverde het bedrijf, als een van de laatste in Nederland, op verzoek nog jenever op fust af. Het vullen van de vaten gebeurde in dat geval uit bovengrondse reservoirs in het taplokaal. Het inlijven van andere bedrijven bij Hartevelt ging ook in de naoorlogse jaren door. In 1948 werd de Distilleerderij J.H. Hoogstraten, in het bezit van een wij nvergunning en gevestigd op de Lange Mare, overgenomen. 1949 was Benschop, een bitter- en elixerfabrikant gevestigd op de Hogewoerd, aan de beurt en in 1963 volgde de likeurfabrikant ‘De Condor’ voorheen Wilhelm Schudel & Co van de Papengracht. Na een paar minder geslaagde exportpogingen in de eerste naoorlogse jaren concentreerde men zich vooral op de binnenlandse markt en met succes. Het personeel groeide van 28 in 1945, tot circa honderd in 1967. Hartevelt was toen inmiddels van een in de eerste plaats regionaal georiënteerde distilleerderij uitgegroeid tot een onderneming die één van de grote landelijke merken voerde. De omzet verdrievoudigde bijna sinds 1953, terwijl het aandeel in de markt van gedistilleerd in Nederland van circa 5% in 1953 toenam tot naar schatting 8 a 10% in 1967. Hartevelt bezette op dat moment de derde plaats in de rangorde van vaderlandse distilleerderijen. Op de eerste plaats troonde Bols, onaantastbaar met zijn marktaandeel in de orde van grootte van 50%. De commissarissen van de NV hielden sinds de oprichting steeds een flinke vinger in de pap. Voorzitter van het college van commissarissen was A.F. Visser van IJzendoorn die in 1924 zijn vader als zodanig opvolgde.

De commissarissen legden Hartevelt in de naoorlogse jaren een behoudend financieel beleid op. De naoorlogse expansie van het bedrijf, die uitbouw van de fabriek en de aanschaf van nieuwe machines vereiste, kwam geheel door zelffinanciering tot stand. Ook het grote omlopende bedrijfskapitaal dat ging zitten in grondstoffen, verpakking en vooral in de voor te schieten accijnzen, werd geheel uit eigen middelen gefinancierd. Alleen in de maand december als door de feestdagen de omzet pijlsnel omhoog schoot moest er wel eens een beroep op de Twentsche Bank, de vaste bankier van het bedrijf, worden gedaan.

Toch was de situatie van het bedrijf in 1967 niet onbewolkt. Hartevelt was een besloten vennootschap op aandelen. De positie van de aandeelhouders van dit familiebedrijf was sinds de oprichting in 1918 niet gewijzigd. Door vererving waren de aandelen echter langzamerhand in handen geraakt van mensen die hun bezit vooral zakelijk taxeerden en door de langdurig volgehouden zelffinanciering bij grote groei was Hartevelt een ‘binnenvetter’ geworden. De aandelen konden, zoals gezegd, alleen met toestemming van de commissarissen verhandeld worden en die stelden zich zeer terughoudend op. Zij wilden elke kans dat buitenstaanders invloed krijgen in de aandeelhoudersvergadering uitsluiten. Door de lang volgehouden zelffinanciering bleef de uitkering van het dividend waarschijnlijk achter bij de verwachting. Weliswaar liep in de naoorlogse jaren het dividend wel op tot in de orde van grootte van 40% van de nominale waarde van de aandelen, doch gelet op de sterk toegenomen waarde van het bedrijf was dat niet hoog. Dit, gevoegd bij het feit dat de aandelen niet of heel moeilijk verhandeld konden worden, leidde er toe dat de eigenaren van het bedrijf slechts in beperkt direct financieel voordeel konden genieten van de gunstige gang van zaken in de onderneming. De financiële structuur zou, hoe dan ook, vroeger of later een rem op de verdere ontwikkeling van het bedrijf gaan vormen. Men was er echter nog lang niet aan toe naar de beurs te gaan om zich via een aandelenemissie zich de nodige armslag voor verdere investeringen te verschaffen. Maar ook veel minder vergaande plannen van directeur Van Dam om kapitaal via een obligatielening aan te trekken konden geen genade vinden in de ogen van de commissarissen.

Er was nog een ander knelpunt in de verdere groei van de onderneming, noodzakelijk om ook in de toekomst tegen de concurrentie opgewassen te blijven. Hartevelt was namelijk ondanks veel verbouwingen en aanpassingen uit zijn jasje gegroeid. De beschikbare ruimte aan de Langegracht was te klein en bovendien ondoelmatig. In het onoverzichtelijke complex van fabricageruimten, magazijnen en kantoren was nog steeds de kleinschalige stadsplattegrond uit de achttiende eeuw te herkennen. Moderne elektronische ‘piepers’ ontbraken nog en het kostte minstens een kwartier om iemand die even in de fabriek moest zijn op te sporen. In 1967 was de situatie zo verergerd, dat de produktie van ten hoogste drie dagen kon worden opgeslagen en dan nog met grote moeite. Aan het knelpunt van de beschikbare ruimte werd met meer voortvarendheid gewerkt dan aan dat van de financiële structuur. Plannen voor een drastische uitbreiding en reconstructie van het complex aan de Langegracht lagen gereed. Praktisch de gehele buiten Hartevelt resterende bebouwing in het blok tussen Langegracht, Zandstraat, Oude Singel en Volmolengracht was al opgekocht. Als die plannen waren gerealiseerd zou alles tegen de vlakte zijn gegaan, ook het Van Assendelftshofje. De Langegracht zou er dan, wat dit gedeelte betreft, heel anders hebben uitgezien dan nu her geval is. De grote concurrent Bols intussen was wat de financiële structuur betreft al sinds lang beter bij de tijd dan Hartevelt. Wat echter de huisvesting aangaat was de situatie in de eerste helft van de jaren zestig nog vergelijkbaar met die van Hartevelt. De ruimte voor de produktie in de hoofdvestiging van Bols aan de Rozengracht in Amsterdam werd te krap en voor het in steeds grotere hoeveelheden vervaardigde gedistilleerd was nauwelijks nog opslagruimte te vinden. Anders dan Hartevelt zocht Bols de oplossing niet in uitbreiding en reconstructie van de bestaande gebouwen in de binnenstad. Enige jaren voordat Hartevelt in staat was om werkelijk te beginnen met de geplande uitbreiding voltooide Bols al in Nieuw-Vennep, tussen Leiden en Amsterdam in, een geheel nieuwe fabriek. Door de gemakkelijker toegang tot de kapitaalmarkt kon het bedrijf slagvaardiger zijn dan Hartevelt. Daarbij viel het insiders, zoals bijvoorbeeld de accountant van Hartevelt, reeds op dat de capaciteit van de installaties in Nieuw-Vennep ruimschoots de, overigens toen al niet geringe, eigen afzet van Bols overtrof. Het liet zich raden dat Bols, behalve met verdere eigen groei, ook rekening hield met de mogelijkheid van overname van de produktie van één of meer belangrijke mededingers. In de loop van 1967 was het zover: via de commissarissen werden de aandeelhouders van Hartevelt door Bols benaderd. Er volgden omzichtige besprekingen en het personeel, dat door het verzamelen van gegevens ten behoeve van Bols op de hoogte raakte, kreeg geheimhouding opgelegd. In december viel de beslissing. Secretaris ter Directie mr. Schots, een kleinzoon van de eerste directeur van Hartevelt, noteerde droogweg het besluit om de aandeelhouders van Hartevelt te adviseren accoord te gaan met een aanbod van Bols tot aandelenruil. Blijkbaar werd dat advies zonder veel bedenkingen opgevolgd want spoedig daarna kwam de zaak in de openbaarheid. Het Amsterdamse Parool van 12 januari 1968 meldde: ‘De Amsterdamse distilleerderij Erven Lucas Bols heeft een bod op de aandelen Hartevelt in Leiden gedaan. De aandelen Hartevelt kunnen worden omgeruild in aandelen Bols. De eventuele fusie tussen de beide bedrijven zal geen ontslagen voor het personeel tot gevolg hebben, aldus een verklaring van de directie van Bols. Hartevelt zal als zelfstandig bedrijf blijven bestaan.’

De Telegraaf van 13 januari voegde daar nog aan toe dat de oorzaak van de fusie niet was te zoeken in dalende omzet of andere verstoringen van de afzet, maar dat het ging om versterking van de concurrentiepositie. Zo ging dan, bijna tweehonderd jaar na de overname van Van Aken door Hartevelt, Hartevelt op zijn beurt in andere handen over. Voor het personeel was het schokkend maar van buitenaf bezien was het geen opzienbarend feit. In de wereld van de distilleerderijen was concentratie door onderlinge overname of opkoop al sinds de vorige eeuw aan de gang. Zoals in het voorgaande is beschreven, had Hartevelt daar zelf volop aan meegedaan door, telkens als de gelegenheid zich voordeed, grotere of kleinere bedrijven in te lijven.

 

Na de overname

Onder het personeel werd gefluisterd dat sommige aandeelhouders van Hartevelt door de aandelenruil in één klap miljonair waren geworden. Maar ook het personeel ging er wat de materiële arbeidsvoorwaarden betreft zeker niet op achteruit en gedwongen ontslagen zijn er niet gevallen. Directeur Van Dam, die in functie bleef en die de motor achter de grote nieuwbouwplannen was geweest, had het er moeilijk mee dat die plannen van vandaag op morgen werden afgelast. Het Van Assendelftshofje was echter gered en ook de situatie van de historische fabrieksgebouwen van Hartevelt bleef ongewijzigd. In 1969 werd, gestimuleerd door Bols, zeer feestelijk het vijftigjarig jubileum van directeur Van Dam gevierd. Het was tevens zijn afscheid. Hij werd nog opgevolgd door één van de procuratiehouders, L. Woldendorp, maar de ontmanteling van het produktiebedrijf in Leiden was toen reeds in gang gezet. De twee grote distilleerketels en de citroenjeneverketel gingen op de schroothoop. Een vierde kleine ketel vond nog een bestemming bij Bols in Nieuw-Vennep. Spoedig daarop werd het produktiepersoneel te werk gesteld in NieuwVennep. Tot in 1971 hebben de gebouwen aan de Langegracht nog dienst gedaan als één van de vier regionale distributiecentra van Bols. Het doek viel definitief toen men tengevolge van een interne reorganisatie bij het concern de distributie in Nieuw-Vennep concentreerde en de gebouwen aan de Langegracht aan de gemeente Leiden verkocht. In 1983 werden de panden Langegracht 57 tot en met 65a, die tezamen de historische kern van Harteveltcomplex vormden, geplaatst op de gemeentelijke monumentenlijst. De gebouwen werden een tijd gebruikt door de Universiteitsbibliotheek. Op het ogenblik zijn er diverse culturele groepen en nonprofit-instellingen blijvend in gehuisvest. Het Harteveltcomplex vormt nu een goed voorbeeld van bescherming, behoud en hergebruik van een industrieel monument in Leiden.

 

Dit stuk is geschreven door H.J. Budel voor de bundel Leids Fabrikaat, een stadswandeling langs het industrieel erfgoed, onder redactie van C.B.A. Smit en H.D. Tjalsma, (Utrecht: uitgeverij Matrijs en de Stichting Industrieel Erfgoed Leiden, z.j.).
 

            

                

 Opa Rijnbende met zijn personeel in 1910( 2e van rechts) en met bloknote en potlood in de hand de werkzaamheden controlerende 

 

                                                       

Opa Nicolaas 1869-1934                       Piet, mijn vader, 1908-1983                              Hans, 1939                                            

"Meesterknecht" bij                 Vertegenwoordiger bij                "Schoolmeester" en docent

Hartevelt in Leiden                 Hartevelt en Amstelbrouwerij                muziek

 

                                             

       Pieter 1967                                                                Moritz 2003

adjunct directeur bij V.V.E.                                                scholier

 

 

         

 

Mijn vader, Piet Rijnbende, geboren 1 maart 1908, was vanaf 1932 vertegenwoordiger bij Hartevelt te Leiden aan de Langegracht. In 1945 werd hij vertegenwoordiger bij de Amstelbrouwerij, hoofdvertegenwoordiger, Inspecteur, weer later hoofd-Inspecteur en assistent verkoopleider bij dezelfde brouwerij waar hij meer dan 25 jaar werkte.

In al die jaren reed mijn vader in de meeste verschillende auto's, het vermelden waard. Tegenwoordig is een auto heel gewoon, maar in de jaren '30 reden niet veel mensen in Oegstgeest, mijn geboortedorp, in een auto.

 

                                        Voor zijn 1e auto in 1932

 

 

               

            een bakbeest (1935)

                                                                                               

 

 

                                        

 

   

 

 

 

 

                                                1936

                                            1938

 

 

                                                   

                                                                         Noordwijkerhout 1947

               

                                    1948                                                                                1948

              

                                                                1949

 

                                        1954

 

 

 

9

                                                        1957

 

 

                    1955                                                                  1958

 

Toen mijn vader in 1973 gepensioneerd werd schreef hij enige oorlogs-en jeugdherinneringen op. Jammer, dat er niet meer bewaard is gebleven.

 

 

LEIDSE HERINNERINGEN

                                                                                     door J.P. Rijnbende (1908)

 AUGUSTUS 1914

 

De eerste wereldoorlog was uitgebroken. Als een zeker afscheid werden wij getrakteerd op heerlijk belegde broodjes met rosbief,ham, kaas etc, want alle levensmiddelen gingen op de bon.

 VIS

Zo was er in de gemeente Leiden ook een visafslag, welke om acht uur begon. Wij stonden dan om vier uur op om onze bonnen, voor een gezin van tien personen, bij de eerste te zijn om een portie vis te kunnen bemachtigen. Dit vond plaats achter het stadhuis van Leiden door een zekere heer Kuys.

                                                    stadhuis van Leiden voor de brand van 1929

                                                        fotocollectie Patrick Galjaard

Vanzelfsprekend werd er ook in die tijd veel in die rantsoenbonnen gehandeld en kon men nog enigszins in leven blijven.

Gelukkig waren wij toen neutraal, zodat de oorlog zich buiten onze grenzen afspeelde. Deze was ongekend hevig, van man tot man en hebben België en Noord-Frankrijk met de loopgravenoorlog hier verschrikkelijk onder geleden.

 STOKEN

 Met stoken was het in die tijd ook behelpen, daar als verwarming gewerkt werd met de z.g. potkachels en in de keuken het kolenfornuis. Deze werden gestookt met cokes, turf en houtblokken, daar antraciet zeer schaars was en in die tijd niet te betalen. Men verzon in die tijd zo veel mogelijk dingen die nut konden hebben en zo was ook de zakketel zeer in trek. Op de kachel of fornuis lagen ringen met deksel als middelpunt en kon men de ketel of pan in verschillende maten op het vuur zetten. Als regel waren de kachel of fornuis van ijzer, dus was er veel poetswerk te doen met kachelglans.

Wij maakten in die tijd zelf beslag voor brood en brachten dat in blikken bij de bakker, die het voor ons in de oven bakte. Heerlijk wit-en tarwebrood.

 KOFFIE

Koffie werd gemalen met de hand-koffiemolen, vergelijkbaar met een stoof, waar bovenop een koperen inlaat met schijf + slinger. Door een metaal raderwerk werd de koffie fijn gemalen en viel onderaan in een laatje. Later werd dit een wandkoffiemolen. Wij dronken toen ook veel namaakkoffie, gebrande erwten, z.g. P-koffie.

 VERLICHTING

 Als verlichting hadden we gas. Een lamp met de z.g. gas-kousjes. Wanneer men het gas aanstak, begonnen deze kousjes te gloeien en gaven ze enige tijd behoorlijk licht.

Als bijverlichting hadden we petroleumlampjes met lang-of bol lampeglas. Ook voor het koken gebruikte men petroleumstellen, vooral voor het sudderen van vlees.

Vanzelfsprekend werd er ook in die tijd veel in die rantsoenbonnen gehandeld en kon men nog enigszins in levenblijven. Gelukkig waren wij toen neutraal, zodat de oorlog zich buiten onze grenzen afspeelde. Deze was ongekend hevig, van man tot man en hebben België en Noord-Frankrijk met de loopgravenoorlog hier verschrikkelijk onder geleden.

 STOKEN

 Met stoken was het in die tijd ook behelpen, daar als verwarming gewerkt werd met de z.g. potkachels en in de keuken het kolenfornuis. Deze werden gestookt met cokes, turf en houtblokken, daar antraciet zeer schaars was en in die tijd niet te betalen. Men verzon in die tijd zo veel mogelijk dingen die nut konden hebben en zo was ook de zakketel zeer in trek. Op de kachel of fornuis lagen ringen met deksel als middelpunt en kon men de ketel of pan in verschillende maten op het vuur zetten. Als regel waren de kachel of fornuis van ijzer, dus was er veel poetswerk te doen met kachelglans. Wij maakten in die tijd zelf beslag voor brood en brachten dat in blikken bij de bakker, die het voor ons in de oven bakte. Heerlijk wit-en tarwebrood.

 KOFFIE

 Koffie werd gemalen met de hand-koffiemolen, vergelijkbaar met een stoof, waar bovenop een koperen inlaat met schijf + slinger. Door een metaal raderwerk werd de koffie fijn gemalen en viel onderaan in een laatje. Later werd dit een wandkoffiemolen. Wij dronken toen ook veel namaakkoffie, gebrande erwten, z.g. P-koffie.

 VERLICHTING

 Als verlichting hadden we gas. Een lamp met de z.g. gas-kousjes. Wanneer men het gas aanstak, begonnen deze kousjes te gloeien en gaven ze enige tijd behoorlijk licht. Als bijverlichting hadden we petroleumlampjes met lang-of bol lampeglas. Ook voor het koken gebruikte men petroleumstellen, vooral voor het sudderen van vlees.

 

 

 

 

 

Het geslacht Rijnbende:

 

 

  1,Jan Rijnbende, geboren rond 1590 te Maassluiis 

  2,Jan Janszoon Rijnbende, geboren 1630 te Maasluis en getrouwd met Maartje Simonsdochter Visser

  3,Symon Janszoon Rijnbende, geb. 10-04-1658 te Maassluis en getrouwd met Claesje Sybrantsdochter van Wassenburgh

  4,Jan Rijnbende, gedoopt op 05-12-1687 in de Nederlands Hervormde Kerk te Schiedam. Hij trouwt met Weijntje Pouwelsdochter       Bommelaer

  5,Claas Rijnbende, gedoopt op vrijdag 22/05/1722 in de Ned. Herv. Kerk te Schiedam. Hij trouwt met Maria Koning

  6,Pieter Rijnbende, gedoopt 26-05-1760 te Schiedam. Hij trouwt met Dirkje van Wagtendonk.

  7,Martinus Rijnbende, gedoopt 13-12-1789 te Schiedam. Hij trouwt met Sara van der Velden.

  8,Nicolaas Rijnbende, gedoopt 28-01-1818 te Schiedam. Hij trouwt met Johanna Francina van Mourik

  9,Martinus Rijnbende, gedoopt op 04-12-1840. Hij trouwt met Maria Bijl.

10,Nicolaas Rijnbende, geboren op 15-11-1869. Hij trouwt met Johanna Petronella de Bruin en in 1931 met C.J. Wiggers

Jacob Rijnbende ( 1875-1953), broer van mijn grootvader Nicolaas

 

 

                                

Jacob Rijnbende met zijn vrouw Cornelia Krommenhoek.  Daniel Rijnbende, zijn vrouw Cornelia Keus, Jacob, en dochter Cornelia Rijnbende met haar man Jan Duran. Op de voorgrond Cora Duran en Corrie Rijnbende, dochter van Daan.

 

      

De dochters en zoon van Jacob, Jannetje, Johanna Wilhelmina,   en Daniël

 

 

 

ZIJN KINDEREN: Cornelia( 1905-1990), Maria(1898-1975), Jannetje(1900-1977) , Daniël(1904-1949) en  vooraan Johanna Wilhelmina(1902-1958) Niet op de foto: Sara(1907-1907), Sara (1911-2001)Martha(1914-?) Martinus(1916-1945), Jacoba(1917-1917) en Jacoba(1919-2006)

      

Jacoba Rijnbende, dochter van Jacob Rijnbende in 1962 en in 1989

              

Haar zuster Maria Rijnbende                        Jacoba met haar zuster Martha

 

 

11Johannes Pieter Rijnbende,( mijn vader) geboren 1 maart 1908. Hij trouwt met Sara Jacoba Catharina Bender

12Johannes Pieter Rijnbende, geboren 21/11/ 1939. Hij trouwt met I. Miedema en op 7 november 1996 met Hermina Johanna Harmsen

13a, Johannes Pieter Rijnbende, geboren 16/10/1967. Hij trouwt met Sonja Maria Theresia Gerarda Oirbans.

Kinderen

14a Maike Annicka Ietsie Jose Rijnbende, geboren 17 februari 2003

14a Moritz Johannes Pieter Rijnbende, idem

13b, Wouter Simon Rijnbende, geboren 31/01/1969. Hij trouwt met Agnes Francisca Maria Sanders

Kinderen

14b Simon Johannes Dirk Rijnbende, geboren 25/12/2000

14b Suson  Francisca Maria  Rijnbende, geboren 17/11/2003

 

 

Onze pas geboren kleinzoon, Joep Herman Rijnbende, zoon van Pieter en Sonja(13a),

geboren 5 november 2009

 

 

Mijn overgrootvader Martinus Rijnbende trouwde Maria Bijl:

1. Maria Bijl, dochter van Jacob Willemsz Bijl en Johanna Dijkman, werd geboren op 20
Jun 1838 te Schiedam, Zuid-Holland, NLD 1 en is overleden op 26 Aug 1916 te Leiden, Zuid-
Holland, NLD op 78 jarige leeftijd.
Maria is op 20-06-1838 omstreeks één uur aan de Hoofdstraat, wijk G nr 133 te Schiedam
geboren. De aangever was vader Jacob Bijl, de getuigen waren Cornelis Dirkzwager (±
1809), grutter, en Christianus Rozestraten (±1809), koekbakker. Vader Bijl ondertekende
met Jakob Bijl. (GR 240/21-06-1838, BS Schiedam, GA Schiedam).
Maria is op 26-08-1916 omstreeks 10 uur aan de Lange Gracht 57A te Leiden overleden.
Op de advertentie kwamen de namen van twee dochters en twee zonen met hun
echtgenoten voor, nl. de families J.W. Luitwieler-Rijnbende, S. Luitwieler-Rijnbende, N.
Rijnbende-de Bruin en J. Rijnbende-Krommenhoek. De aangevers van het overlijden waren
Nicolaas Korenhoff (±1857), begrafenisondernemer, en George Sleijser (±1868),
begrafenisondernemer. (OR 625/29-08-1916, BS Leiden, CBG Den Haag).
Maria trouwde Martinus Rijnbende, zoon van Nicolaas Rijnbende en Johanna Francina van
Mourik, op 4 Okt 1865 te Schiedam, Zuid-Holland, NLD.2, 3
De huwelijksafkondigingen waren op 24-09 en 01-10-1865 in Schiedam. De moeder van de
bruid was reeds overleden. De getuigen van het huwelijk waren Maarten Rijnbende (1822),
zakkendrager en neef van de bruidegom, Dirk Baron (±1838), zakkendrager en zwager van
de bruid, Frans Hommel (±1824), kuiper, en Arie Noordam (±1824), brandersknecht. (HR
80/04-10-1865, BS Schiedam, GA Schiedam).
Beiden hebben belijdenis gedaan bij de Christelijk Gereformeerde Gemeente te Schiedam.

 

Via het geslacht van mijn overgrootmoeder, ( deze gegevens heb ik overigens van Walter

Schulze uit Hilversum die het geslacht van ook zijn overgrootmoeder Maria heeft uitgezocht),

komen we nu tot in de 13e eeuw. Fantastisch te weten wat je voorouders in woelige tijden

allemaal hebben mee gemaakt.

 

 

Jacob Willemsz Bijl, zoon van Willem Arijsz Bijl en Pietertje Pietersdr den Ouden, werd
geboren op 12 Okt 1816 te Pernis, Zuid-Holland, NLD. Jacob was ook bekend als Jacob Bijll.
Hij was Schipper.
Jacob trouwde Johanna Dijkman op 10 Mrt 1836 te Schiedam, Zuid-Holland, NLD.4

Willem Arijsz Bijl, zoon van Arie Pietersz Bijl en Annetje Willemsdr 't Hart, werd gedoopt
op 30 Okt 1778 te Schiedam, Zuid-Holland, NLD en is overleden op 1 Feb 1843 te Pernis, Zuid-
Holland, NLD op 64 jarige leeftijd.
Hij was Koopman.
Willem trouwde Pietertje Pietersdr den Ouden op 6 Mei 1804 te Rhoon, Zuid-Holland, NLD.

Arie Pietersz Bijl, zoon van Pieter Dirksz Bijl en Neeltje Pouwelsdr den Ouden, werd
gedoopt op 16 Jun 1748 te Schiedam, Zuid-Holland, NLD en is overleden op 12 Mei 1790 te
Schiedam, Zuid-Holland, NLD op 41 jarige leeftijd.
Arie trouwde Annetje Willemsdr 't Hart op 9 Feb 1777 te Schiedam, Zuid-Holland, NLD

Pieter Dirksz Bijl, zoon van Dirk Pietersz Bijl en Maartje Cornelis van der Werf, werd
gedoopt op 13 Dec 1709 te Schiedam, Zuid-Holland, NLD en is overleden op 12 Mrt 1785 te
Oud-Mathenesse, Zuid-Holland, NLD op 75 jarige leeftijd.
Pieter trouwde Neeltje Pouwelsdr den Ouden op 9 Okt 1740 te Schiedam, Zuid-Holland, NLD.

Dirk Pietersz Bijl, zoon van Pieter Willemsz Bijl en Maertie Dircksdr Buitewegh, werd
gedoopt op 18 Mei 1671 te Schiedam, Zuid-Holland, NLD en is overleden op 3 Dec 1715 te
Schiedam, Zuid-Holland, NLD op 44 jarige leeftijd.
Dirk trouwde Maartje Cornelis van der Werf op 30 Apr 1702 te Overschie, Zuid-Holland, NLD.
Zij gingen op 15 Apr 1702 te Schiedam, Zuid-Holland, NLD in ondertrouw.

Pieter Willemsz Bijl, zoon van Willem Cornelisz Bijl en Lijsbeth Pietersdr Poot, is
overleden op 8 Apr 1682 te Schiedam, Zuid-Holland, NLD.
Pieter trouwde Maertie Dircksdr Buitewegh op 22 Feb 1665 te Schiedam, Zuid-Holland, NLD.

Willem Cornelisz Bijl werd geboren te Kethel, Zuid-Holland, NLD en is overleden op 9
Aug 1685 te Schiedam, Zuid-Holland, NLD. Willem was ook bekend als Ceesje.
Hij was Bouwman.
Willem trouwde Lijsbeth Pietersdr Poot op 15 Jun 1635 te Schiedam, Zuid-Holland, NLD.

Lijsbeth Pietersdr Poot, dochter van Pieter Pietersz Poot en Martijntgen Cornelisdr
Verhouck, werd geboren in 1605 te Kethel en Spaland, Zuid-Holland, NLD.
Lijsbeth trouwde Willem Cornelisz Bijl op 15 Jun 1635 te Schiedam, Zuid-Holland, NLD

Hier gaat het geslacht verder met de familie Poot. Uit dit geslacht komt ook voort de dichter

Hubert Corneliszoon Poot ( 29 januari1689-31 december 1733). In 1716 publiceerde hij zijn "Mengel-

gedichten"

Poot was aanvankelijk boer en in zijn tijd kreeg hij veel bezoek van "deftig"volk dat wel eens

kennis wilde maken met die boer die zo mooi dichten kon. De schoolmeester publiceerde in de

19e eeuw gedichten waaronder een spreuk: "Hier ligt Poot, hij is dood"

 


 

 Pieter Pietersz Poot, zoon van Pieter Pietersz Poot en Lijsbeth Huybrechtsdr, werd
geboren in 1577 te Vlaardinger Ambacht, Zuid-Holland, NLD, is overleden op 28 Dec 1640 te
Kethel, Zuid-Holland, NLD op 63 jarige leeftijd en werd begraven te Spaland.
Pieter trouwde Martijntgen Cornelisdr Verhouck in 1602 te Vlaardingen, Zuid-Holland.

Pieter Pietersz Poot werd geboren in 1550 te Vlaardinger Ambacht, Zuid-Holland, NLD en
is overleden op 24 Jul 1580 te Kethel, Zuid-Holland, NLD op 30 jarige leeftijd.
Bouwman in Vlaardinger-Ambacht en Kethel in 1555, dit stond vermeld in de tiende
penning.
Pieter trouwde Lijsbeth Huybrechtsdr in 1576.
Lijsbeth Huybrechtsdr hertrouwt ca 1580 met Huibrecht Vincentsz van Adrichem.

Pauwel Adriaensz van Cranendonck werd geboren omstreeks 1517.
Pauwel trouwde.
Zijn kind was:
Adriaen Pauwelsz Cranendonck. Adriaen trouwde Arieantje Cornelisdr op
30 Mei 1604 te Hendrik-Ido-Ambacht, Zuid-Holland, NLD.

Via een familielid gaat het geslacht over in het geslacht van Driel.

Cornelis Claasz van Driel, zoon van Claes              
Cornelisz van Driel en Reimborch, werd geboren   
omstreeks 1500 en is overleden op 14 Jan 1555 te
Dordrecht, Zuid-Holland, NLD ongeveer 55 jaar oud.
Cornelis trouwde Margaretha Jacobsdr Wenssen.

 

Claes Cornelisz van Driel, zoon van Cornelis Jansz van Driel en Onbekend, werd
geboren omstreeks 1460 en is overleden vóór 1522 te Zwijndrecht, Zuid-Holland, NLD.
Claes trouwde Reimborch omstreeks 1495.
Kind uit dit huwelijk:
Cornelis Claasz van Driel. Cornelis trouwde Margaretha Jacobsdr
Wenssen.
Reimborch. Reimborch is ook bekend als Borch.
Reimborch trouwde Claes Cornelisz van Driel omstreeks 1495.

Jacob Aert Hendricks Wenssen werd geboren omstreeks 1493.
Jacob trouwde Cornelia Jansdr van Slingeland.
Kind uit dit huwelijk:
Margaretha Jacobsdr Wenssen. Margaretha trouwde Cornelis Claasz van
Driel.

Wapen van Slingeland

Cornelia Jansdr van Slingeland werd geboren in 1493.                           
Cornelia trouwde Jacob Aert Hendricks Wenssen.

 

Cornelis Jansz van Driel, zoon van Jan Jansz van Driel en Magteld, werd geboren
omstreeks 1425 en is overleden na 1485 te Sandelingen-Ambacht, Zuid-Holland, NLD.
Cornelis trouwde.
Zijn kind was:
4940 i. Claes Cornelisz van Driel. Claes trouwde Reimborch omstreeks 1495.

Jan Jansz van Driel, zoon van Jan Jansz van Driel en Adriana, werd geboren
omstreeks 1390 en is overleden tussen Feb 1447 en 1450.
Jan trouwde Magteld.
Kind uit dit huwelijk:
Cornelis Jansz van Driel.

Jan Jansz van Driel, zoon van Jan van Driel en Onbekend, werd geboren
omstreeks 1355 te Sandelingen-Ambacht, Zuid-Holland, NLD en is overleden in 1421 ongeveer
66 jaar oud.
Jan trouwde Adriana.

Jan van Driel werd geboren omstreeks 1325.
Jan trouwde.
Zijn kinderen waren:
Jan Jansz van Driel. Jan trouwde Adriana.
Pieter Jansz van Driel werd geboren omstreeks 1360 en is overleden na
1405.
Claes Jansz van Driel werd geboren omstreeks 1365 en is overleden na
1415. Claes trouwde Loukin Florisdr.
Jan trouwde vervolgens Margriete Meeus Meeueszdr.
Kind uit dit huwelijk:
Heinken Jansz van Driel werd geboren omstreeks 1385.

Hier gaat het geslacht verder met Arnt Arntzoon Riede.

Arnt Arntz Riede, zoon van Aernt Riede en Onbekend, werd geboren omstreeks
1320 en is overleden op 23 Sep 1397 ongeveer 77 jaar oud.
Arnt was leenman van Putten
Arnt trouwde Nn Dircksdr Cosenzonen.

 

Aernt Riede werd geboren omstreeks 1280.
In 1347 was Aernt Rechter in het Ambacht Beukelsdijk
Aernt trouwde.
Zijn kind was:
Arnt Arntz Riede. Arnt trouwde Nn Dircksdr Cosenzonen.
Diederick Cosenzonen werd geboren omstreeks 1290.
Diederick van leenman van Putten
Diederick trouwde.
Zijn kind was: Dircksdr Cosenzonen. Nn trouwde Arnt Arntz Riede.
Rutgher Diddericks, zoon van Dirck Rutghers en Onbekend, werd geboren
omstreeks 1288 te Pernis, Zuid-Holland, NLD.
Op 19 juni 1357 neemt Rutgher samen met Jacob Jan van Moerdrecht, Scildman Pietersz
en Hughe Buest Maenkensz van de Heer van Putte een gors tussen Hoogvliet en Pernis
aan ter bedijking. Het betreft hier de polder Rughezand (Roozand) in Pernis.
Rutgher trouwde omstreeks 1315 te Poortugaal, Zuid-Holland, NLD.
Zijn kinderen waren:
i. Trude Rutgherus is overleden in 1422. Trude trouwde Jan Heijnenz.
Beije Rutgers. Beije trouwde omstreeks 1349 te Poortugaal, Zuid-
Holland, NLD.
Pieter Die Onvervaerde Rutghersz werd geboren vóór 1368 en is overleden
na 1373. Pieter trouwde.
Hein Rutgherszn werd geboren vóór 1377 en is overleden na 1405.
v. Lijsbeth Rutghersdr werd geboren vóór 1393 en is overleden na 1393.
Lijsbeth trouwde Jacob Bollensz.
Hein Rutgherszn De Jonge werd geboren vóór 1393 en is overleden na
1418.
Hughe Rutghersz werd geboren vóór 1400 en is overleden na 1400.

Hier gaat het geslacht verder met Dirk Rutghers

Dirck Rutghers, zoon van Rutgher en Onbekend, werd geboren omstreeks 1260 te
Pernis, Zuid-Holland, NLD en is overleden na 1337.
Dirck trouwde omstreeks 1287 te Pernis, Zuid-Holland, NLD.
Zijn kinderen waren:
i. Heijn Guet Diddericsz
Rutgher Diddericks. Rutgher trouwde omstreeks 1315 te Poortugaal,
Zuid-Holland, NLD.

Rutgher werd geboren omstreeks 1228.
Rutgher trouwde omstreeks 1259.
Zijn kind was:
Dirck Rutghers. Dirck trouwde omstreeks 1287 te Pernis, Zuid-Holland, NLD
 

26 generaties van 1228 tot 2000 ( geboorte van Simon Rijnbende, de oudste kleinzoon),

of te wel een tijdsspanne van 772 jaar.

 

Gedaan 13 januari 2008

 

 

Het geslacht Bender en van Helden

 

Mijn vader, Johannes Pieter Rijnbende trouwde 2 mei 1933 met Sara Jacoba Catharina Bender

Sara werd te Leiden geboren op 12 mei 1909.

Zij was de dochter van Jan Christiaan Bender, geboren te Rotterdam in 1881 en Ferdinanda Maria van Helden, geboren te Rotterdam in 1883.

 

 

Jan Christiaan Bender, geboren in 1883

 

Mijn overgrootvader heette ook Jan Christiaan Bender en was een volle neef van C.C. Bender, de oprichter van Bender pianohandel te Rotterdam. Hij was getrouwd met Sara Jacoba Catharina Wagemaker.

Ferdinandan Maria van Helden, mijn grootmoeder was de dochter van Paul van Helden, koffiebrander te Rotterdam. Hij was welgesteld, dronk dagelijks zijn borreltje en at elke dag een half pond biefstuk. Mijn grootmoeder was muzikaal begaafd. Zij speelde viool en was pianolerares.

Mijn grootmoeder had 4 zusters en twee broers: Anna, Marie, Lenie en Paulien en Ferdinand en Jo. De zoon van Ferdinand, Paul van helden was dus een neef van mijn moeder en hij kwam ons in Oegstgeest vaak opzoeken. Hij had een grote Amerikaanse slee en de ramen gingen automatisch open en dicht. Voor die tijd 1954 een unicum. Oom Paul was President-directeur van de Organonfabrieken in Oss. Wat ik mij nog kan herinneren dat hij in de hal van zijn villa een  "opgevouwen" vleugel had. Ook deze belandde automatisch op zijn pootjes en kon er gespeeld worden. 

Anna van Helden was lerares Frans. Na haar examen in 1886 kreeg zij het boek "Sans Familie", " Alleen op de wereld". Het boek kostte in 1886 14 gulden. En dan te bedenken dat een arbeider in die tijd daar meer dan 2 weken voor moest werken.

 

Viertelhaus(z)en

 

Mijn grootvader Jan Christiaan Bender geboren in 1882 trouwde mijn grootmoeder Ferdinanda Maria van Helden, geboren 26 juni 1884 op 25 juni 1908.

Hij was de zoon van Jan Christiaan Bender en Sara Jacoba Catharina Wagemaker.

Deze was weer de zoon van Jan Christiaan Bender getrouwd met.......

Mijn grootmoeder Ferdinanda Maria van Helden was de dochter van Paulus Johannes van Helden en Ferdinanda Maria Viertelhausen.

Haar opa van vaders kant heette Paulus Johannes Gerritsz van Helden geboren 17 juli 1844 en getrouwd met Antoinetta Johanna Hermanusdr. van den Berg.

 

Woordpyramide - opgave

 

De pyramide begint en eindigt muzikaal. Bovenaan de noot e (mi). Daar moeten in zeven stappen letters bij om onderaan uit te komen op de naam van onze docent muziek: Rijnbende. Voor de woorden ‘onderweg’ geven we de volgende woorden waarmee ze gecombineerd kunnen worden. In willekeurige volgorde:

knuffel, bruine ogen, stokpaardje, constructie, kamer en botje.

 

 

 

 

 

                                                                      

RealTracker