Haarlem Historie

Het wapen van Haarlem Haarlem is een stad en gemeente in Nederland en de hoofdstad van de provincie Noord-Holland. Haarlem heeft circa 150.000 inwoners. De gemeente ligt in Zuid-Kennemerland, aan het Spaarne en omvat naast de stad Haarlem de onderdelen Spaarndam (ged.), Schalkwijk en Zuid-Schalkwijk.

Bedrijvigheid:

In Haarlem zijn diverse industrieŽn en bedrijven aanwezig. Enkele industrieŽn zijn bedrijven in de metaalnijverheid, zoals scheepswerven in Spaarndam, machinefabrieken aan het Spaarne en de hoofdwerkplaats van het rollend materieel van de Nederlandse spoorwegen. Voorts bevinden zich in Haarlem ook grafische industrie zoals de drukker Joh. Enschedť en Zn. Omdat Haarlem de hoofdstad is van de provincie Noord-Holland bevinden zich binnen de stadsgrenzen ook grote provinciale en rijksdiensten. Hierdoor is Haarlem een echte ambtenarenstad.

Stadsbeeld:

De oudste kern van de stad ligt in de scherpe bocht van het Spaarne; in de 14de eeuw vond vooral naar het oosten uitbreiding plaats. Dit is het gebied tussen de Spaarne, Papentorenvest en Lange Herenvest. Later ook naar het zuiden en westen uitgebreid. Na het beleg van 1572Ė1573 en de grote brand in 1576 beleefde de stad een economische opbloei en vond uitbreiding plaats in noordelijke richting. Ten slotte werd de groei in noordelijke en zuidelijke richting het sterkst, zodat de huidige stadsplattegrond een langwerpige vorm heeft, evenwijdig aan de kustlijn. De ontwikkeling naar het noorden was zo sterk dat na annexatie van de gem. Schoten en deels Spaarndam (1927) Haarlem thans bijna aan Santpoort is vastgebouwd.
De jongste uitbreidingen gingen in zuidelijke (Schalkwijk; Meerwijk) en oostelijke richting (Waarderpolder). De voormalige stadswallen zijn herschapen in plantsoenen. De bospartijen van de beroemde Haarlemmerhout (15de eeuw) zijn in 1827 opnieuw aangelegd door Zocher (sinds 1959 vernieuwd).

Geschiedenis:
Ca. 5000 jaar geleden vormden zich langgerekte zandlichamen evenwijdig aan de kustlijn. Deze zandlichamen waren aantrekkelijke vestigingsplaatsen voor mensen. In de 9de en 10de eeuw na Chr. Ontwikkelde zich hier kleine nederzettingen. Over de zandrug waar Haarlem zich later zou ontwikkelen liep een verbindingsweg tussen het noordelijk en het zuidelijk deel van Holland. Ten oosten van deze verbindingsweg stroomde het nu gehete Spaarne. Waar de verbindingsweg en het water elkaar het dichtst naderde ontstond Haarlem.
In 1245 kreeg Haarlem van graaf Willem II stadsrechten, in 1429 volgde het tolrecht. In de 14de en in de eerste helft van de 15de eeuw ontwikkelde het boerenĖ en vissersdorp zich tot een van de meest welvarende stad van Holland. Deze ontwikkeling kwam mede door de strategische ligging tussen het Spaarne en de verbindingsweg. Er ontstond in Haarlem veel industrie zoals scheepswerven, bierbrouwerijen, weverijen en blekerijen. Er werd op grote schaal gebouwd. Eind 15de eeuw kwam er een ommekeer in de welvaart. Er ontstond een schaarste aan levensmiddelen. De prijzen stegen samen met de fiscale druk op de burgers. Dit resulteerde in een opstand (de opstand van het kaas- en broodvolk).
De Tachtigjarige Oorlog betekende de definitieve nekslag voor Haarlem (beleg van Haarlem, 1572Ė1573). Zeven maanden heeft de stad weerstand kunnen bieden aan de belegering van de Spanjaarden. Don Frederik van Toledo veroverde in 1573 de stad en maakte deze tot een Spaanse enclave. In 1577 verlieten de Spanjaarden na het akkoord van Veere de stad. De wederopbouw kon beginnen. De laken- en linnenindustrie bloeiden weer op. Veel Vlaamse textielarbeiders trokken na de val van Antwerpen naar het noorden en vestigden zich in Haarlem. Door deze economische bloei moest er veel worden gebouwd. Dit was echter geen enkel probleem. Door de verwoesting van de stad was er veel ruimte waar de bebouwing plaats kon vinden. Ook werden vele kloosterterreinen beschikbaar gesteld voor woningbouw. Na het beleg van van 1573 telde Haarlem ca 18.000 inwoners.
In 1622 was dit aantal verdubbeld. Langzamerhand vestigden steeds meer mensen zich buiten de stadsmuren.
In 1627 werd aan verschillende architecten, onder wie Pieter Post en Solomon de Bray opdracht gegeven om een plan te maken voor een uitbreiding in noordelijke richting. In 1671 werd met de uitvoering volgens het plan van landmeter Erasmus den Otter begonnen. De noordkant werd begrensd door een aarden omwalling met acht bastilions, omgeven door een gracht. Door deze uitbreiding, Nieuwstad genoemd, groeide Haarlem met ca. 50%. De oude noordelijke stadsmuur werd gesloopt en de bijbehorende gracht werd gedempt. De Jans- en kruispoort werden gesloopt.
In plaats van deze twee poorten werd aan de noordzijde ťťn poort gebouwd. Dit werd de Kennermerpoort. Aan de zuidzijde van de uitbreiding werden twee nieuwe grachten gegraven. Dit werden de Nieuwe Gracht en de Achter Nieuwe Gracht. De Achter Nieuwe Gracht werd in 1870 gedempt. Na de demping werd de naam veranderd in Parklaan.
In de 18de eeuw ging door allerlei oorzaken de welvaart achteruit. Hierdoor liep de bedrijvigheid achteruit en ook daalde het aantal inwoners. Hierdoor kwamen veel woningen leeg te staan. De woningen vervielen tot krotten en moest daarom worden gesloopt. Dit gebeurde vooral in de gebieden rondom de Raamgracht en de Voldergracht. Een groot deel van de bevolking leed aan armoede. Vermogende burgers stichten hofjes om oude burgers te huisvesten. Enkele bekende hofjes zijn Teylershofje aan de Koudenhorn (1787) en het Diaconiehuis (nu in gebruik als hoofdbureau van politie). Hierin vonden ca. 900 armlastige onderdak. Het ging zo slecht met de stad en de verpaupering van de gebouwen dat welgestelden zich elders in de stad gingen vestigen. Op deze wijze ontstonden luxe woonhuizen aan het Spaarne en aan de Nieuwe Gracht. Ook ontstonden elders buitenplaatsen. Zo liet een Amsterdamse bankier aan de noordzijde van de Hout het buiten 'Welgelegen' bouwen.
In dit gebouw zetelt nu het provinciaal bestuur. Tijdens de Franse bezetting (1810-1813) bereikte de verarming van de stad een nieuw dieptepunt. In deze periode werden opnieuw veel woningen gesloopt.
Na de Franse bezetting werd gehoopt dat onder bewind van koning Willem I de welvaart in de stad zou terugkeren. Maar helaas bleef de welvaart uit. Wel vestigden zich opnieuw industrieŽn zich binnen de stadsmuren.
In 1822 kreeg architect Zocher jr. opdracht om een plan te maken voor de aanleg van een parkstrook op de af te graven voormalige bolwerken. Rond deze perioden werden ook de stadsmuren en de stadspoorten afgebroken. Ook werd een begin gemaakt met het dempen van de grachten.
In 1839 werd de eerste spoorlijn van Nederland tussen Haarlem en Amsterdam aangelegd. Dit was een belangrijke stap voor de verdere ontwikkeling van de stad. Het eerste station werd gesticht aan de Oudeweg. Nadat de spoorlijn werd doorgetrokken naar Leiden werd het station op de huidige locatie gebouw.
Omstreeks 1870 bloeide in Haarlem de economie weer op. Veel nieuwe bedrijven vestigde zich in de stad. De werkgelegenheid groeide snel en er was veel behoefde aan woningen. Het aantal inwoners tussen 1870 en 1900 groeiden van 31.000 naar ca. 65.000 mensen. Rond 1876 werd een plan gemaakt voor het bouwen van de Rozenprieel. Iets later in 1880 werd begonnen met de aanleggen van de Leidse buurt. In 1883 werden de eerste woningen in de Amsterdamse buurt gebouwd. Rond 1900 verrees tussen de grens van Haarlem en Schoten de Transvaalbuurt. Aansluitend op de bouw activiteiten werd ook een deel van de Indische buurt uit de grond gestampt. Rond 1917 werd de slachthuisbuurt volgebouwd. Tussen 1921 en 1923 werd ten noorden van de Kloppersingel de Patrimoniumbuurt gebouwd. Door ruimtegebrek werd besloten de woningbouwverenigingen in het agrarische Schoten te bouwen.
Als eerste werd de bomenbuurt gebouwd. Dit breidde zich verder uit naar het noorden. In 1927 annexeerde de gemeente Haarlem de gemeente Schoten. Met de inlijving van Schoten kreeg Haarlem voldoende ruimte om verder uit te breiden. Om te voorkomen dat het gehele gebied zou worden losgebouwd werd gesteld dat er een tweetal groenstroken van oost naar west moet worden gehouden.
De eerste was er al. Dit was de Algemene Begraafplaats en de stadkweektuin. De tweede was gepland ten zuiden van de Jan Gijzen vaart. Deze twee kregen de vorm van het Schoterbos en het Noordersportpark. Verder werden door woningbouwverenigingen en eigenbouw in een snel tempo nieuwbouw woningen opgeleverd. Het gebied tussen Spaarndam en de Vondelweg mocht door het ministerie van Defensie niet worden volgebouwd. Dit houd verband met de stelling van Amsterdam.
De Tweede Wereldoorlog bracht ook in Haarlem de woningbouw vrijwel tot stilstand. Maar na het beŽindigen van de oorlog kwam de planontwikkeling weer op gang. In de jaren vijftig werd begonnen aan de wijken Sinneveldt en Delftwijk in tegenstelling met de reeds bebouwde wijken werd hier meer aandacht geschonken aan openbaar groen en speels indelingen van de woonblokken.
Eind jaren vijftig ontstond er een woningnood. Hierdoor moest snel en veel woningen worden gebouwd. Zo ontstond omstreeks 1960 in het poldergebied ten oosten van de Prins Bernardlaan de wijk Parkwijk.
De opzet van deze wijk was gelijk aan de opzet van de wijken Sinnevelt en Delftwijk.
In 1957 werd begonnen met de ontwikkeling van het stadsdeel Schalwijk. Deze wijk werd in 4 gebieden verdeeld. De oudste wijken zijn Europawijk en de Boerhaavewijk. Later werden de wijken Meerwijk (1966) en Molenwijk gebouwd (1972).
Na de voltooiing van Schalkwijk restte er binnen de gemeente grenzen nog maar beperkte mogelijkheden voor woningbouw. Open gebieden langs de randen van de stad lenen zich niet zo goed voor bebouwing. Ze bepalen mede de aantrekkelijkheid van de stad. Echter zullen we blijven zoeken naar mogelijkheden om in de toekomst aan de vraag naar nieuwe woningen te voldoen.


Literatuur: Encyclopedie Winkler Prins 1998, Architectuurgids Haarlem 1992