eeuwig leven
augustus 2012

1 - Leven en dood.

De mens leeft en sterft. En velen menen dat dit alles is en dat de mens maar één keer leeft.
Nochtans kan iets niet zomaar verdwijnen in het niets, en zelfs al zou dit kunnen dan kan niets ook weer iets worden.
In werkelijkheid is alles aan verandering onderhevig. Dat zien we ook al bij de dode dingen, die ook niet in het niets verdwijnen, maar veranderen in andere dingen.
Waarom zou dat bij levende wezens anders zijn?
Temeer met mijn atoomtheorie, waar het hele heelal eigenlijk uit levende wezens bestaat, namelijk uit microwezens in de microkosmos.


Eternal.life.JPG


Vertaling: Wees jezelf bewust van je eeuwig leven in de microkosmos.
De hemel is daar ook.



2 - De mens wordt een microwezentje.

Dus dan zou het zo maar kunnen dat de mens die sterft voortleeft als een microwezentje of zelfs als 10^44 microwezentjes waar zijn lichaam uit opgebouwd was.
En ten minste zal de mens voortleven in de herinnering van de microwezentjes, die veel beter is en sterker moet zijn dan alles wat wij zelf bewust van ons leven hebben meegemaakt.
Aldus leeft de mens voort in de hemel (het innerlijk als herinnering) van de microwezentjes.
Kortom: de hemel is in de microkosmos en van daar uit, zou de mens ook weer kunnen reïncarneren op welke manier dan ook.

3 - Sterven is verandering.

Dus er zijn hier vele mogelijkheden om te beseffen dat de dood eigenlijk niet bestaat.
Het heelal is in principe een levend heelal uit levende wezens, en zelfs al zou je tijdelijk een dood ding worden, dan nog kunnen die dode dingen ook weer levende wezens worden.
Beiden zijn een eenheid.
Je sterft alleen als je vast houdt aan een eenmalige individualiteit, dus zoals je nu bent.
Maar zelfs dat verandert constant binnen je leven zelf, want als volwassen ben je echt iemand anders geworden dan je als baby was en als oud mens ben je weer anders.
Nu: als je sterft word je een ander levend wezen.
Sterven is dus een verandering.

4 - Reïncarnatie.

Hoe die verandering dan plaats vindt is dan een tweede. Ik pretendeer niet dat precies te weten en ik kan alleen speculeren welke mogelijkheden hier zijn.
Ik heb al genoemd dat de mens een microwezentje wordt.
Een andere mogelijkheid die algemeen bekend is is dat de mens reïncarneert in een ander levend wezen, ongeveer zo dat een gestorven ziel rond zweeft en dan bezit neemt van een pasgeboren baby'tje.
Of dat zo is, dat weet ik niet.
Het lijkt me in deze meer waarschijnlijk dat een baby'tje al een eigen identiteit van zichzelf heeft en wel vanaf de conceptie, dus zo dat die geestelijke identiteit via zaadcel en eicel uit die van de vader en moeder tevoorschijn is gekomen.
Want als eicel en zaadcel de moeder en de vader lichamelijk kunnen dupliceren, waarom dan niet hun innerlijk, dus hun ziel en geest?
Dat lijkt mij het meest logisch(ook al omdat de eigenschappen van de mens door de ouderlijke genen worden bepaald), dus of reïncarnatie echt bestaat dat weet ik niet en ik heb daar zo mijn twijfels over.
Maar er duiken altijd weer verhalen op die moeten bewijzen dat het echt zo is.
Ik heb die ervaring zelf niet en kan me ook niet iets over een vorig leven herinneren.


5 - De ijdelheid altijd een en dezelfde te willen wezen.

Bovendien: waarom zou het leven eindeloos vast houden aan één en dezelfde individualiteit?
Waarom moet je altijd dezelfde blijven?
Juist door man en vrouw te laten paren krijg je een vermenging van beiden, en de natuur zal dat echt niet voor niks doen, want dat schept nieuwe mogelijkheden en het lijkt mij dat dit ook met de geest gebeurt, dus dat de mens door vermenging met de ander of met vele anderen nieuwe levende wezens schept.
Dat verlost de mens meteen van zijn ijdelheid als dit ene individu zo belangrijk te wezen.
Anderzijds is de reïncarnatie zo fantastisch en fascinerend dat je zou zeggen: "als het niet bestaat moet het nog eens uitgevonden worden, want wie zou zich niet een vorig leven willen herinneren?
Maar dat kan natuurlijk ook zonder vaste individualiteit, bijvoorbeeld met de ouders dat je herinnert èn je vader èn je moeder geweest te zijn, beide dus, want dat kan ook en is het meest logisch om mee te beginnen.

6 - De hemel in de microkosmos.

Dan is de meest bekende die van de hemel vanwege het christendom, dat je daar verder leeft en daar heb ik al iets over gezegd, dat de mens voortleeft in het herinneringsvermogen der microwezentjes en dat dat onze hemel is.
Temeer daar dat herinneringsvermogen veel sterker moet zijn dan wij zelf van onze leven bewust mee maken, want de microwezentjes weten daar veel meer van.
Daar komt dan nog bij dat er 10^44 microwezentjes in ons lichaam zijn, dus dan zijn daar ook 10^44 hemelen en ook nog dat de hemelen der mini-microwezentjes nog hoger zijn en ook nog veel meer: 10^88, en bij de super-mini-microwezentjes nog hoger en nog meer: 10^132, enzovoort, tot in het oneindige.
Niet alleen na ons sterven, maar ook nu meteen bij ons leven zijn die hemelen er, dus leven wij in oneindig vele hemelen in het heden en na ons sterven en ook eindeloos hoog, dus steeds hoger.
Nu kan de mens dat niet allemaal in ene ervaren, nu niet en ook niet na zijn sterven, want dan zal de mens een keuze moeten maken of het geschiedt gewoon voor hem dat hij één van die oneindig vele zal zijn. Zo kun je ook maar één microwezentje worden.

7 - Altijd één en dezelfde persoon te zijn.

Maar kom je in de hemel van de microkosmos of word je een microwezentje, dan zou het anderzijds erg vervelend worden eeuwig en altijd één en dezelfde te zijn.
Dat als een inwendige eeuwigheid wel te verstaan, die immers veel hoger ontwikkeld is dan dat uitwendige eeuwigheid, die primitief is.
Want stel dat je in de hemel van de microkosmos komt en daarna in die van de minimicrokosmos en daarna in die van de superminimicrokosmos, enzovoort, steeds als dezelfde persoon.
Dan doorloop je een eindeloze reeks, steeds maar weer met dezelfde eigenschappen.
Goed: wel steeds hoger, maar toch: het zal wel gaan vervelen altijd één en dezelfde te zijn, zelfs al kan je daarin je eigen leven eindeloos uitdiepen.

8 - De individuele mens.

De mens is meer dan alleen maar zijn individualiteit. De mens is daar dan wel aan gehecht deze ene te zijn en: "ik" zeggende heeft hij daar houvast aan. Maar wat is dat ik eigenlijk? Goed beschouwd is iedereen ik, en dat ik dat zo bijzonder schijnt is eigenlijk algemeen.
Ook de bijzondere eigenschappen die de individuele mens meent te beschikken zijn algemeen, want er is geen eigenschap te noemen of iemand anders heeft die ook wel.
Alleen al die eigenschappen bijelkaar in een bijzondere combinatie van deze ene persoon op die plaats en die datum, dat is dan het unieke van het hele geval, maar dat is door een toevallige samenkomst van algemene eigenschappen geschapen, dat daardoor slechts tijdelijk is om weer te veranderen in iets anders al tijdens het leven en nog meer in een volgend leven.
Het biedt daarom geen houvast en is ook niet te bepalen wat nu het blijvende individuele is.
Het bestaat ook niet.

9 - De ijdelheid.

Bovendien: iedereen is individueel en is nou echt niet iets om zo trots mee te zijn.
Was je een ander dan had je die trots ook, want iedereen is gehecht aan wie hij of zij is, ook al kan het zijn dat niet iedereen zo ingenomen met zichzelf en graag een ander zou willen wezen die meer gelukkig is in het leven: over het algemeen is de mens aan eigen individualiteit gehecht en meent iets bijzonders te zijn dat het eeuwige leven waardig is.
Goed bedacht is dat ijdelheid, ijdelheid der ijdelheden.

10 - Het offer voor een nieuw leven.

Maar sterf je en word je totaal iemand anders, een totaal ander wezen, dan zou je ook aan dat wezen weer gehecht zijn. Dus het maakt niks uit te moeten sterven en een ander te worden.
Het is even doorbijten vanwege een eventuele heftige overgang van dood en wedergeboorte en het is weer gepiept voor het volgende leven, hetzij dat je een deel van jezelf wordt, dus als microwezen of samen met vele anderen een nieuw collectief wezen wordt, dat kan ook.
Dat laatste vanuit de microwezentjes bezien, die tezamen één mens worden, en ook vanuit zaadcel en eicel, die zich samen smelten.
Het is een offer aan de collectiviteit, wat de mens ook in zijn eigen leven kan ervaren, dus zo dat de mens binnen zijn leven zich moet offeren aan de gemeenschap rond om hem of haar en ook in hem of haar.

11 - Een ingewikkeld proces.

Overigens zo dat de "reïncarnatie" samen gaat met de vereniging van de ziel en de geest van de nieuwe vader en de nieuwe moeder.
Dus in werkelijkheid denk ik dat het een complex proces is waar meerdere factoren een rol spelen, complexer dan een 1 op 1 van de normale reïncarnatie.
Zou dat bestaan dan zou dat er ook nog aan toe gevoegd kunnen worden, dus zo dat je door de genen van je ouders bepaald wordt, maar ook door een reïncarnatie van een vroeger persoon.
Niet alleen bij de geboorte, maar ook gedurende het leven kan de mens zich in historische persoonlijkheden inleven en deze aldus in zichzelf opnemen en daaruit deels wedergeboren worden.

12 - De onzekerheid van de eigen geest en het eigen lichaam. 

En wie de mens zelf is, vooral geestelijk dan, is ook niet zo gemakkelijk te zeggen. Het lichaam geeft dan wel enige houvast, omdat de mens ervaart zijn leven lang in hetzelfde lichaam te wonen, hoewel ook dat lichaam van geboorte naar dood aan vele veranderingen onderhevig is en ook een pasfoto niet veel zegt, want ook het gezicht verandert met de jaren.
Het is dan de herinnering die mij zegt dat ik nog steeds de persoon ben die ik toentertijd was. Wat ook nog niks bewijst, want zou ik geheel en al overspringen naar een ander, dan zou ik even zeker zijn die andere persoon altijd al te zijn geweest.
Alles van de vorige persoon ben ik dan immers kwijt en heb alles van die nieuwe over genomen, en dat ik ben over gesprongen heb ik zelf misschien niet eens in de gaten gehad, want het kan gebeurd zijn in een onbewaakt ogenblik.

13 - De waarheid is het algemene.

Dit vertel ik dan om de ijdelheid van de vaste individualiteit bewust te worden, vooral in het licht der eeuwigheid en dat de waarheid in deze het algemene is: het ik dat als zodanig, dus abstract genomen, in iedereen hetzelfde is, of de grondslag van alle mensen dat we allemaal mens zijn, of nog ruimer, dat we allemaal levende wezens zijn.
Het eigene en individuele gaat snel voorbij en het is zinloos dat vast te willen houden. Waar het om gaat is het leven zelf dat in alle vormen van leven blijft bestaan en dat is ware leven dat eeuwig is, eindeloos blijft bestaan.
En dat is wat de mens waarlijk eigenlijk is, het is zijn diepere of ook hogere zelf, zijn goddelijkheid als algemeenheid.

14 - Laat het ego los.

Maar daarvoor moet de mens zijn eigen beperkte ego te boven komen en zichzelf beseffen als het leven in het algemeen, want het individuele sterft, maar het leven zelf blijft en dat is wat de mens waarlijk is: het eeuwige leven en ook het eindeloze voortleven in allerlei vormen van leven.
Dat eeuwige is dan het algemene als zodanig, het abstracte dat als het ware boven alle veranderingen zweeft en het eindeloos voortleven is het concrete van een eindeloze reeks van aparte individualiteiten, dus het ene leven na het andere.


15 - Over de drie-eenheid van het levende.

Die twee moeten we dan wel van elkander onderscheiden, want beseffende eeuwig te zijn, dus boven het individuele uit te stijgen, doet het individu zelf niet verdwijnen.
Dat blijft evenzeer bestaan.
Dus die twee gaan dan samen: het eeuwige en het individuele en dan is er ook nog een derde: de eindeloze reeks van individuele levens, die beiden verbindt in het midden.

Het is het eindeloze, dat streeft naar het eeuwige, maar deze nooit bereikt.

16 - Eeuwig en eindeloos.

We kunnen eeuwig leven onderscheiden van eindeloos voortleven.
Want het eindeloos voortleven bereikt de eeuwigheid nooit, want hoe lang je ook leeft, het is nooit eeuwig, want de eindeloosheid is een eindeloze voortgang.
En bij eeuwigheid denk je aan iets dat tijdloos is, als het ware boven de tijd is verheven, boven de tijd "zweeft", er altijd is en altijd al was en altijd zal zijn, zonder dat dit bereikt zou kunnen worden, maar wel op geestelijke wijze in het begrip daarvan aanwezig is.

17 - De eeuwigheid van de ruimte.

Eeuwig leven kan niet in de uiterlijke werkelijkheid die aan tijd onderhevig is, waar alles ontstaat en weer vergaat, hoewel sommige dingen sneller veranderen en andere langzamer en men zou kunnen denken dat er dingen zijn die nooit veranderen en altijd al zo zijn geweest.
Neemt men bijvoorbeeld de ruimte, dan zou men kunnen menen dat deze eeuwig is, dus zoals de ruimte nu is, is deze altijd al geweest en zal altijd blijven.
Deze is dan eeuwig en niet aan verandering onderhevig, zodat zoals de ruimte nu is, wij dezelfde ruimte zien zoals deze heel vroeger was en in de toekomst zal zijn.
De ruimte is dan eeuwig*.

*De wetenschap denkt daar anders over.

18 - Het is eeuwig NU.

Dus we zien in het heden iets dat tijdloos is, zodat het heden en het eeuwige eigenlijk hetzelfde zijn. In die zin is het heden in de tijdsduur van slechts een moment hetzelfde als wat de eeuwigheid is, die immers ook tijdloos is, terwijl we hier toch ook een verschil kunnen denken, namelijk dat het heden 0 seconde is, of abstract 1 moment (dus eindeloos klein, of naar ons tijdsbewustzijn genomen ongeveer 1/10 seconde) en anderzijds alle eindeloze tijd omvat, dus vanuit een eindeloos verleden naar een eindeloze toekomst.
De extremen raken elkaar hier: beiden zijn verschillend en toch ook het zelfde.
Wij kennen dat in de uitdrukking: het is altijd NU.
Dat NU vindt dan zijn reële uitdrukking in de eveneens eeuwig zijnde ruimte, want als zodanig existeert het NU.

19 - Drie aspecten van het NU.

Het Nu is alleen NU, maar het is ook altijd NU en daarom is het NU ook eeuwig, zodat het NU drie aspecten heeft:

1 - alleen Nu te zijn en weer te verdwijnen,

2 - eindeloos voort te duren, omdat het NU blijvend is en: 

3 - eeuwig is, omdat wij dat zo begrijpen.


20 - De eeuwigheid is geestelijk.

Met het begrijpen komt het geestelijke aspect van de eeuwigheid tevoorschijn, want ook met de ruimte kunnen we niet bewijzen, dat wil zeggen: aantonen dat deze werkelijk eeuwig is.
Maar wel kunnen we nadenken over de ruimte als een algemene voorwaarde voor het bestaan der dingen en dat de ruimte daarom noodzakelijk is, en daarom wel altijd heeft moeten bestaan.
Ook het bestaan van meerdere dimensies verandert daar niks aan, want ook die zijn vormen van de ruimte, zodat de ruimte in zijn algemeenheid in andere dimensies toch behouden blijft.

21 - Een eindeloze reeks van heelallen.

Of je zou moeten menen dat het heelal er eens niet is geweest en er dus eens NIETS was.
Dat lijkt mij echter onlogisch, want als het heelal uit NIETS is voortgekomen, dan kan het ook weer in Niets verdwijnen en dan ook weer uit het NIETS ontstaan, enzovoort, als een eindeloos cyclus proces, maar aangezien NIETS geen tijdsduur kan hebben, want het is immers NIETS, zijn al die eindeloos vele heelallen (zowel na het Niets als voor het Niets) aan elkaar aaneensluitend, met NIETS daar tussen in en aangezien Niets Niets is, heft het zichzelf op en heeft het heelal dus altijd al bestaan, met slechts eindeloos vele "NIETS-momenten" daar tussen gestopt, zodat het heelal dan wel steeds weer krimpt (verdwijnt) en weer uitdijt (verschijnt).
Dan krijg je een stompzinnige herhaling en is een eindeloze evolutie binnen een eindeloos systeem van steeds hogere culturen veel logischer.
Ik noem dit omdat het idee van een repeterend heelal vaak wordt genoemd als een vervolg of een alternatief op het wetenschappelijke en eenmalige "Big Bang" heelal.
Dan is mijn atoomtheorie daar weer een vervolg op als nog beter.

22 - De inwendige eeuwigheid.

Mijn inziens is het heelal eeuwig, al hoewel wel in de vorm van een inwendige eeuwigheid, met name terug gaande in de tijd, bij het begin van de Oerknal, was onze langzame tijd er nog niet en alleen de tijd van de microwezentjes was toen reëel en die gaat veel sneller dan ons, zodat een fractie van een seconde toentertijd voor de microwezentjes ook al ongeveer 15 miljard jaar heeft geduurd. En aan het begin daarvan was de nog veel snellere tijd van de mini-microwezentjes, enzovoort. Zodat het begin (teruggaande in de tijd) nooit werkelijk bereikt kan worden en ook nooit werkelijk heeft bestaan.


tekst.faster.time.micro.6.JPG


tekst.faster.time

 
Het heelal is dan eeuwig in de vorm van een inwendige eeuwigheid, wat we ook kennen uit de limietberekeningen met een inwendige oneindigheid, met als voorbeeld de eenvoudige reeks: 1 + 1/2 + 1/4 + 1/8 + 1/16 + 1/32, enzovoort, die eindeloos is en de limiet van 2 nooit bereikt kan worden, want dan zou die som 1 gedeeld door oneindig moeten bereiken, wat niet kan.
Het kan overigens wel als we gewoon van 1 naar 2 tellen en die hele oneindige reeks gewoon over slaan.
Wat we ook doen als we de limiet op 2 bepalen.

23 - De paradox van de limiet.

In de vorm van de teruggaande tijd zou dat ook kunnen als onze langzame tijd ook aan het begin had bestaan, want dan waren wij gewoon vanaf het begin door die limiet heen gegaan, dat wil zeggen: direct was dan onze langzame tijd begonnen.
Hetzelfde met het voorbeeld van Hercules en de schildpad, die deze niet kan inhalen als je het zo beschouwt dat de schildpad steeds een stukje verder is als Hercules de (oude) plaats van de schildpad bereikt.
Maar ga je niet van deze methode der eindeloze deling uit, dan haalt Hercules die schildpad gewoon in en is dus door een inwendige eindeloze deling heen gegaan.
Dat gebeurt overigens altijd en constant in elke beweging van ruimte en tijd.
Ik noem dit want dit is een hoogst eigenaardige en hersenen tartende paradox, namelijk wat enerzijds niet kan (door een oneindige reeks heen gaan), anderzijds wel kan, door de gewone beweging te handhaven en niet te delen.

24 - Verleden en toekomst: inwendige en uitwendige eeuwigheid.

Maar het wezenlijke is hier dat het eeuwig leven in mijn atoomtheorie teruggaande in de tijd een inwendige eeuwigheid was, omdat de microwezens een steeds snellere tijd bezitten, maar in de toekomst ook uitwendig zal zijn, omdat de macroreuzen omgekeerd een steeds langzamere tijdssnelheid zullen bezitten.

25 - De ruimte in het NU verheft zich tot innerlijke eeuwigheid.

De tijd zelf is eeuwig in een combinatie van inwendig (het verleden van de microwezentjes) en uitwendig (de toekomst, richting de macroreuzen).
En in eenheid daarmee is de ruimte een inwendige oneindigheid van steeds kleinere microwezentjes. Deze beleven de tijd en ruimte bewust.
Maar de ruimte zelf is alleen een uiterlijke werkelijkheid in het NU, want het verleden daarvan is verdwenen en de toekomst is er nog niet.
Want de tijd van toekomst en verleden zijn metafysisch.
Dus dat de ruimte dan ook eeuwig is, is iets wat er bij gedacht moet worden en als zodanig niet is te zien.
De ruimte wordt dan tot een metafysische ruimte verheven door het moment van NU van het zien van de ruimte tot eeuwigheid te verheffen, dat zo te denken.
Of zo te voelen, te beleven, dat kan ook.
Het uiterlijke verheft zich dan tot iets innerlijks.
Hetzelfde bij de liefde of bij de kunst, waarbij iets uiterlijks: de beminde of de ervaring van de kunst als iets uiterlijks in het heden, tot iets innerlijks wordt en daarin zich het gevoel van tijdloosheid en eeuwigheid laat ervaren.

26 - Ook al het tijdelijk gebeuren is opgenomen in de eeuwigheid.

Het bewustzijn van eeuwigheid is dus iets innerlijks, wat je onmiddellijk moet beleven of denken. Je kunt het niet uiterlijk bereiken door eindeloos voort te leven.
En hier is dan een tegenstrijdigheid als ik van eeuwig leven heb gesproken.
Want leven is bewegen en bewegen manifesteert zich in de tijd, terwijl het eeuwige als zodanig iets statisch is, dus rustig en vredig als een goddelijke sfeer.
Het is immers boven de tijd als beweging verheven, boven de onrust en het hectische van het leven.
Die tegenstelling is dan op te lossen door de hele beweging van de tijd zelf tot iets eeuwigs te denken.
Dus door ook de tijd als een gebeuren in de eeuwigheid op te nemen.
Een tussenstap om dat te kunnen vatten is de eindeloze herhaling.
Zo kunnen wij in onze herinnering iets dat eenmaal is gebeurd steeds weer herhalen, dus herbeleven.
Aldus is de tijd van dat gebeuren zelf iets eeuwigs.
Het gaat wel voorbij, maar ook niet omdat het herhaald kan worden.
Het is opgenomen in Gods eeuwig hemelrijk, dat dus ook alle tijd omvat, dat daardoor zelf eeuwig is.
Te vergelijken met Jungs idee der eeuwige archétypen, maar zo dat alles wat bestaat eeuwige ideeën zijn.

tot hier

27 - Zou je je leven nog eens over willen doen?

Een volgende stap is dan de mogelijkheid dat alles wat gebeurt al eindeloos vele malen eerder is gebeurd, dus als eindeloze wederkeer, iets waar Nietzsche het over had.
Zou je je leven over willen doen?
Stel dat je leven in de hemel herhaald wordt als een herinnering?
Zou je dat wel willen om het opnieuw te beleven?
En zelfs eindeloos vele malen?
Misschien niet meteen als je het pas achter de rug hebt, maar na een aantal honderden jaren zul je vast wel nieuwsgierig worden hoe het ook al weer was geweest en het nog eens willen beleven.
En als herinnering kijk je er vast weer wat anders tegen aan en zou je op sommige punten misschien wel wat dieper door willen gaan om het beter te begrijpen en te beleven en aldus zou het zich kunnen sublimeren en kunnen verrijken.

28 - Over de eenheid van goed en kwaad, licht en schaduw.

Door het leven over te doen ontstaat een verdere ontwikkeling doordat je eerder gedane fouten niet meer maakt en misschien daardoor weer andere nog veel grotere blunders tot stand weet te brengen, want hoe sterker het licht, hoe groter ook de schaduwkant.
Zo zie je met name hoe de wetenschap die voor de mensen zoveel heeft weten te doen, ons aan de rand van de afgrond heeft gebracht.

29 - Ons leven bij de microwezentjes.

Nu wordt ons leven ook over gedaan en wel innerlijk door de microwezentjes in de microkosmos, die immers alles van ons weten tot in elk minutieus detail, tot in elke quadriljoenste seconde.
Kortom: ze weten veel meer van ons af dan wij.
Ook blijft het zich daar eindeloos herhalen, want zoals wij onze geschiedenis steeds weer lezen, herbeleven en uitzoeken en daar over schrijven en er films over maken, zo doen zij dat natuurlijk ook met ons, omdat wij ook hun eigen geschiedenis zijn.
Maar zij doen dat nog veel en veel beter in een veel meer levende werkelijkheid.
Aldus is het verleden niet werkelijk dood, maar nog meer levend dan wij het in het NU beleven.
Aldus leven we ook, en nog veel meer, in de microkosmos bij de microwezentjes, zowel heden als ons verleden.

30 - Een eindeloze reeks steeds hogere hemelen.

Daar komt dan nog bij dat er in de microkosmos oneindig vele hemelen zijn in een eindeloos ontwikkelingsproces, dus steeds hoger en hoger en het mensenleven daarin ook steeds verder ontwikkeld is, en dieper beleefd kan worden.
Niet alleen na het sterven, maar ook al tijdens het leven.
Wij leven nu al in een eindeloze reeks steeds hogere hemelen.
Nu, niet alleen in de vorm van hemelen, maar ook met alle problemen, dus in de vorm van een oneindig aantal hellen.
Aan dat laatste moeten we maar niet denken.
Maar er is helaas geen geluk zonder ook problemen en lijden.
En de hemel heeft ook de hel daarbij.
En alles daar tussen in in een reeks van velerlei gradaties.

31 - De eenheid van de hemel en een uiterlijk middel.

Deze eeuwigheid is dus in de eerste plaats een inwendige eeuwigheid van de tijd, want de tijd gaat in de microkosmos veel sneller en wat voor ons een seconde is, is voor de microwezentjes ongeveer gelijk aan tien biljard jaar.
Maar verder valt te bedenken dat die eeuwigheid ook uitwendig moet zijn, want ongetwijfeld zullen de microwezentjes in staat alles wat bij ons gebeurt voor altijd te bewaren in veel betere geheugensystemen dan onze computers en zo dat het tevens een zelfstandige innerlijke werkelijkheid is.
Dus waarbij de computer slechts een middel is, zoals ook onze hersenen slechts een middel zijn in eenheid voor ons innerlijk.

32 - Wie wil voor eeuwig de persoon zijn die hij nu is?

Probleem is hier dat de mens in een eeuwige hemel ook altijd één en dezelfde persoon zal zijn.
Wil de mens dat werkelijk? Is de mens werkelijk zo vreselijk tevreden en gelukkig met zichzelf, dat hij denkt: deze persoon die ik nu ben zou ik altijd willen blijven, want aan mij mankeert helemaal niets.
Ik ben in alle opzichten volmaakt.
Of is het toch wel meestal zo dat elk mens zo zijn gebreken heeft waarvan hij gaarne verlost zou willen zijn, dus bij zijn eigen denkt: als er werkelijk een eeuwig leven is, dan toch niet als deze persoon die ik nu ben. Laat mij dan toch alsjeblieft een ander zijn, liefst wat beter zonder al die gebreken die ik nu bezit.
Ik denk ook niet dat de meeste mensen staan te trappelen om hun leven nog eens over te doen.

33 - Het leven in eindeloos vele variaties.

Tenzij je er stilzwijgend van uit gaat dat een leven na de dood de mens ook maar meteen zal vervolmaken.
Maar ben je dan nog wel dezelfde die je was?
Of als je vervolmaakt kan worden dan kan ook het omgekeerde gebeuren dat je nog gebrekkiger en slechter zal worden dan hier op aarde, zodat er niet veel meer van je over blijft.
Hier moet toch een "ontsnappingsclausule" zijn niet altijd één en dezelfde persoon te zijn, zelfs als je volmaakt zou wezen of zo in de hemel gemaakt.
Want zelfs dat gaat vervelen op het laatst.
Het leven is toch wel het aardigst met eindeloos vele variaties, met name als het om een eeuwig leven gaat.

34 - de mens is geen afgesloten individu.

De mogelijkheid van eindeloze variaties is daarin gelegen dat de mens niet alleen maar dit ene individu is, maar ook God zelf, dus daarmede ook alle andere levensmogelijkheden.
En de mens is als mens ook alle andere mensen, want hij is ook de soort, wij zijn immers allemaal mens, dus daarin gelijk.
Wat tot uitdrukking komt in de voortplanting zich aan het nageslacht ten dienste te stellen, maar verder ook sociaal, de mens als lid van de maatschappij.
En de mens is als levend wezen ook alle andere levende wezens.
En de mens is als ding (want dat is zijn lichaam) ook alle andere dingen.
Kortom: de mens als individu is niet werkelijk een totaal afgesloten eenheid, maar als het ware "poreus en doorzichtig", verbonden met alles en iedereen om zich heen en daardoor constant aan wisselwerking en verandering onderhevig.
Zo is hij dan als oud mens al heel anders dan hij als baby was en bij zijn dood kan hij best totaal iemand anders worden, waarvan slechts een deel van zijn oude leven afkomstig is en voor een deel van andere levens.

35 - de mens is ook collectief.

De mens verandert dus constant, dit door wisselwerking met de wereld om hem heen.
Elk mens wordt daarom niet alleen uit zijn vader en moeder geboren, maar ook daarna nog steeds uit de wereld om hem heen.
En speciaal in geestelijke zin zal de mens zich met mensen om hem heen identificeren om van hen te kunnen leren, eerst de ouders en dan de onderwijzer, de leraar en dan de grote kunstenaars en wetenschappers die de cultuur hebben voorgebracht.
Aldus ontstaat een voortplanting in geestelijke zin, die niet zo strikt individueel is, maar meer binnen een collectief verband omdat elk mens uit de totaliteit van de geschiedenis van vele mensen zijn eigen persoonlijkheid tevoorschijn haalt in een levenslange ontwikkeling.
In dit opzicht is de opvatting van een afgesloten individualiteit zeer illusoir.
De mens is zo lek al een vergiet en wie hij zelf is, dat weet hij niet precies, omdat zijn eigen persoonlijkheid met vele anderen is verbonden, die nu nog leven of al reeds lang zijn gestorven.
Dus de mens is niet alleen een individu, maar hij is ook collectief.

36 - Gevangen in het eeuwige leven één en dezelfde te zijn.

Dus in de mens zelf is een tegenstrijdigheid, ten eerste alleen zichzelf te zijn en ten tweede ook alle anderen.
Zo kan men zich voorstellen dat de microwezentjes enerzijds alles wat op aarde gebeurt, dus ook alle mensen, exact zo kunnen bewaren in een eindeloze herinnering, precies zoals wij ook het verleden kunnen bewaren.
Maar dat het voor die mensen zelf erg lastig zal worden, onverdraaglijk zelf, eeuwig en altijd één en dezelfde te zijn, gevangen in een blijvende herinnering (uitgaande van de idee dat zulk een herinnering ook een eigen zelfbewustzijn bezit bij een hogere ontwikkeling daarvan).
Dat is geen eeuwige zaligheid, maar een gevangenis.
Zelfs geluksmomenten, voor eeuwig bewaard, zullen gaan vervelen, en het lijden zal sowieso onverdraaglijk zijn als die maar niet op wil houden.
Iedereen die dus alleen maar is wie hij is zal vroeg of laat daaruit willen ontsnappen.

37 - De identificatie en aan jezelf willen ontsnappen.

Het omgekeerde daarvan is de identificatie en wel zo dat de mens graag een ander wil zijn, een held, of iemand die sowieso op de een of andere manier beter is, of gewoon anders.
Dit gaat dan samen met de wil aan jezelf te willen ontsnappen.
Want elk mens heeft wel een bepaalde zwakke eigenschap (en ook meerdere).
En een ander heeft dan juist zulk een bepaalde zwakke eigenschap niet.
Aldus zijn we met de ander in wisselwerking dat te leren wat we zelf missen en als het helemaal niet te leren is, want sommige eigenschappen zitten gewoon in de genen of in het karakter vast gebakken, dan maar in een volgend leven.
Maar als je dan ook in het volgende leven nog steeds bent wie je bent, dan wordt het wel te erg, vooral als je het voor eeuwig zou moeten dragen.
En gelukkig is het zo dat het leven niet statisch is, maar veranderlijk binnen het leven zelf, want als oude man of vrouw ben je heel anders dan je als baby was, en ook van het ene leven op het andere treedt er verandering in.

38 - de onbepaaldheid van de innerlijke persoon.

Maar terwijl de mens in het uiterlijke leven op aarde van geboorte tot zijn dood toch niet van persoon kan veranderen en dus steeds dezelfde is, kan dat in de hemel wel.
Daar is alles niet zo vast en materieel en eindig bepaald, maar vloeibaar als het ware.
We zien dat al in ons eigen innerlijk, dat immers ook al de hemel is, dat we daarin niet vast aan een bepaalde identiteit zijn gebonden, ja, daarin eigenlijk niet eens precies kunnen we bepalen wie we eigenlijk zijn.
We noemen onszelf wel ik, maar dat is iedereen en ook de eigenschappen die we hebben worden door andere mensen gedeeld.
Het is helemaal niet zo precies en zouden we ons een voorstelling van ons eigen innerlijk willen maken dan gaat dat niet eens zo gemakkelijk en het is ook daarom dat iemand zou kunnen menen Napoleon te zijn of een ander genie of zichzelf eigenschappen toedichten die er helemaal niet zijn.
Het innerlijke zelfbewustzijn is moeilijk en kan wel eens de ene keer zus en de andere keer zo uitvallen.
En nog meer in onze dromen kunnen we iets heel anders zijn dan we menen, bijvoorbeeld een dier of een ding of wezen der fantasie.
Of toch onszelf, maar dan in een vreemde gedaante of bizar gevoel.

39 - Het eeuwige hellevuur.

Dus enerzijds hebben de microwezentjes de mogelijkheid alles wat op aarde gebeurt bij de mens voor eeuwig statisch vast te leggen, zodat de mens in de hemel der microkosmos ook voor altijd blijft wie hij was, maar anderzijds is er de vrije mogelijkheid aan zichzelf te kunnen ontsnappen.
Er is ook de dynamiek en de vloeibaarheid.
Gelukkig maar, want stel het geval dat in de hemel der herinnering het lijden van een mens voor eeuwig is vastgelegd.
En dat is ook zo, bijvoorbeeld een martelaar op de brandstapel, die de meest helse pijnen moet lijden.
Zulk een lijden is dan voor eeuwig vast gelegd.
We zullen het iemand toch niet aandoen zoiets te moeten doorstaan, want dat zal psychisch onmogelijk zijn eens en voor altijd statisch vast te zitten in slechts één moment, één moment van het leven.
Alleen al uit liefdevolle medemenselijkheid is dit volkomen barbaars.
Hoewel de zogenaamde "christenen" zulks hebben weten te bedenken dat de zondaar die Jezus niet zou willen erkennen voor eeuwig in het hellevuur zou moeten branden.
Een zeer eigenaardige liefde is dat.

40 - Het noodlot en de vrijheid.

Alles wat bestaat blijft voor eeuwig in de herinnering, maar was ook al reeds in alle eeuwigheid voorzien dat het zo zou zijn en zo zou gebeuren.
Het ligt immers besloten in de logica der dingen, de logica van het totale oneindige systeem der werkelijkheid.
Dat wil overigens niet zeggen dat de mens niet vrij zou zijn en slechts een slaaf van het noodlot, een slaaf van wat God heeft besloten.
Nee, want het hier en nu van de Mens maakt deel uit van Gods Geest, is zelf deel van die eeuwige logica.
Dus Gods Wil ligt niet alleen ergens buiten ons, alsof de eeuwigheid ergens anders zou zijn.
Nee, want wij zijn zelf goden en door onze eigen wil te vervullen doen we wat God wil.
De eeuwige wil wordt dus ook Nu besloten.
De Mens deelt in de vrijheid van God, is één met Hem.
Deze eenheid van God en Mens is de Heilige Geest.
Dit is dan een paradox, een hoogst mogelijke tegenstrijdigheid, dat de Mens vrij is zijn eigen noodlot te vervullen, dat wil zeggen: tot op zekere hoogte, want de Mens is niet de enige in het heelal.
De microwezentjes zijn er ook nog.


41 - De verloren Zoon.

Dat het bewustzijn der eigen vrijheid erg belangrijk is en ook een groot verschil uit maakt kan wel gemakkelijk daarin worden begrepen, dat als iemand die dat niet gelooft een heel ander leven zal leiden: niet opstandig en slaaf van de omstandigheden te zijn en zich door de letter der Bijbel zal laten leiden.
Zo iemand zal conservatief zijn en alles wat aan nieuwigheden ontstaat in de maatschappij afwijzen.
Terwijl iemand die wel in de vrijheid gelooft progressief zal zijn en gezamenlijk met andere een nieuwe wereld zal scheppen.
Beiden doen Gods Wil in zijn voorzienigheid, maar de laatste zal Hij uiteindelijk meer beminnen dan de eerste, denk maar aan Jezus' parabel van de verloren zoon (Lukas 15: 11-32).
Deze was naar het buitenland vertrokken en een hoerenloper en had al zijn geld verkwist, maar nochtans was de vader zeer blij toen hij weer terugkwam, maar de zoon die braaf thuis was gebleven, daar keek de vader nauwelijks naar om.


42 - De absolute noodzakelijkheid van dit ene IK.

De wedergeboorte is absoluut noodzakelijk*, omdat het IK als centrum van een werkelijk bewustzijn noodzakelijk is, want zonder dat ene IK zou het heelal niet werkelijk bestaan, geen bewustzijn hebben**.
Want het bewustzijn is slechts werkelijk in dit ene IK, dat zichzelf als IK ervaart, want alle anderen zijn niet-IK als jullie of zij of jij.
En die zijn allen alleen werkelijk voor dat ene IK, of natuurlijk ook voor zoverre zij zelf IK zijn, maar opnieuw slechts als één eigen IK.
Dus als iemand sterft, dan verdwijnt met hem de hele werkelijkheid als bewustzijn.
En dan doet het er helemaal niet toe op welke wijze hij wedergeboren wordt, want dat behoeft helemaal geen individuele voortzetting te zijn en mag best een totaal nieuw persoon zijn, zelfs iemand die al reeds bestond, en die de gestorven persoon vervolgens als eigen IK ervaart***.
Maar zonder dat ooit de link, het verband tussen de gestorven persoon en deze "nieuwe" persoon ooit te bewijzen is****, en die er ook helemaal niet is, dan alleen dat iemand (wie dan ook) als bewuste persoon, als dit ene IK bestaat.
Het enige verband is hier het IK.

*De noodzakelijkheid ligt in de logica dat het bewustzijn logisch noodzakelijk is als het ware Zijn uit het Niets als het werkelijke Zijn als Bewustzijn, in de drie-eenheid van Hegel in Logica, Natuurfilosofie en de Geest, waarbij de Geest het denkende bewustzijn is, maar ook het natuurlijke bewustzijn impliceert, dus de ziel als gevoel en de zintuiglijke waarneming.
Overigens is ook het Niet-Zijn noodzakelijk, maar ook al zou de dood een miljard jaar duren, dan nog maakt dat voor het bewustzijn van het IK niets uit, want de duur van het Niets van de dood merkt zichzelf niet en is dus onverschillig en zou er net zo goed niet behoeven te zijn, want Niets is immers Niets.
Alleen voor de levende heeft dat waarde dit zo te denken een miljard jaar dood te zijn geweest.
Hoewel dat verder niet valt te bewijzen toch niet een ander wezen te zijn geweest gedurende die zogenaamde dood.
Met de bewusteloosheid hetzelfde: wie bewijst dat de bewusteloze toch niet bewust is geweest als een ander wezen? Een microwezentje met name.

**Te bedenken hoe klein die werkelijkheid dan is als slechts het bewustzijn van één mens of nog kleiner van een dier of zelfs een heel klein dier als een bacil.
Of een plant.
Waarbij van een ik-bewustzijn nog helemaal geen sprake is, maar wel al reeds van een eigen zelf als een eigen ziel.

***Ter verduidelijking kan men zich dat zelfs zo denken dat de ene persoon het bewustzijn van een ander volledig over zou nemen en andersom en zichzelf volledig vergeten, beide bij leven en welzijn en zo dat geen van beiden sterft.
Dus het bewustzijn van beiden blijft hierin gewoon bestaan, maar de een is de ander geworden en de ander de een.
Wij weten zulks dan, maar zij zelf merken helemaal niks.
Zo ook dat als iemand sterft en iemand anders wordt (hetzij vanaf de geboorte, hetzij midden in het leven), de overgang van de ene naar de ander helemaal niet merkt, en wij ook inderdaad niet weten wie we in een vorig leven waren.

****De link die nochtans gemaakt kan worden is dat de mens sterft in God en uit God als een willekeurig ander mens wedergeboren wordt.
Dit omdat de mens ook wezenlijk God zelf is, dus in zijn dood naar zijn eigen wezen terugkeert, maar omdat God pas werkelijk existeert als een individueel wezen (dus ook als een plant of dier of microwezentje) en pas als zodanig bewust is, even zo noodzakelijk uit zijn of haar God-zijn weer wedergeboren wordt als een willekeurig ander wezen.
Dan kan men toch ook wel een link maken doordat elk mens eindeloos vele andere wezens in zich heeft, waaruit hij geboren is (ook tijdens het leven als een blijvend proces) en waarin hij ook weer sterft.
Dus tussen deze mens en God is dan ook nog de eindeloosheid van oneindig vele wezens als link.
Men kan dat vergelijken met een emmer water (het eigen IK), die bij de dood in zee (God) gegoten wordt, en ergens aan een andere oever een andere emmer met water uit de zee gevuld wordt als wedergeboorte (als een nieuw eigen IK).
Je begrijpt dat de tweede emmer niks te maken heeft met de eerste emmer, dan alleen de zee tussen beide als verbinding, maar geen enkele druppel van de eerste emmer in de tweede behoeft te zitten.

43 - IK en God.

In die zin kunnen we ons bewust worden dat het beter is een mens te zijn als centrum van bewustzijn, dus als IK, dan God als de ander*.
Want God als de ander bestaat slechts werkelijk voor dit ene IK, wie dat dan ook is.
God bestaat natuurlijk ook voor zichzelf, maar ook alleen voor zover Hij IK is voor zichzelf.
Maar voor een ander bestaat Hij niet werkelijk, dan alleen voor hem, dus voor de mens, en zonder dat voor zichzelf.
Maar niet beiden tezamen.
Je kunt niet werkelijk beiden zijn, het is of de ene of de andere.
En de eenheid ligt òf in de een òf in de ander, dus zo dat IK mij bewust ben van God òf dat God zich bewust is van mij.
Al zou je hier een evenwicht binnen die eenheid kunnen veronderstellen als WIJ**, maar ook dit WIJ is dan weer beperkt van inhoud aan bewustzijn als slechts een groter IK te zijn.
Of omgekeerd dat het IK eigenlijk een kleiner WIJ is.
En hier ontstaat de tegenstelling dat de oneindige Geest aan inhoud slechts reëel is als bewustzijn in een klein bewust IK of WIJ.
Zodat de Geest aan inhoud kwantitatief veel beter is, maar het IK of WIJ als bewustzijn hoger is.
God bestaat daarin slechts als deze ene mens, maar als bewustzijn toch hoger en dus beter als zijn oneindige inhoud, die daar buiten het bewustzijn ontbeert.
Zo is in mijn atoomtheorie God een collectieve persoon dus als een oneindig WIJ, maar dat is de inhoud, maar als bewustzijn is dit gereflecteerd middels één individu en dus beperkt.

*Beter een hond als eigen "ik" (zelf) dan God als de ander.
En God voor de hond ook wel niet veel bijzonders kan zijn.
Behalve dan dat de hond als puppy zijn moeder als een soort godin heeft ervaren als geborgenheid en om bij haar melk te drinken.
Ja, die ander, de moeder, is de puppy eens zelf geweest.
En het valt niet mee van de moeder los te komen.
Ook bij de mens, die daar zo'n moeite mee gehad moet hebben, dat hij er zelfs toe over is gegaan slechs één manlijke god te aanbidden en de moeder godin helemaal te vergeten.

**Hoewel ook het Wij een centrum heeft in het eigen IK, kan het bewustzijn met de anderen te zijn qua geestelijke inhoud bij de anderen liggen, dus zo dat het eigen Ik zich van de anderen deelgenoot maakt, zich daardoor laat bepalen, zich offert.
Dus niet zo dat het Ik de leider is, wat overigens ook een mogelijkheid is.
     Overigens kan dat natuurlijk ook het geval zijn met de eenheid met God, dat de Geest van God daarin overweegt, de grondslag is.
Dus natuurlijkerwijze blijft in beide gevallen toch het eigen IK zelf het centrum, of dat nu qua inhoud door anderen of door God bezeten is.
Maar het Ik kan dus Gods Geest zijn en ook de Geest van de anderen qua inhoud.
     Hierbij schiet me nog een extra probleem te binnen, namelijk de eenheid van de subjectieve Geest als Ik en de objectieve Geest als de Staat van Hegel, met de Absolute of oneindige Geest van God als derde en synthese.
Die oneindigheid van God lijkt mij plotseling ver over de eerste en de tweede heen te gaan als van de eindigheid van het Ik en de Staat in het Absolute van God.
Maar die oneindigheid kan ook heel eenvoudig beginnen, waar het Ik en de ander, dus de medemens, tegen elkaar begrensd zijn, maar die grens tevens een verbinding is, dus de eindigheid van beiden tegenover elkaar tevens niet-eindig, dus oneindig is.
Dus geen oneindigheid die ver weg is, maar onmiddellijk tussen het ik en het jij aanwezig is als eenheid.
En ik meen ook dat Hegel dat zo bedoelt.
En pas als ik de ander als vele anderen denk, dus als gezin en gemeenschap en staat, maar vooral als oneindig velen, dus de microwezentjes met name, dan wordt de "oneindigheid" (dus als eenheid) van het ik en jij groter en vervolgens tot eindeloosheid en tot in de oneindigheid uitgebreid.
En wat de microwezentjes betreft ook als inwendige oneindigheid te verstaan.
De drie-eenheid wordt dan: ik en jij (maar ook vele anderen) tot Wij als eerst twee en vervolgens ook tot velen en oneindig velen.
Maar het Ik blijft hierin als centrum.
Maar de oneindig velen gaan dan ook over in de eenheid daarvan.
En dan wordt het Wij de eenheid van Ik en God als de eenheid van een oneindige veelheid van levende wezens (microwezens).
Zodat er dan twee oneindigheden* ontstaan, namelijk die van het oneindige aantal microwezentjes als eenheid, en de oneindigheid als eenheid van het eindigende Ik en die van de oneindigheid van de microwezentjes.
En volgens Hegel is dan ook de ware oneindigheid die van de eenheid van de eindigheid en de oneindigheid.
Niet de abstracte oneindigheid als zodanig, maar de oneindigheid die ook de eindigheid omvat.

*En niet de eerste te vergeten: die van het IK en de ander als JIJ, dus het kleine WIJ als eenheid, zo dat de grens tussen beiden is opgeheven, van grens als eindigheid tot niet-eindigheid als on-eindigheid wordt.
De grens is zijn eigen tegendeel als verbindend, ook geen grens.
Eindig is oneindig.
En als vierde ook nog de eenheid van het IK met vele anderen, dus JULLIE.
Dat dan over gaat van velen naar eindeloos velen naar oneindigheid.

44 - eeuwig leven.

Niet alleen in de hemel, maar ook in het heelal is eeuwig leven, want elke keer als de mens sterft wordt hij weer als een volkomen nieuw levend wezen wedergeboren uit de volheid van het leven in de microkosmos.
Dit omdat het eigen enige ik de absolute voorwaarde voor het bewustzijn is.
Zonder dat ik is alles duister.


Extra aantekeningen:

Vóór de geboorte is de mens nog slechts potentieel als zijnde zijn vader en moeder en pas vanaf de geboorte is hij eeuwig.
Dat wil zeggen: als specifiek individuele persoon, maar als leven in het algemeen is de mens ook voor zijn geboorte al reeds bestaande.
Dus op wat voor manier dan ook, elke vorm van leven.
Dus ook als de ouders.





frame
hoofd-index